De Major League Soccer (MLS) is een Noord-Amerikaanse professionele mannenvoetbalcompetitie van de USSF, waar voetbalclubs aan deelnemen die afkomstig zijn uit de Verenigde Staten en Canada. Het betreft een gesloten competitie waarin een club met een franchise een plaats in de competitie koopt.

Veelal wordt de MLS gezien als het hoogste niveau van beide landen, hoewel zij geen deel uitmaakt van een voetbalpiramide. De competitie bestaat sinds 2025 uit 30 clubs, 27 uit de Verenigde Staten en 3 uit Canada. De reguliere competitie loopt van maart tot half oktober, waarbij elk team 34 wedstrijden speelt. Het team dat na het einde van het seizoen op de eerste plaats staat, wint de MLS Supporters' Shield.

Nadat er twee klassementen opgesteld worden van het reguliere seizoen – de Eastern Conference en de Western Conference – spelen de beste twaalf (zes van elke conferentie) de play-offs om de MLS Cup. Daarnaast wordt er ook nog om andere bekers gespeeld, waaronder de US Open Cup. De verschillende (beker)winnaars kwalificeren zich voor de CONCACAF Champions League.

Geschiedenis Voorloper De Major League Soccer (MLS) is de meest recente in een reeks nationale professionele voetbalcompetities voor mannen in de Verenigde Staten en Canada. De belangrijkste voorganger van de MLS was de North American Soccer League (NASL), die bestond van 1968 tot en met 1984. Voor de oprichting van de NASL kende de Verenigde Staten geen volledig nationale hoogste profcompetitie met officiële erkenning van de FIFA. De NASL was bovendien de eerste competitie waarin zowel Amerikaanse als Canadese profclubs uitkwamen.

De NASL kende aanvankelijk weinig succes, maar groeide in de jaren zeventig in populariteit, mede doordat de New York Cosmos verschillende internationale topspelers aantrok, waaronder Pelé en Franz Beckenbauer. Na de komst van Pelé sloten ook andere bekende spelers zich bij de competitie aan, zoals Johan Cruijff, Gerd Müller, Eusébio, Bobby Moore en George Best. Ondanks sterk stijgende toeschouwersaantallen leidde een combinatie van snelle uitbreiding, economische tegenwind en conflicten met de spelersvakbond uiteindelijk tot het einde van de NASL na het seizoen 1984. Daarna ontbrak in de Verenigde Staten opnieuw een hoogste nationale voetbalcompetitie, totdat de MLS werd opgericht.

Oprichting en beginjaren In 1988 beloofde de Amerikaanse voetbalbond een professionele competitie op het hoogste niveau op te zetten, als onderdeel van de toewijzing van het WK voetbal 1994 aan het land. In 1993 wees de voetbalbond Major League Professional Soccer aan als exclusieve competitie op het hoogste niveau; deze organisatie zou later uitgroeien tot Major League Soccer. De MLS werd officieel opgericht in februari 1995.

De eerste speler die door de MLS werd gecontracteerd was Tab Ramos, hij werd toegewezen aan New York/New Jersey MetroStars. De competitie ging in 1996 van start met tien clubs. De eerste officiële wedstrijd werd gespeeld op 6 april 1996, toen San Jose Clash met 1-0 won van D.C. United voor 31.000 toeschouwers in het Spartan Stadium in San Jose. Enkele bekende spelers uit de beginjaren waren Alexi Lalas, Tony Meola, Jorge Campos en Carlos Valderrama.

D.C. United won de MLS Cup in drie van de eerste vier seizoenen. In 1998 werd de competitie uitgebreid met twee nieuwe clubs: Miami Fusion FC en Chicago Fire FC. Chicago Fire won in zijn debuutseizoen direct de landstitel.

Experimenten en financiële problemen Na het eerste seizoen kreeg de MLS te maken met dalende toeschouwersaantallen. Dit werd extra zichtbaar doordat acht van de oorspronkelijke tien clubs hun wedstrijden speelden in grote stadions die in eerste instantie voor American football waren gebouwd. In de beginjaren week de competitie op diverse punten af van de internationale spelregels in een poging het voetbal aantrekkelijker te maken voor het Amerikaanse publiek. Zo werden gelijke spelen beslist via een shoot-out en werd gebruikgemaakt van een aftelklok, waarbij een helft eindigde zodra de klok op 0:00 stond. Deze aanpassingen bleken traditionele voetbalfans eerder af te schrikken, zonder dat zij veel nieuwe toeschouwers opleverde. Daarom verdwenen de shoot-out en de aftelklok na het seizoen 1999.

