ADHD (attention deficit hyperactivity disorder), ook wel aandachtstekort-hyperkinetische stoornis of aandachtstekort-hyperactiviteitstoornis genoemd, is een aan het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders ontleende benaming voor een cluster van symptomen. Kenmerkend zijn impulsief gedrag, concentratieproblemen, rusteloosheid, emotionele ontregeling en leermoeilijkheden. De symptomen zijn al aanwezig in de kindertijd en werken veelal belemmerend bij het dagelijks maatschappelijk functioneren.
Geschiedenis Sir Alexander Crichton beschrijft "mentale rusteloosheid" in zijn boek An inquiry into the nature and origin of mental derangement voor het eerst in 1798. De eerste duidelijke omschrijving van ADHD wordt toegedicht aan de Britse kinderarts George Still, in 1902. Hij gaf een aantal lezingen aan het Royal College of Physicians of London.
In 1937 werkte de arts Charles Bradley in een inrichting voor moeilijk hanteerbare jongens. In plaats van deze jongeren door middel van harde tucht te leren hun gedrag aan te passen, besloot hij hun gedrag te beïnvloeden door medicatie voor te schrijven. Hij had al eerder ontdekt dat stimulerende medicatie, zoals die onder andere werd toegepast als middel om af te vallen, een kalmerend effect had op mensen met bepaalde klachten.
In 1947 werd beschreven dat de gedragsproblemen werden veroorzaakt door kleine beschadigingen in de hersenen, minimal brain damage (MBD) genoemd. Vanaf 1967 was men toch minder overtuigd van beschadiging en werd de term minimal brain disfunction ingevoerd. In de jaren zeventig kwam aan het licht dat ADHD geen typische kinderziekte was die rond de puberteit verdween, maar dat zo’n 60% ook als volwassene last bleef houden van symptomen. Ondanks deze wetenschappelijke feiten bleef de algemene maatschappelijke mening nog lange tijd dat ADHD een opvoedingsprobleem was zonder biologische oorzaak. Ook al omdat men er in de psychoanalyse lang van uitging dat ADHD een neurotische afwijking was die veroorzaakt werd doordat ouders steeds minder tijd en aandacht hadden voor hun kinderen.
Toepassing van psychofarmaca In 1934 werd in de Verenigde Staten Benzedrine (een amfetamine) als eerste geneesmiddel toegelaten. Methylfenidaat werd toegelaten in de jaren vijftig, en dextro-amfetamine in de jaren zeventig van de twintigste eeuw.
Voorkomen In 2000 werd geschat dat circa 3 tot 5% van de kinderen in de schoolgaande leeftijd ADHD had, in recenter onderzoek wordt een cijfer van 7 tot 8% van de kinderen en 2 tot 5% van de volwassenen genoemd. Het voorkomen varieert met een aantal risicofactoren, waaronder leeftijd, mannelijk geslacht, chronische gezondheidsproblemen, problemen in de familie, lage sociaal-economische status, aanwezigheid van ontwikkelingsstoornissen en het wonen in een stad. De stoornis komt in alle tot nu toe onderzochte landen voor, in min of meer overeenkomende mate. Verschillen tussen etnische groepen komen voor, maar lijken eerder verband te hebben met sociaal-economische status dan met etniciteit. ADHD wordt in Nederland nauwelijks bij inwoners met een migratieachtergrond gediagnosticeerd of behandeld; maar dit wil niet zeggen dat er onder inwoners met een migratieachtergrond geen ADHD voorkomt.
De stoornis manifesteert zich in principe vroeg in het leven. Bij jongens wordt de diagnose drie keer vaker vastgesteld dan bij meisjes.IACAPAP conferentie, 25 augustus 2004 te Berlijn.
In circa twee derde van de gevallen blijft ADHD aanhouden tot de volwassenheid, in circa 15% van de gevallen in oorspronkelijke sterkte, bij een verdere 50% in mindere mate. European consensus statement on diagnosis and treatment of adult ADHD: The European Network Adult ADHD. BMC Psychiatry. 2010;10:67. . . Dit is een open access artikel, beschikbaar onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding (CC BY; versie 2.0). Ook in de gevallen waar de symptomen tijdens volwassenheid verdwijnen, functioneert 90% nog niet volledig. Veel gezondheidsprofessionals zijn echter niet op de hoogte van het feit dat ADHD veelvuldig aanhoudt in de volwassenheid.
