Het Concilie van Jeruzalem (ook wel apostelconvent of apostelconcilie genoemd) was een concilie in Jeruzalem (tussen 44 en 49) waarbij de apostelen uit de oergemeente samenkwamen met Paulus van Tarsus en zijn begeleiders. Op dit concilie werd de voor het oerchristendom cruciale beslissing genomen inzake de christelijke zending naar de heidenen (dat wil zeggen: niet-Joden). Er werd als bindend erkend dat heidenen zich niet eerst hoefden te besnijden om christen te worden. Handelingen 15:11 citeert de apostel Petrus: “we geloven dat we alleen door de genade van de Heer Jezus gered kunnen worden, op dezelfde wijze als zij.” Hiermee werden de Joden en heidenen bedoeld. In de Galaten 2:9 schrijft Paulus zelf over de in Jeruzalem gemaakte afspraken: “Toen ze dus de genade onderkenden die mij geschonken was, ... reikten Jakobus, Kefas en Johannes, die als steunpilaren golden, mij en Barnabas de broederhand: wij zouden naar de heidenen gaan, zij naar de besnedenen.”
Bronnen Het vroegste verslag van het concilie is Galaten 2:1-10, uit de brief van Paulus die rond het jaar 50 werd geschreven. Een later verslag staat in Handelingen 15, een werk dat traditioneel wordt toegeschreven aan Lucas en waarvan wordt aangenomen dat het rond 90 is ontstaan. Naast de kloof in tijd verschilt ook de interpretatie van de aanleiding en betekenis van het concilie: Paulus verdedigt zich in Galaten tegen theologische tegenstanders binnen door hem gestichte gemeenten, terwijl Lucas terugblikt op de eerste decennia van de christelijke zending. Beide auteurs presenteren de uitkomst van het concilie dan ook heel verschillend: volgens Paulus werden de niet-Joodse christenen volledig ontheven van het volgen van de Joodse Thora, terwijl hen volgens Lucas werd aanbevolen zich nog aan enkele rituele wetten te houden. Hierover waren ook na het concilie nog conflicten binnen het vroege christendom.
Datering Volgens Galaten 2:1 bezocht Paulus Jeruzalem “na 14 jaar” voor de tweede keer, ditmaal voor het concilie. Het is niet duidelijk of hij doelt op de periode voor zijn bekering (32 of 33) of zijn eerste bezoek aan Jeruzalem (35 of 36). Als we het eerste jaar meetellen, zou het concilie in het eerste geval dus hebben plaatsgevonden in 45 of 46, in het tweede geval in 48 of 49. Handelingen verstrekt informatie die tot dezelfde periode leidt: uit Handelingen 12:23 blijkt dat het concilie plaatsvond rond de dood van Herodes Agrippa, volgens Flavius Josephus in het jaar 44. Hierna vertrok Paulus voor zijn tweede zendingsreis naar Griekenland, waar hij vanaf 50 in Korinthe verbleef (Handelingen 18:2). De overgrote meerderheid van theologen en historici hanteert daarom tussen 44 en 49 als datum voor het concilie.
Sommige exegeten hanteren echter een datum vóór 44. Zij nemen aan dat Paulus in Galaten het niet heeft over twee bezoeken aan Jeruzalem. Handelingen 11:27-30 noemt een inzameling die werd georganiseerd in verband met een hongersnood in Judea en waarvan de opbrengst door Paulus en Barnabas naar Jeruzalem werd gebracht. Dit bezoek wordt dan gelijkgesteld aan de door Paulus beschreven reis naar het concilie.
Andere exegeten plaatsen het concilie juist in de vroege jaren 50, omdat Paulus een positie in Jeruzalem had die hij alleen opgebouwd kon hebben in de loop van zijn tweede zendingsreis. Deze commentatoren verwerpen Handelingen als historische bron dan ook in zijn geheel.