Ook de sportieve kwaliteit van de competitie werd ter discussie gesteld. Het Amerikaanse nationale elftal, dat grotendeels bestond uit MLS-spelers, eindige tijdens het WK 1998 als laatste in zijn groep. Financieel leed de MLS in haar eerste jaren grote verliezen: naar schatting ongeveer 250 miljoen dollar in de eerste vijf jaar.

Eind 2001, toen de verliezen verder opliepen en de publieksaantallen verder daalden, overwogen de bestuurders van de competitie zelfs om clubs op te heffen. Nieuwe investeringen van eigenaren als Lamar Hunt, Philip Anschutz en de familie Kraft voorkwamen echter een grotere crisis. Desondanks maakte de competitie in januari 2002 bekend dat Tampa Bay Mutiny en Miami Fusion FC werden opgeheven, waardoor de MLS terugging naar tien clubs.

Ondanks de financiële problemen kende de MLS in deze periode ook ontwikkelingen die later van groot belang zouden blijken. In 1999 werd Columbus Crew Stadium geopend. Dit was het eerste speciaal voor voetbal gebouwde stadion in de MLS. Daarmee begon een trend waarbij clubs eigen stadions gingen bouwen in plaats van voetbalwedstrijden te spelen in gehuurde American football-stadions. Daardoor konden clubs meer inkomsten genereren uit aanvullende evenementen en horeca.

Heropleving Het WK 2002, waarop de Verenigde Staten de kwartfinales bereikten, viel samen met een heropleving van zowel het voetbal in het land als de MLS. De finale van de MLS Cup 2002 trok 61.316 toeschouwers naar Gillette Stadium, destijds het hoogste bezoekersaantal voor een MLS-finale. In 2003 beperkte de competitie het aantal wissels per wedstrijd tot drie en in 2005 werden de regels van de IFAB volledig overgenomen.

In aanloop naar het WK 2006 maakte de MLS een overgangsfase door. De competitie had zich aanvankelijk sterk gepresenteerd met Amerikaanse spelers, maar verloor verschillende eigen talenten aan Europese clubs. Zo vertrok doelman Tim Howard voor 4 miljoen dollar naar Manchester United FC, destijds een van de meest lucratieve transfers in de geschiedenis van de competitie. Tegelijkertijd bleven ook verschillende spelers in de MLS uitblinken; in 2005 werd Jason Kreis de eerste speler die 100 doelpunten in de competitie maakte.

Een belangrijk onderdeel van het herstel was het verdere gebruik van voetbal-specifieke stadions. Tussen 2003 en 2008 werden nog eens zes van zulke stadions gebouwd, grotendeels gefinancierd door clubeigenaren als Hunt en Anschutz. Aan het einde van 2008 speelde de meerderheid van de MLS-clubs in een eigen voetbalstadion.

In deze periode werd de competitie voor het eerst sinds 1998 opnieuw uitgebreid. Real Salt Lake en Chivas USA traden in 2005 toe; Chivas USA werd daarmee de tweede club in Los Angeles. In 2006 verhuisden de eigenaars, spelers en een deel van de staf van San Jose Earthquakes naar Texas, waar zij verdergingen als de nieuwe club Houston Dynamo FC, nadat er in San Jose geen nieuw stadion kon worden gerealiseerd. De geschiedenis van Earthquakes bleef daarbij achter voor een nieuwe eigenaarsgroep, die in 2007 opnieuw met een club in San Jose begon.

Invoering van de Designated Player In 2007 breidde de competitie zich voor het eerst buiten de Verenigde Staten uit, met de toetreding van Toronto FC uit Canada. In hetzelfde jaar voerde de MLS de zogeheten Designated Player Rule in, die clubs de mogelijkheid gaf om bepaalde topspelers aan te trekken buiten het reguliere salarisplafond om. Deze regeling maakte de komst mogelijk van internationale sterren en verhoogde het profiel van de competitie aanzienlijk.