Bij volwassenen wordt voor de aandoening soms de naam adult attention deficit disorder (AADD) gebruikt.
Kenmerken en diagnose ADHD wordt in het diagnostisch handboek DSM-5-TR opgesplitst in drie verschillende beelden of subtypen: Het gecombineerde beeld kent zowel druk en impulsief gedrag als moeite met het vasthouden van de aandacht. Code 314.01. Het overwegend onoplettend beeld kenmerkt zich door moeite met het vasthouden van de aandacht (dit werd en wordt vaak 'ADD' genoemd). Code 314.02. Het overwegend hyperactief-impulsief beeld laat voornamelijk druk en impulsief gedrag zien. Code 314.01.
Jongens met ADHD tonen vaker hyperactiviteit, impulsiviteit en gedragsproblemen, terwijl meisjes met ADHD wat vaker het overwegend onoplettende beeld laten zien.
De symptomen van ADHD moeten al aanwezig zijn in de vroege kinderjaren, maar veranderen geleidelijk naarmate kinderen volwassen worden. De hyperactiviteit en impulsiviteit worden minder duidelijk zichtbaar en de problematiek verschuift naar meer subtiele symptomen zoals innerlijke onrust, onoplettendheid, gebrek aan organiserend vermogen en vermindering van gedrag met betrekking tot uitvoerende taken.
Aandachtstekort Het symptoom aandachtstekort bij ADHD heeft geen betrekking op het krijgen van onvoldoende aandacht, maar op een gebrek aan concentratie. Iemand met ADHD kan vaak onvoldoende aandacht schenken aan zijn of haar omgeving doordat het niet goed mogelijk is om de aandacht bij één ding tegelijk te houden en de persoon snel is afgeleid.
Hyperactiviteit Hyperactiviteit kan zich uiten door lichamelijke onrust, maar ook door innerlijke onrust en impulsiviteit. Bij hyperactiviteit kan er ook sprake zijn van overmatige beweeglijkheid. Deze beweeglijkheid is door personen met ADHD vaak moeilijk te onderdrukken. Sommige personen met ADHD lijken zelf weinig tot niet bewust van hun eigen beweeglijkheid tot zij hierop gewezen worden. De mate en manier van beweeglijkheid is voor elke persoon met ADHD verschillend. Sommigen maken voornamelijk grote bewegingen met benen of armen, sommigen friemelen meer met de vingers en handen. De beweeglijkheid kan in verschillende situaties ontstaan of verergeren. Over het algemeen zijn dat situaties met stress of een drukke omgeving met veel prikkels. Personen met de meest in het oog springende vorm van ADHD zijn beweeglijk, onrustig en minder voorspelbaar in hun motoriek en in hun denken.
Impulsiviteit Impulsiviteit betekent dat indrukken worden gevolgd door bijbehorend handelen. De handelingen moeten direct plaatsvinden en kunnen niet worden uitgesteld. Handelingen die eenmaal in gang zijn gebracht kunnen niet meer worden gestopt en moeten eerst worden afgemaakt. Afhankelijk van de situatie waarin zich de impulsiviteit voordoet kan deze tot problemen leiden. Er kan vaak minder goed onderscheid worden gemaakt tussen belangrijke en minder belangrijke zaken. Bij taken worden dan verkeerde prioriteiten gelegd.
Doordat personen met ADHD vaak op zoek zijn naar nieuwe stimulansen, zijn zij gevoeliger voor bijvoorbeeld doomscrollen.
Prikkelgevoeligheid Personen met ADHD zijn gevoeliger voor prikkels zoals achtergrondmuziek in winkels, sterke geuren en drukte. Personen met ADHD zijn gevoelig voor prikkels van buitenaf, maar zoeken de prikkels zelf op wanneer die ontbreken.
Diagnose De stoornis wordt doorgaans vastgesteld door een psychiater, psycholoog, psychotherapeut of door een orthopedagoog met in ieder geval een basisaantekening diagnostiek. Deze zijn hiervoor specifieker opgeleid. Alleen een arts, bijvoorbeeld een psychiater, is bevoegd om eventueel medicatie voor te schrijven.
