thumb|300px|Georg Wilhelm Friedrich Hegel. Historicisme is de theorie die stelt dat de geschiedenis zich onwrikbaar en onvermijdelijk volgens vaste wetten, die kunnen worden ontdekt, naar een bepaalde eindsituatie beweegt. Het historicisme is dus vaak verbonden met het historisch determinisme of het idee dat er een uiteindelijk (eind)doel in de geschiedenis zit. Breder kan men onder historicisme ook het idee verstaan dat bepaalde concepten en ideeën slechts kunnen worden begrepen binnen hun specifieke tijdperk.
Verder speelt deze theorie ook een rol in verscheidene religies, bijvoorbeeld in het christendom onder de vorm van het millenialisme: het geloof in het Duizendjarig vrederijk dat na de Wederkomst van Jezus gesticht zal worden. Ook in de filosofische stroming van het poststructuralisme spreekt men weleens van "nieuw historicisme" om de visie te beschrijven dat alle vragen beantwoord moeten worden binnen de specifieke culturele en historische context waarbinnen ze gesteld worden. Dit gebruik van de term historicisme is echter eerder verwant aan historisme.
Sporen er van zijn al terug te vinden in het werk van de Italiaanse filosoof Giambattista Vico en Michel de Montaigne, maar het historicisme zou pas volledig ontwikkeld worden in de Romantiek, en met name in het werk van G.W.F. Hegel. Bekende moderne historicisten zijn onder anderen Auguste Comte, Johann Gottlieb Fichte, Karl Marx en Arnold Joseph Toynbee geweest. Bekende critici van deze stroming zijn Jean-François Lyotard en Karl Popper, voornamelijk diens werk The Poverty of Historicism (1957).
Varianten Hegel Een van de eerste en grootste historicisten was de 19e-eeuwse Duitse filosoof en idealist Georg Wilhelm Friedrich Hegel. Volgens Hegel wordt de evolutie van de menselijke samenleving alsook die van menselijke activiteiten als wetenschap, kunst en filosofie bepaald door hun geschiedenis. Wil men dus een goed begrip krijgen van een van deze zaken, dan is de studie van hun geschiedenis onontbeerlijk. De geschiedenis van deze activiteiten bouwt niet enkel voort op het verleden, maar zet zich er ook expliciet tegen af. Hegel beschrijft dit aan de hand van een dialectisch proces: eerst heeft men een beginsituatie (de these) waarop zich een tegenreactie ontwikkelt (de antithese). Uiteindelijk wordt deze tegenstelling dan verheven naar een nieuw niveau (de synthese).
Een illustratie van deze dialectische evolutie kan worden gevonden in de Franse Revolutie: eerst was er de revolutie (these), waarop dan de dictatuur volgde van Maximilien de Robespierre (antithese) wat uiteindelijk resulteerde in de machtsovername door Napoleon Bonaparte (de synthese). Hegel gebruikte de termen these, antithese en synthese zelf niet, zij worden echter vaak gebruikt om Hegel makkelijk uit te leggen. Deze termen kan men wel terugvinden in het werk van zijn tijdgenoot Johann Gottlieb Fichte.
Dit dialectisch proces hangt daarbij ook sterk samen met zijn filosofie van het idealisme. Volgens Hegel bestaat er geen wereld los van het menselijk denken en is in die zin alles eigenlijk geest: het menselijk handelen wordt dan ook grotendeels bepaald door de intellectuele ideeën die hij bezit. De gehele werkelijkheid bestaat volgens Hegel uit een wereldgeest die zich van haar eigen toestand echter nog niet bewust is, en haar aandacht over de verschillende zaken in de wereld heeft verdeeld. Het noodzakelijk proces dat de geschiedenis doorloopt is een proces van tot zelfbewustzijn komen van deze wereldgeest. Eerst via de natuur, dan via de mens en zijn instellingen en uiteindelijk op abstract niveau in de religie, kunst en de filosofie.