Sommige exegeten verklaren de verschillen tussen de verslagen door de aanname dat het om twee bijeenkomsten ging: Galaten zou een eerder en Handelingen een later treffen met de vertegenwoordigers van de oergemeente kunnen betreffen. In dat geval zou het in Galaten 2:11-14 beschreven conflict een hernieuwd oplaaien van het vraagstuk aanduiden (na een eerder treffen over dit onderwerp) en samenvallen met het in Handelingen 15:1-6 beschreven conflict, dat werd beslecht met het (latere) concilie. Dit verklaart echter niet waarom Paulus de uitkomst van het concilie beschrijft als definitieve oplossing voor de zending naar de heidenen, terwijl Lucas een compromis beschrijft.
De vroege datering en de hypothese van twee bijeenkomsten worden meestal verworpen, omdat andere bronnen niet berichten over een hoge inflatie in de periode voorafgaande aan de dood van Agrippa, maar wel over een ernstige crisis onder stadhouder Tiberius in 46 en 48. Mogelijk heeft Lucas zich vergist in de volgorde van de gebeurtenissen: de “terugkeer” van Paulus en Barnabas uit Handelingen 12:24 zou dan eigenlijk plaatsvinden na het concilie (vergelijk Handelingen 15:30-35). In dat geval zou het concilie hebben plaatsgevonden in 48.
Aanleiding De oergemeente in Jeruzalem bestond volgens Handelingen 2 vanaf het begin uit Joden en tot het Jodendom bekeerde proselieten die Jezus als Messias erkenden. Verschillen in opvatting over de tempeldienst en de Joodse Thora, leidden al snel tot conflicten.
Zo was er een conflict tussen Griekstaligen en Arameessprekenden over hulp aan weduwen, dat werd opgelost door het aanwijzen van zeven wijze mannen (Handelingen 6:1-6). Tot deze zeven behoorde Stefanus, die werd gestenigd vanwege zijn kritiek op de tempel. Hierna werden de overige leden van de oergemeente vervolgd en vluchtten zij uit Jeruzalem. Een belangrijke vervolger was de farizeeër Saulus van Tarsus, later Paulus genoemd (Handelingen 8:1-3).
Na hun verdrijving bekeerden de vroege leden van de oergemeente niet-Joden - de zogenaamde heidenen - tot geloof in Jezus Christus. Hierdoor ontstonden christelijke gemeenschappen in Samaria, Syrië, Cyprus en Klein-Azië. Maar de verdrijving zorgde ook voor een ruimtelijke scheiding van de "judaïsten" (Arameessprekend) en de "hellenisten" (Griekssprekend) in de kerk van Jeruzalem. Hoewel onderling verbonden, hadden zij verschillende theologische opvattingen, vooral over de Joodse rituele wetten.
De christelijke gemeenschap in Jeruzalem beschouwde zichzelf als behorend tot het "echte" of "vernieuwde" volk van God in de eindtijd, gesymboliseerd door het aantal van twaalf apostelen als verwijzing naar de twaalf stammen van Israël. Als zodanig wilden ze deel blijven uitmaken van het jodendom en hielden zij zich aan de Joodse wetten, met inbegrip van de besnijdenis, reinheids- en spijswetten en brachten zij offers in de tempel van Jeruzalem, de ontmoetingsplaats van de vroege christenen. Voor het oerchristendom in Palestina was Jezus van Nazareth niet gekomen om de Thora af te schaffen, maar om ze te vervullen en om mensen aan te moedigen om zich aan de geboden te houden (Matteüs 5:17-20).
Hieruit concludeerde een aantal joodse christenen dat een christen die in Jezus als de Messias van Israël gelooft, besneden moest worden om deel uit te maken van het door God uitverkoren volk en vervulling van de beloften eraan mee te maken. Deze verplichting werd traditioneel gekoppeld aan het voldoen aan alle wetten uit de Thora. Deze visie wordt ook wel judaïsme genoemd en werd door vrijwel alle christenen uit de directe kring rond Jezus gedeeld.
Naast deze groep, die door Paulus werd aangeduid als "ijveraars voor de wet" en die hij met zichzelf voor zijn bekering vergeleek, waren er ook personen die een middenpositie innamen, vertegenwoordigd door Simon Petrus en vooral Jezus' oudste broer Jakobus de Rechtvaardige. Deze laatste werd na Jezus’ dood apostel en verkreeg vervolgens een leidende rol in de vroege kerk. Hij werd zeer hoog geacht vanwege zijn trouw aan de Thora en werd beschouwd als de onbetwiste morele autoriteit, zoals blijkt uit de Brief van Jakobus die aan hem wordt toegeschreven.
