De Punt van Reide, ook wel Reider Buitenland, is een Nederlands schiereilandje dat behoort tot de gemeente Eemsdelta en ligt tussen de Dollard en de Eems nabij Termunten. De landtong strekt zich uit over een lengte van ongeveer 3 kilometer en heeft een gemiddelde breedte van ongeveer 800 meter. De gemiddelde hoogte is 2,4 meter boven NAP, bij de wierden oplopend tot ca. 4 meter. De oppervlakte bedraagt ongeveer 53 hectare.

Op het schiereiland liggen de resten van het voormalige wierdedorp Westerreide, een aantal 16e-eeuwse schansen, Duitse versterkingen van de voorganger van de vesting Fiemel uit de Tweede Wereldoorlog en de met het nooit gerealiseerde Dollardkanaal verbonden Dollardsluis.

Het gebied is bedekt met Engels slijkgras, zeeaster en zeekraal en is een belangrijk gebied voor broedvogels. Het is tegenwoordig samen met de aangrenzende polder Breebaart eigendom van stichting Het Groninger Landschap. Vanwege de kwetsbare natuur is de landpunt slechts enkele malen per jaar toegankelijk tijdens excursies.

De contouren van de binnenzijde van de vroegere Riederschans en mogelijk de kerk van Westerreide en een steenhuis zijn in 2016 teruggevonden met een grondradar.

Geschiedenis Ontstaan De Punt van Reide is een restant van de oeverwal van de Eems die door de stormvloeden niet is verdwenen. De oeverwal ontstond ongeveer 100.000 jaar geleden tijdens de voorlaatste ijstijd (het Saalien) Grind, zand en leem werden toen door schuivend ijs als gevolg van landijsvorming samengepakt tot een dikke keileemlaag. In de tienduizenden jaren die erop volgden trok het ijs zich terug, steeg de zeespiegel en vormde zich een oeverwal op de huidige plek. Rond 2000 v.Chr. had de zee zich echter weer deels teruggetrokken, was de Eems door opslibbing veranderd in een steeds verder verzoetend estuarium en zette zich onder invloed daarvan in het achterland een dikke veenlaag af.

Bewoning De eerste bewoning vond afgaand op gevonden Romeinse scherven plaats rond het jaar nul. Op de punt ontstond het wierdedorp Westerreide. Aan oostzijde van het gebied stroomde volgens de 17e-eeuwse historicus Ubbo Emmius de rivier de Reider Ae (het verlengde van de Westerwoldse Aa). Aan oostzijde daarvan lag op een nog niet teruggevonden plek het dorp Oosterreide. De Duitse abdij van Werden aan de Roer had vanaf de negende eeuw enkele bezittingen in dit gebied, waaronder het patronaatsrecht van de kerk van Oosterreide. Beide dorpen hadden een steenhuis: volgens een fantasierijke kaart heette het steenhuis bij Westerreide Homburg. In Oosterreide werd in de 14e eeuw een Dominicanessenklooster gesticht.

Verlies van het achterland In de 13e eeuw werd begonnen met de aanleg van de dijken om de oeverwal en het door ontginning en ontwatering steeds verder inklinkende venige achterland beter te beschermen tegen de oprukkende zee die Reiderland steeds verder bedreigde. Een van de belangrijkste werken waren sluizen van de Reiderzijlen waarmee de Reider Ae rond 1200 werd gedicht. Eind 13e eeuw ontstond afgaande op historische bronnen echter steeds meer wateroverlast en werden de eerste dorpen verplaatst naar hogere gronden. In de 14e eeuw bleek de strijd tegen de zee niet langer vol te houden. De eerste overstromingen startten mogelijk rond 1375. Dijkdoorbraken leidden tot het steeds verder onderstromen van het achterland en het begin van het ontstaan van de Dollard. Dijkverwaarlozing en vernielingen in de strijd tussen de Schieringers en Vetkopers en tijdens de Grote Friese Oorlog deden de rest. De nekslag volgde in 1509 met de Cosmas- en Damianusvloed, waarbij de Dollard haar grootste omvang bereikte en de huidige Punt van Reide in haar huidige vorm ontstond. Tussen 1500 en 1530 verdween Oosterreide in een aantal fasen in zee.