Marxisme Een vroege reactie op deze visie van Hegel is terug te vinden in het werk van Karl Marx. De mate waarin Marx zelf een historicistische filosofie aanhangt, is moeilijk te duiden. In zijn werk Stellingen over Feuerbach (1845) lijkt hij zich althans sterk af te zetten tegen een historicistische interpretatie van de geschiedenis, voornamelijk omdat dit de menselijke wil tot handelen verlamt en ontkent. Doch wat men wel zeker kan vaststellen is dat zijn ideeën als een vorm van historicisme geïnterpreteerd kunnen worden en dat dit ook gebeurd is in het werk van een reeks van Marx zijn volgelingen (marxisme).
thumb|Karl Marx. Marx leek het met Hegel eens te zijn wanneer die stelde dat er een lijn in de geschiedenis zit. Het grote verschil is dat Marx ontkende dat dit proces een idealistisch of intellectueel proces was; het ging bij hem daarentegen om een historisch materialisme: de wereldgeschiedenis wordt voornamelijk bepaald door de economische- en sociale verhoudingen tussen de productiemiddelen en de bezitters van deze middelen. Deze verhouding verdeelde volgens Marx de mensheid steeds opnieuw in verschillende groepen die elkaar dan gaan bevechten om de macht over de productiemiddelen, de zogenaamde klassenstrijd. De geschiedenis was dus een proces met een eeuwige klassenstrijd die via het oercommunisme, de slavernij, het feodalisme en het kapitalisme moest resulteren in het modern communisme en de klasseloze maatschappij.
Dit idee werd later geradicaliseerd in de vorm van het dialectisch materialisme in het werk van denkers als Joseph Dietzgen, Friedrich Engels, Vladimir Lenin, Georg Lukács, History & Class Consciousness - Class Consciousness, Merlin Press, 1967. Bezocht op 8-04-2012. Gearchiveerd op 5 juni 2023. en Georgi Plechanov. Zo schrijft Engels bijvoorbeeld in Ludwig Feuerbach en het einde van de klassieke Duitse filosofie (1886):
In tegenstelling tot het historisch materialisme, kent het dialectisch materialisme een veel zwaarder gewicht en grotere wetmatigheid toe aan de geschiedenis: de geschiedenis wordt werkelijk, los van de mens, gestuurd door een reeks onvermijdelijke tegenstellingen. Het dialectisch materialisme combineert het historisch materialisme dus met de dialectiek van Hegel: de geschiedenis wordt gekenmerkt door een reeks dialectische materiële tegenstellingen die onvermijdelijk naar het communisme leiden. Dit dialectisch materialisme werd in de 20e eeuw, voornamelijk in Sovjet-Unie onder Jozef Stalin verheven tot een geloofsartikel en tot de officiële staatsideologie.
Positivisme thumb|180px|Auguste Comte. Grotendeels onafhankelijk van Hegel en Marx werd er in het Frankrijk van de 19e eeuw een gelijkaardige kijk op de geschiedenis ontwikkeld. Geïnspireerd op Claude Henri de Saint-Simon, werkte de filosoof Auguste Comte de stroming van het positivisme uit. Dit positivisme houdt de opvatting in dat alleen de empirische wetenschap in aanmerking komt voor het leveren van echte en gegronde kennis. Comte was net als Saint-Simon onder de indruk van de opkomende wetenschappen en vooral hun succes. Gecombineerd met een sterk vooruitgangsgeloof verhief hij hierdoor de wetenschap tot het hoogste goed.
Comte ging echter nog verder, en geloofde dat de opkomst van de moderne wetenschap een langzaam, maar onwrikbaar resultaat was van een onderliggende wet in de geschiedenis van de mensheid. Om dit proces te beschrijven formuleerde hij de beroemde wet van de drie stadia: de geschiedenis van de mensheid bewandelde een traject van drie stadia af dat uiteindelijk resulteerde in de moderne wetenschappen, die volgens Comte alle problemen van de mensheid zouden oplossen., Historische inleiding tot de Wijsbegeerte, Universitaire Pers Leuven, 1989, blz. 95-97.
Allereerst bevond de mensheid zich in een theologisch stadium waarin men de wereld rondom zich verklaarde naar analogie met het menselijk handelen en door een beroep te doen op Goddelijke wezens. Kennis, normatieve geldigheid, de wet en vele andere principes werden gefundeerd in het goddelijke: de goden hebben de mens met de rede begiftigd, de goden hebben ons hun morele wet geschonken en wij moeten hun voorschriften eerbiedigen, ...