Aan de andere kant van het spectrum lijken de hellenistische gemeenschappen de Joodse wet slechts te hebben beschouwd als een morele standaard en hielden zij zich noch aan de tempelcultus noch aan de spijswetten en vonden zij niet dat heidense bekeerlingen besneden hoefden te worden. Dit was waarschijnlijk de reden voor verdere vervolging van christenen door Herodes Agrippa, die het door sadduceeën gedomineerde Sanhedrin gunstig wilde stemmen (Handelingen 12:3). Dit leidde tot een dilemma in de joods-christelijke gemeenschap in Jeruzalem : als ze naast hun christelijke broeders zouden gaan staan, stelden ze zich ook bloot aan vervolging en werden ze beschouwd als verraders van het Jodendom – terwijl zij zichzelf beschouwden als deel van wat zij als hun bakermat beschouwden.
De reizen van verschillende apostelen aan de nieuwe gemeenschappen zetten keer op keer conflicten over het volgen van de Thora op de agenda. Het brandpunt waardoor de verschillen tussen de Judaïstische en Griekssprekende christenen onvermijdelijk aan het licht kwamen, waren de gemeenschappelijke maaltijden. Hier vormden de spijswetten een grote splijtzwam. Paulus scherpte het conflict bovendien aan: vanaf zijn bekering nam hij een standpunt in dat exact het tegenovergestelde was van zijn eerdere opvattingen als farizeeër. Als de belangrijkste vertegenwoordiger van de hellenistische theologie betoogde hij dat de heidenen werden gezuiverd en geheiligd door het geloof in Jezus Christus en het ontvangen van de Heilige Geest, zonder zich te houden aan de joodse religieuze wet. Een Joodse afkomst of leefwijze was niet noodzakelijk om de kinderen van Abraham te zijn en voor geloof in Jezus Christus als de Messias van God. Alleen geloof in de verrezen Christus was voldoende om deel te nemen aan Israëls verbond met God. Paulus gebruikte farizeïsche methodologie en hellenistische retorica om theologische alternatieven te beschrijven voor het joodse christendom in Palestina waarin traditioneel farizeïsche standpunten werden ingenomen, waardoor besnijdenis en onderwerping aan de wet van Mozes als noodzakelijk werden beschouwd voor integratie van niet-Joden (proselieten) in het verbondsvolk. Zo leidde een praktisch probleem tot een theologisch conflict. Door zijn omvangrijke zendingsactiviteiten vergrootte Paulus het aantal heidenen in de vroege kerk aanzienlijk, waardoor de verhouding qua meerderheid verschoof en een oplossing van het probleem absoluut noodzakelijk werd.
Volgens Handelingen 15:1 was de directe aanleiding voor het concilie een botsing tussen Paulus en Barnabas met mannen "uit Judea," die de besnijdenis vereisten voor de leden van de kerk in Antiochië "omdat ze anders niet konden worden gered." Men neemt aan dat deze identiek zijn aan "de Joodse gelovigen" die Petrus aanspraken op het feit dat hij “onbesnedenen had bezocht en samen met hen had gegeten” (Handelingen 11:2-3) en het standpunt van Jakobus vertegenwoordigden (Galaten 2:12). Hierna stuurde de gemeente Paulus en Barnabas naar Jeruzalem om de apostelen om advies en een beslissing te vragen (Handelingen 15:2-6).
Verloop en beslissing Weergave in Galaten Paulus greep het concilie niet alleen aan om te komen tot een oplossing voor het praktische probleem van het herstel van de gemeenschappelijke maaltijd van Joodse en niet-Joodse christenen, maar om ook te komen tot een besluit over de betekenis van het Evangelie. Want hoewel hij zijn zending naar de heidenen terugvoerde op zijn individuele ontmoeting met Jezus Christus en naar eigen zeggen lang onafhankelijk van de andere apostelen had gediend, zocht hij nu hun bevestiging, "want ik wilde me ervan overtuigen dat mijn inspanningen, toen en nu, niet voor niets waren" (Galaten 2:3).