De bevolking van Westerreide verarmde en trok langzamerhand weg. Het schiereiland kalfde steeds verder af en werd daarom tegen verdere afslag versterkt (het kerkhof werd daarbij sterk opgehoogd) en voorzien van een strekdam om de kracht van de vloedstroom op de kust te beperken. De landerijen op de punt werden in de 16e eeuw aangeduid als 'zusteren landen' naar het nonnenklooster van Oosterreide. In 1535 ondertekenden de Groningse stadhouder (hertog) Karel van Gelre en de hoofdmannen een verdrag om de waterstaatkundige werken op onder andere de punt te onderhouden. Deze belofte is tot in de 20e eeuw in ere gehouden. De gebieden rond de punt kalfden ondertussen steeds verder af. Omringende eilandjes (overgebleven stukken grond) zoals de Esch, de Lidden en de Ludenblenke verdwenen in de 16e eeuw eveneens in de golven.

Tachtigjarige Oorlog De Tachtigjarige Oorlog leidde een nieuwe fase in. In 1569 werden kerk en huizen geplunderd door de watergeuzen. Omdat de Reyderhorne een strategisch punt was, besloten de Spaanse autoriteiten de plek te versterken om zo het handelsverkeer op Eems en Dollard beter te kunnen beschermen. In 1574 werd de kerk tijdelijk versterkt en in 1580 werden door de Spanjaarden een schans aangelegd onder leiding van George van Lalaing rond het kerkhof en de kerk. De bewoners werden daarbij verjaagd omdat ze zich in het schootsveld bevonden. Hun huizen werden platgebrand. In 1581 bezette de Staatsgezinde Wigbold van Ewsum tijdelijk de schans, maar vertrok weer nadat Francisco Verdugo terugkeerde. Hij bouwde ergens daarna een tweede schans op de lager gelegen punt 240 meter verderop aan de zeekant op een 'musketschot' afstand.

Historicus Everard van Reyd schrijft in zijn (postuum uitgegeven) Historie der Nederlantscher oorlogen dat graaf Willem Lodewijk in 1589 de Zwaagsterschans veroverde en vandaar trok naar Reide, waar hij waarschijnlijk aan zuidzijde van de schans van Westerreide over de breedte van de punt twee schansjes aanlegde langs een oude dijk.Beckeringh gaf deze lijn op een voorstudie van zijn kaart aan met de tekst 'ruine van gevesting'. Een deel van de contouren lijkt nog terug te zien op de kadasterkaart van 1832. De zuidelijke contour is ook op luchtfoto's nog terug te zien. Op 24 juni 1589 veroverde hij van daaruit beide schansen.

De schansen werden vervolgens omgebouwd tot één grote hoge en goed verdedigbare schans met vier bastions, de Reiderschans. De kerk van Westerreide werd hiervoor gesloopt. In de schans werd een brouwerij, rosmolen, bakkerij en waterschip aangelegd. In de schans werden munten geslagen.

In 1597 spoelde de schans weg.

19e eeuw miniatuur|Golfbreker (vlinthoofd) op de noordwestkust van de punt Na de Bataafse Revolutie werden enkele soldaten gelegerd op de punt.

De Punt van Reide bleef tot ver in de 19e eeuw bewoond door enkele vissers en dijkwerkers, die in een drietal huizen woonden. In de uiterste hoek van de landpunt, op de plek van de (tweede) schans, stonden twee huizen. Op de plek van het vroegere dorp stond eveneens een huis met op kaarten uit de 19e eeuw aan westzijde mogelijk nog restanten van de vroegere schans. De nederzetting als geheel stond bekend als het gehucht Reide. Een van de huizen zou volgens sommige bronnen dienst hebben gedaan als herberg. Tot het begin van de 19e eeuw vond hier op Tweede Pinksterdag een jaarmarkt plaats - de zogenaamde Reidermarkt. Hierbij zou een pinksterstaak (met haan) en volksspelen zijn geweest. Bij de Stormvloed van 1825 werd een van de huizen verwoest en raakten beide andere (waar de bewoners op zolder hun toevlucht hadden gezocht) zwaar beschadigd. 14 schapen en 5 koeien verdronken. De huizen werden deels weer herbouwd, maar in 1842 werd een van beide huizen in de uiterste hoek van de landpunt afgebroken. Het voormalige kerkhof deed nog in 1839 dienst als begraafplaats voor drenkelingen. Hier had men eerder een middeleeuwse sarcofaag opgegraven, die als drinkbak gebruikt werd voor de dieren.