Vervolgens komt de mensheid terecht in het metafysisch stadium waarin de wereld niet meer verklaard wordt door te verwijzen naar iets transcendents, maar iets immanents aan de wereld zelf ontleent: door te verwijzen naar abstracte principes of essenties in de natuur. Voorbeelden hiervan zijn een beroep op de menselijke rede, morele gevoeligheid of de natuurwetten.
Uiteindelijk komt de mens in het positieve stadium terecht, waarin hij leert dat alleen de empirische wetenschap echte kennis kan leveren. Kennis kan enkel een product zijn van aan de wetenschappelijke methode onderworpen ervaring, en andere kennisbronnen zoals openbaring of metafysica moeten verworpen worden. Kennis wordt hier werkelijk toegankelijk voor iedereen en relevant voor onze dagelijkse behoeften en noden: uiteindelijk zal deze nieuwe wetenschap dan ook een antwoord formuleren op al onze problemen.
Antropologie en geschiedenis
thumb|left|150px|Oswald Spengler. Binnen de antropologie en verwante disciplines, komen er ook verscheidene vormen van historicisme voor. Een voorbeeld is het evolutionisme dat stelt dat er een eenduidige culturele evolutie terug te vinden is in de geschiedenis van de menselijke samenleving. Dit idee kwam voornamelijk uit de ontdekking van enerzijds primitieve stamverbanden en anderzijds inzichten uit de archeologie die aantoonden dat men in de prehistorie op gelijkaardige wijze leefde. Door het toepassen van de vergelijkende methode kwamen antropologen tot de conclusie dat er verschillende stadia bestonden waardoor een cultuur zich op moest werken, beginnend bij zulke primitieve stammen, en resulterend in de Westerse hoogstaande cultuur. Al snel kwam hier ook kritiek op, onder anderen door Franz Boas. Klassieke verwijten waren dat van etnocentrisme en naïef vooruitgangsoptimisme.
In de geschiedenis werden gelijkaardige beelden verdedigd door Oswald Spengler en Arnold Joseph Toynbee. Kenmerkend was dat het vooruitgangsgeloof hier grotendeels niet aanwezig was, maar daarentegen vormen van een cyclisch proces werden beschreven, waar beschavingen ontstonden, opbloeiden en ook ten onder gingen. Spengler verdedigde bijvoorbeeld in zijn boek De ondergang van het Avondland (1918, 1922) dat elke cultuur net als individuen opgroeit en sterft. Gebaseerd op historische gegevens van de Babylonische, Egyptische, Chinese en andere beschavingen, die ten onder zijn gegaan, concludeerde hij dat ook het moderne Westen uiteindelijk terug ten onder zou gaan.
Toynbee stelde evengoed dat er in de geschiedenis een vast patroon was van hoe beschavingen ontstonden en groeiden, maar minder vast, namelijk via "uitdaging-en-antwoord" (challenge-and-response): de beschaving in kwestie werd door een bepaald probleem uitgedaagd en wanneer zij deze overwon, kwam zij tot volle bloei. Als zij er echter niet in slaagde een goed antwoord te vinden, betekende dit de dood (of zelfmoord) van de beschaving. Een gelijkaardige cyclische opvatting is terug te vinden bij de filosoof Alexandre Deulofeu.
Andere vormen Christendom In het Christendom, verwijst de term historicisme voornamelijk naar de profetische interpretatie van de Bijbel voornamelijk gebaseerd op de Openbaring van Johannes. Door de geschiedenis heen hebben vele christenen politieke en sociale gebeurtenissen uit hun tijd geïnterpreteerd in functie van wat er in dit laatste boek van het Nieuwe Testament beschreven staat. Een bekende vorm is het millenialisme: het geloof in het aanbreken van de eindtijd. Een hedendaags voorbeeld van een stroming in het christendom die grote waarde hecht aan het aanbreken van de eindtijd zijn de Jehova's getuigen. Een andere vorm van profetische interpretaties van de Bijbel is het verwijzen naar de paus of een bepaald politiek leider als de antichrist.