Het bekendste voorbeeld was de komst van David Beckham in 2007 naar LA Galaxy. Zijn overgang van Real Madrid CF werd gezien als een belangrijke impuls voor het Amerikaanse clubvoetbal. Ook andere vroege designated players, zoals Cuauhtémoc Blanco bij Chicago Fire FC en Juan Pablo Ángel bij New York Red Bulls, hadden grote invloed op hun clubs. Tegelijkertijd vertrokken Amerikaanse internationals als Clint Dempsey en Jozy Altidore naar Europa, terwijl ervaren spelers als Claudio Reyna en Brian McBride terugkeerden naar de MLS.

In 2008 keerde San Jose Earthquakes terug in de competitie onder nieuw eigenaarschap. Een jaar later trad Seattle Sounders FC toe als uitbreidingsteam. De club vestigde meteen een nieuw competitiegemiddelde qua toeschouwersaantallen, met 30.943 bezoekers per wedstrijd, en was het eerste uitbreidingsteam sinds 1998 dat zich direct plaatste voor de playoffs. In 2010 volgde Philadelphia Union, dat zijn thuiswedstrijden ging spelen in PPL Park. Datzelfde jaar werd ook de Red Bull Arena geopend voor New York Red Bulls en debuteerde Thierry Henry in de competitie.

Verdere groei In 2011 breidde de MLS zich verder uit met Vancouver Whitecaps FC en Portland Timbers. In datzelfde seizoen bereikte Real Salt Lake de finale van de CONCACAF Champions League. Ook trok de competitie opnieuw een internationale ster aan, toen LA Galaxy de Ierse topscorer Robbie Keane contracteerde. In 2011 lag het gemiddelde toeschouwersaantal in de MLS op 17.872 per wedstrijd, hoger dan dat van de NBA en de NHL in dat jaar.

In 2012 werd Montréal Impact de negentiende club en de derde Canadese MLS-franchise. Datzelfde jaar versterkten de New York Red Bulls zich met de Australische topscorer Tim Cahill.

Rond 2012 was de MLS qua gemiddeld bezoekersaantal de op twee na best bezochte sportcompetitie in de Verenigde Staten, na de NFL en MLB. In 2013 kondigde de competitie twee nieuwe clubs aan: New York City FC en Orlando City SC. Beide begonnen in 2015 aan hun eerste seizoen.

In hetzelfde jaar introduceerde de MLS het zogeheten Core Players Initiative, waarmee clubs belangrijke spelers konden behouden met behulp van extra financiële middelen. Spelers als Graham Zusi en Matt Besler behoorden tot de eersten die op deze manier een nieuw contract tekenden. Vanaf de zomer van 2013, in de aanloop naar het WK 2014, haalde de competitie bovendien meerdere Amerikaanse internationals terug uit het buitenland, onder wie Dempsey, Jermaine Jones, Michael Bradley en DaMarcus Beasley.

In 2014 maakte de MLS bekend dat Atlanta United FC als 22e club in 2017 zou toetreden. Hoewel New York City FC en Orlando City SC pas in 2015 begonnen, trokken beide clubs al in de zomer van 2014 veel aandacht met de aankondiging van hun eerste designated players: David Villa en Frank Lampard voor New York en Kaká voor Orlando.

Op 18 september 2014 presenteerde de MLS een nieuw logo als onderdeel van een bredere merkstrategie. Na het seizoen 2014 werd Chivas USA opgeheven.

Nieuwe uitbreidingen Begin 2015 maakte de MLS bekend dat ook Los Angeles FC en Minnesota United FC zouden toetreden. Het twintigste seizoen van de MLS bracht opnieuw een reeks internationaal bekende spelers naar de competitie, onder wie Giovani dos Santos, Andrea Pirlo, Steven Gerrard, Didier Drogba en Sebastian Giovinco. In augustus 2016 werd bevestigd dat Minnesota United FC in 2017 zou starten, samen met Atlanta United FC.

Commissaris Don Garber sprak in 2016 meermaals de ambitie uit om de competitie uit te breiden naar 28 clubs. In 2017 ontving de MLS biedingen van twaalf verschillende eigenaarsgroepen. In oktober 2017 kondigde de eigenaar van Columbus Crew aan dat hij plannen had om de club naar Austin te verplaatsen. Deze aankondiging leidde tot veel protest en juridische stappen vanuit de staat Ohio. Uiteindelijk werd in 2018 een akkoord bereikt waarbij Columbus in Ohio behouden bleef na verkoop aan een lokale eigenaarsgroep, terwijl Austin een nieuw uitbreidingsteam kreeg. Op 15 januari 2019 werd Austin FC officieel gepresenteerd als MLS-club vanaf 2021.