In 1830 werd bij Koninklijk Besluit bepaald dat het onderhoud van de punt en de dijk langs de Dollard overging van het Rijk naar de provincie (later ging het weer over naar de domeinen. In 1836 werden twee nieuwe hoofden aangelegd om verdere afslag te voorkomen, maar de afslag van land ging door, vooral aan zuidzijde. De noordzijde werd versterkt met basalt en kreeg een afwatering. In 1865 telde de punt nog 84,5 hectare grond. Door het graven van greppels probeerde men de aanslibbing te versterken, maar in 1877 leidde dit ertoe dat er wederom een stuk grond afsloeg.

Het zuidelijke huis werd in 1867 gesloopt. Rond 1877 vertrok de familie Wijngaard als laatste van de punt. Hun huis bij de noordoostpunt verviel ergens vervolgens tot ruïne. Van de stenen van een van de huizen werd een schuilhut gebouwd voor de schaapsherder, die ergens na 1900 weer verdween.

Batterie Hoek van Reide thumb|In 2015 door het Groninger Landschap aangelegd schelpeneiland voor broedende vogels in de in de 2e wereldoorlog door Duitse militairen aangelegde blusvijver (tevens zwemvijver) op de Punt van Reide miniatuur|Een van de vier betonplaten (de meest oostelijke) nabij de noordoostpunt, waarschijnlijk restanten van tuiblokken

In de zomer van 1940 werden door de Duitse bezetter op de Punt van Reide een zoeklicht, luisterapparaat, woonbarak en luchtdoelmitrailleur opgesteld op beide wierden onder de naam Scheinwerfer 28. Tussen beide wierden werden plankieren aangelegd om droge voeten te kunnen houden. De Duitse soldaten waren door de lokale bevolking gewaarschuwd dat het er kon overstromen, maar dit werd niet geloofd.

Op 7 mei 1941 werd door de Kriegsmarine zwaar Duits luchtafweergeschut overgebracht van de opgeheven Batterie Groningen en onder de naam Marine Flak Batterie Hoek van Reide (als onderdeel van de Marine Flak Abteilung 246) opgesteld om de riviermond en de aan de overzijde van de Eems gelegen haven van Emden te verdedigen. Dit met de slogan "Wüste und Sumpf ist unsere Trumpf" ("woestenij en moeras is onze triomf") naar de locatie waar ze zich gingen vestigen. De bestaande zoeklichtinstallatie werd daarbij verplaatst naar Dallingeweer.

Voor de aanleg van de batterij werd de bodem op het meest oostelijke deel sterk gewijzigd:

De wierde aan de punt (de vroegere Reiderschans) werd opgehoogd door de grond tussen beide wierden af te graven tot een grote blusvijver, die tevens als zwembad werd gebruikt door de soldaten. Op de voorste wierde werden stellingen ingericht voor een drietal 7,5-centimeter Flak Vickers-kanonnen (Model 1931), die eerder buitgemaakt waren op het Nederlandse leger. Daarnaast werden er een aantal Oerlikon 20 mm-luchtdoelkanonnen, een MG 34-machinegeweer, zoeklicht en afstandsmeter voor de vuurleiding geplaatst. Het geheel werd omringd door een aarden borstwering. Door wijzigende inzichten veranderde deze opstelling regelmatig. De zuidelijke wierde (de vroegere wierde van Westerreide) werd ingericht als woononderkomen door hier bestaande salonwagens en barakken op ongeveer 1,5 tot 2 meter boven de grond op houden palen te plaatsen, die daarvoor per schip waren aangevoerd.

Beide wierden werden wederom met plankieren met elkaar verbonden en over het geheel werd een immens camouflagenet gespannen, ondersteund door duizenden palen.