thumb|Kruidengeneeskunde is een alternatieve geneeswijze.
Alternatieve geneeswijze en complementaire geneeswijze zijn behandelmethoden en diagnostische concepten die niet tot de reguliere geneeskunde behoren, en waarvan de werking niet wetenschappelijk is bewezen en/of waarvan de werking wetenschappelijk ontkracht is. Daaronder vallen natuurgeneeskundige behandelingen, lichaamstherapieprocedures, enkele ontspanningsprocedures en behandelmethoden zoals homeopathie en osteopathie, evenals methoden zoals de antroposofische geneeswijze en traditionele Chinese geneeskunde.
Geschiedenis
Een spanningsveld tussen alternatieve en reguliere geneeskunde ontstond in het Groot-Brittannië van de 18e eeuw. De diplomatenvrouw Mary Wortley Montagu bracht uit het Osmaanse Rijk de techniek mee van de Variolatie, het bewust besmetten van kinderen met minimale hoeveelheden smetstof van pokkenlijders. Slechts enkele artsen waren bereid hiermee te experimenteren, onder wie aan het einde van de eeuw Peter Jenner, die echter smetstof van koeien gebruikte en zo het vaccin uitvond.
In de geschiedenis van de geneeskunde zijn, wat Nederland betreft, reguliere en alternatieve behandelingen pas als zodanig te onderscheiden na invoering van de Wet Uitoefening Geneeskunst (1865), die het domein van de reguliere geneeskunde afbakende en voorbehield aan artsen. Ook na invoering van de wet werden naast de reguliere geneeskunde alternatieve behandelingen toegepast. In deze periode bestonden deze alternatieve behandelingen uit bijvoorbeeld fytotherapie en homeopathie, en aan het eind van de negentiende eeuw ontstond er een hausse aan de later verboden patentmiddelen. Sinds 1999 (vervanging van Wet Uitoefening Geneeskunst door de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) mag iedereen behandelingen uitvoeren, maar zijn er wel zogenoemde voorbehouden handelingen, die alleen door medisch geschoold personeel mogen worden gedaan.
Wetgeving Nederland en België In 1973 kwam in Nederland de Staatscommissie Medische Beroepsuitoefening ('Commissie Muntendam') met het voorstel van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, de Wet BIG. Deze werd uiteindelijk in 1999 van kracht. De Wet BIG komt erop neer dat sinds de vervanging van de Wet Uitoefening Geneeskunst (1865) door de Wet BIG iedereen geneeskunde mag bedrijven. Er zijn wel zogenaamde voorbehouden handelingen, die alleen door medisch geschoold personeel mogen worden gedaan. Voor Nederland zijn deze "voorbehouden handelingen": heelkundige handelingen, verloskundige handelingen, endoscopieën, katheterisaties, injecties, puncties; narcose, het gebruik van radioactieve stoffen en ioniserende straling, cardioversie, defibrillatie, elektroconvulsietherapie, niersteenvergruizing en kunstmatige fertilisatie.
In België is ook het stellen van diagnoses en het toepassen van medisch-therapeutische handelingen voorbehouden aan artsen. Het toebrengen van schade aan de gezondheid van een persoon en de onwettige uitoefening van de geneeskunde (het stellen van geneeskundige handelingen, waaronder het stellen van een diagnose, zonder daartoe bevoegd te zijn) wordt juridisch vervolgd. In april 1999 is de wet Colla aangenomen, die de mogelijkheid biedt voor niet-conventionele behandelwijzen om te ijveren voor een erkenning als beroepsgroep. Deze kaderwet beschrijft de stappen die genomen moeten worden om deze niet-conventionele geneeswijzen te regulariseren. Op 11 mei 2003 werd een wet bekrachtigd die nodig is voor het erkennen van de beroepsverenigingen, met name homeopathie, acupunctuur, chiropraxie en osteopathie. Een erkenning van deze beroepen is echter na meer dan twintig jaar nog geen feit. Van de wet Colla zijn immers verschillende essentiële artikelen nog niet in werking getreden, en blijven er criteria geldig met betrekking tot kwaliteitseisen en de voorwaarden voor bewezen werkzaamheid, onder andere vastgelegd door de Orde der artsen en de Raad voor het Verbruik.