Er bestaat geen standaardtest voor het diagnosticeren van ADHD. Voor het stellen van de diagnose worden om die reden verschillende testen en observaties gebruikt. Vanwege het gebrek aan een eenduidige manier van diagnosestelling, is de diagnose vaak willekeurig en tendentieus.
In een Zwitsers onderzoek bleek dat in 75 procent van de gevallen de diagnose ADHD ten onrechte wordt gesteld. Wanneer het om een jongen gaat is de kans op een foute diagnose nog groter. Meisjes met dezelfde symptomen als jongens werden vaker ADHD-vrij verklaard. Is ADHD diagnosed in accord with diagnostic criteria? Overdiagnosis and influence of client gender on diagnosis. Journal of Consulting and Clinical Psychology. 2012 Feb;80(1):128–38. . . Gratis volledige artikel: https://web.archive.org/web/20130308171008/http://aktuell.ruhr-uni-bochum.de/mam/content/jccp-adhd.pdf
In oktober 2005 sprak het kinderrechtencomité CRC van de Verenigde Naties zijn zorgen uit over overdiagnose van ADHD en het te vaak voorschrijven van psychoactieve middelen. Het comité sprak zich uit voor meer onderzoek naar de diagnose. De Nederlandse hoogleraar orthopedagogiek Laura Batstra heeft in publicaties en publieke optredens gewezen op de toenemende medicalisering van gedrags- en onderwijsproblemen bij kinderen. Zij betoogt dat deze problemen bij kinderen steeds vaker worden geïnterpreteerd binnen een psychiatrisch diagnostisch kader, terwijl opvoedings-, onderwijs- en maatschappelijke factoren onderbelicht blijven.
Leeftijden van personen bij wie ADHD gediagnosticeerd werd: 1 t/m 5 jaar: 5% 6 t/m 8 jaar: 22% 9 t/m 12 jaar: 35% 13 t/m 18 jaar: 22% 19+ jaar: 16%
Oorzaken Het wetenschappelijk onderzoek naar ADHD is sterk toegenomen sinds de jaren tachtig. De cognitieve neurowetenschappen en de gedrags- en moleculaire genetica hebben bewijs verschaft dat ADHD een complexe neurobiologische stoornis is. Verschillende hersengebieden en verscheidene neurotransmitters zijn betrokken bij ADHD. De rol van de neurotransmitter dopamine heeft behoorlijke aandacht gekregen. De prefrontale cortex lijkt relevant om ADHD te begrijpen. Deze heeft een hoge behoefte aan dopamine en speelt een rol in cognitieve functies zoals uitvoerende functies. De prefrontale cortex heeft veel verbindingen met andere gebieden van de hersenen, met inbegrip van het striatum, kleine hersenen en de pariëtale cortex. Onderzoek heeft aangetoond dat sommige hersengebieden iets kleiner zijn of een afgenomen activiteit hebben bij mensen met ADHD.
Genetica Familiestudies naar ADHD laten consequent zien dat ADHD sterk familiaal van aard is. Attention-deficit/hyperactivity disorder: a selective overview. Biological Psychiatry. 2005 Jun 1;57(11):1215–20. . . De meeste onderzoeken toonden aan dat ouders en nageslacht van kinderen met ADHD, een 2 tot 8 maal verhoogd risico op het ontwikkelen van ADHD hebben. In controlegroepen van mensen zonder ADHD komt ADHD voor bij 2 tot 5 procent van de eerstegraads familieleden van kinderen, dit percentage stijgt naar 20 procent in de groepen met kinderen met ADHD. Bij kinderen van volwassenen met ADHD, komt ADHD zeer vaak voor, zo’n 75 procent. Eeneiige tweelingen hebben in ongeveer 60-80% van de gevallen beiden ADHD – bij twee-eiige tweelingen treedt dat in ongeveer 35% van de gevallen tegelijk op.
Omdat men ervan uitgaat dat ADHD een belangrijke genetische component heeft, heeft men tweelingstudies gedaan, die de mate van erfelijkheid onderzochten of de mate waarin de aandoening beïnvloed wordt door genetische factoren. Op basis van 18 studies (die methodologisch en qua definitie van ADHD verschilden) komt men uit op een gemiddelde erfelijkheid van 77 procent.