Alternatieve therapeuten kunnen in Nederland en België lid worden van een beroepsorganisatie, en bij elke beroepsvereniging is er de verplichting om lid te zijn van een organisatie die een klachtenregeling en/of tuchtrecht kan verzorgen. De overheid laat de beroepsverenigingen van alternatieve geneeswijzen vrij in het bepalen van hun opleidings- en kwaliteitseisen. Sommige beroepsverenigingen verzorgen zelf hun opleidingen en tuchtrecht of klachtenregeling; andere besteden onderdelen uit aan instanties die zich daarop toespitsen. Een aantal beroepsverenigingen hebben dit aspect geregeld via de Klachtencommissie Alternatieve Behandelwijzen.
In 2016 is in Nederland daarnaast de Wet op de Kwaliteit en Geschillen in de Zorg (Wkkgz) van kracht geworden, op grond waarvan de positie van alternatieve zorgverleners is veranderd, indien zij voldoen aan de door de wet gestelde kwaliteitscriteria, die ook gelden voor reguliere zorgverleners en behandelaars. De wet beoogt onder andere een betere en snellere aanpak van klachten, het overhevelen van de klachtenprocedures naar een externe Klachtenfunctionaris en een Geschillencommissie, en het veilig kunnen melden van incidenten.
Europese Unie In de Europese Unie wordt het Europees Parlement geconfronteerd met een situatie, waarin een behandelaar die in het ene land officieel erkend wordt, in een ander land van de Europese Gemeenschap aangeklaagd kan worden voor het onwettig uitoefenen van geneeskunde. Dit is in strijd met het Verdrag van Rome. In 1997 is 'Het Statuut van de niet-conventionele Geneeswijzen' aangenomen. Het Europees Parlement vraagt daarin aan de Commissie zich in te spannen voor de verdere standaardisering van erkenning van de niet-conventionele geneeswijzen. Er staat ook in dat erkenning pas komt als de werking bewezen is. Op initiatief van de Europese Unie hebben onderzoekers in de COST (European Cooperation in the field of Science and Technology) B4 wetenschappelijk onderzoek naar de alternatieve geneeswijzen verzameld. Het eindrapport van COST B4 concludeert dat er onvoldoende bewijs van werking en veiligheid is.Verslag over de status van de niet-conventionele geneeskunde, 6 maart 1997European Commission, Directorate-General for Research and Innovation COST Action B4 1993-98 : Unconventional medicine: Final Report of the management committee EU Publications Office, 1998.
Terminologie De term alternatieve geneeswijze is in Nederland gangbaar geworden nadat de Commissie Alternatieve Geneeswijzen (Commissie Muntendam) in 1981 een rapport aan de Nederlandse regering uitbracht met aanbevelingen om een aantal alternatieve behandelingen wetenschappelijk te laten onderzoeken., Alternatieve Geneeswijzen, feiten en cijfers. Vakblad over gezondheid en maatschappij. 2004, p6. (dode link: www.g-online.nl/pool/1/documents/G404%20Feiten%20en%20cijfers.pdf)
De Nederlandse regering heeft in 1983 de Gezondheidsraad om advies gevraagd. De daarvoor door de Gezondheidsraad geïnstalleerde commissie volgt de Commissie Muntendam in het gebruik van de termen "regulier" en "alternatief". De commissie wil echter niet spreken over "alternatieve geneeswijzen", maar kiest voor de correctere aanduiding alternatieve behandelwijzen, aangezien er geen bewijs is van enige werking, laat staan genezing.Commissie Alternatieve Behandelwijzen. Alternatieve Behandelwijzen en Wetenschappelijk Onderzoek. Gezondheidsraad, Den Haag, 1993; publicatie nr 1993/13.
De KNMG, de Nederlandse artsenfederatie, spreekt van niet-reguliere behandelwijzen. De termen "alternatief", "complementair" en "geneeswijze" worden niet gebruikt, omdat deze de indruk kunnen geven dat deze een alternatief of aanvulling kunnen vormen of ook werkelijk tot genezing kunnen leiden.Standpunt KNMG over alternatieve behandelwijzen (2008). Gearchiveerd op 25 september 2015.
Sommigen geven de voorkeur aan de term complementaire behandelwijze, om te benadrukken dat deze behandelwijzen niet bedoeld zijn als vervanging van de geneeskunde. Zo gebruikte de Nederlandse organisatie voor gezondheidsonderzoek en zorginnovatie (ZonMw) deze term bij een onderzoek in opdracht van het Nederlandse Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport., Complementaire Behandelwijzen. ZonMw, 2009. Ook worden de termen alternatieve geneeskunde, alternatieve behandelingen of niet-conventionele geneeswijzen gebruikt.
De werking van alternatieve geneeswijzen is (per definitie) niet wetenschappelijk aangetoond, en wordt door sommigen benoemd als 'kwakzalverij'. In zijn dissertatie concludeerde Cees Renckens dat de term alternatieve geneeswijzen gezien kan worden als synoniem voor kwakzalverij., Dwaalwegen in de geneeskunde. Over alternatieve geneeswijzen, modeziekten en kwakzalverij (2004) Bert Bakker . Gearchiveerd op 13 april 2014. De Hoge Raad der Nederlanden stelde in 2009 vast dat de medische wereld een behandeling als kwakzalverij beschouwt wanneer, zonder dat daar wetenschappelijk bewijs voor is, gesteld wordt dat iets kan genezen., Dutch Sceptics Have ‘Bogus’ Libel Decision Overturned On Human Rights Grounds. Quackometer.net, 3 augustus 2009. Gearchiveerd op 20 augustus 2021.
Uit een TNS NIPO-onderzoek onder de Nederlandse bevolking in 1998 bleek dat 75% van de ondervraagden de term kwakzalverij te ver vond gaan (hoewel de term formeel juist is). Iemand die behandelt met alternatieve geneeswijzen en claimt dat die werkzaam zijn, mag in Nederland een kwakzalver genoemd worden. Het gerechtshof in Amsterdam heeft in 2002, in de zaak van Hans Houtsmuller tegen de Vereniging tegen de Kwakzalverij, geconcludeerd dat Doctor Houtsmuller onterecht als kwakzalver en leugenaar is betiteld, omdat hij enerzijds beëdigd arts was, en anderzijds geen stellige claims deed over de werking van zijn alternatieve therapie (die er niet was).
Opleiding en registratie Alternatieve geneeswijzen worden meestal, door gebrek aan wetenschappelijke onderbouwing, niet aan universiteiten of paramedische opleidingen gedoceerd, maar aan particuliere beroepsopleidingen. Beoefenaren van alternatieve geneeswijzen met een dergelijke opleiding kunnen zich laten opnemen in een register van de eigen beroepsgroep. BIG-registratie is voorbehouden aan beoefenaren die een daartoe aangewezen medisch, zoals artsen, of een paramedisch beroep beoefenen. Negentig procent van de beoefenaars die bij een beroepsvereniging voor alternatieve geneeswijzen staat ingeschreven, heeft geen arts-diploma.
Een klein deel van de reguliere artsen in Nederland studeert verder in alternatieve richtingen zoals homeopathie, chiropraxie, manuele therapie, antroposofie, osteopathie of acupunctuur. In Nederland vertegenwoordigen de alternatieve artsenverenigingen ongeveer 1000 artsen (1,2 % van het aantal in Nederland geregistreerde artsenAantallen geregistreerde zorgverleners in het BIG-register). Het aantal therapeuten zonder artsenopleiding ligt hoger.
Samenwerking In de praktijk blijkt dat alternatieve therapieën worden gebruikt naast reguliere therapieën, meestal als aanvulling of ondersteuning. Het gaat om circa 6% van de Nederlandse en circa 10% van de Belgische bevolking. Slechts een kleine minderheid van hen die alternatieve geneeswijzen kiezen, maakt uitsluitend gebruik van alternatieve geneeswijzen (Zie: Gebruik).
Alternatieve middelen kunnen, net als reguliere, bijwerkingen hebben. Over de interactie van bepaalde kruiden en andere niet-conventionele middelen met conventionele geneesmiddelen, en de ongewenste bijwerkingen die dit kan geven, wordt steeds meer duidelijk. Patiënten dienen steeds hun arts in te lichten als zij, naast wat deze heeft voorgeschreven, ook een of meer alternatieve middelen gebruiken.