Bonsai (; 'plant in pot') is de traditionele Japanse kunstvorm die gericht is op het kweken van miniatuurbomen in potten.Er bestaat geen eenduidige definitie voor een boom. Meestal wordt uitgegaan van een overblijvende plant met een centrale verhoute stam en een kroon, waarvan de maximale hoogte vijf meter of meer bedraagt. Strikt genomen kan men bij bonsai dus niet van een boom spreken, al wordt dat in de spreektaal wel gedaan. Een houtige plant wordt tijdens de groei zodanig gemanipuleerd dat het een miniatuurboom blijft die in eenvoudige lijnen de wezenlijke kenmerken vertoont van een volgroeid natuurlijk exemplaar. De meer dan duizend jaar oude bonsaitraditie is gestoeld op de Chinese kunstvorm 'penzai'. De karakters waarmee het Chinese woord 'penzai' wordt geschreven, worden in het Japans uitgesproken als 'bonsai'.

Een bonsai kweken begint met een scheut, zaailing of stek van een boom of struik. De keuze van de soort is onder andere afhankelijk van de stijl die de kweker wil volgen. Door snoeien, enten, het gebruik van metaaldraad en andere technieken brengt hij de boom in vorm. Wanneer de plant zijn beoogde grootte heeft bereikt en voldoet aan de esthetische vereisten, wordt hij overgeplant in een sierpot en in een opstelling geplaatst.

De term bonsai wordt vaak gebruikt als parapluterm voor alle miniatuurpotbomen in oosterse stijl. De bonsaitraditie kent echter een specifieke schoonheidsleer, die zich heeft ontwikkeld onder invloed van het zen-boeddhisme. Hierdoor heeft een bonsai doorgaans een soberder uiterlijk dan bijvoorbeeld een penjing. Ook heeft bonsai een eigen canon van stijlen, die deels is gebaseerd op de natuurlijke groeivormen van bomen. Traditioneel gebruikt men in Japan alleen winterharde plantensoorten, die buiten worden tentoongesteld.

Geschiedenis miniatuur|Chinese muurschildering uit 706 met een afbeelding van een penjing Zoals veel elementen in de Japanse cultuur heeft de traditie van bonsai een Chinese oorsprong. In de 1e eeuw n.Chr. gebruikten Chinese taoïsten miniatuurtuintjes bij contemplatie en meditatie. Beschrijvingen uit de periode van de Tang-dynastie (618–907) noemen dergelijke kleine landschapstukken punsai en maakten voor het eerst melding van het gebruik van dwergbomen. , p. 41 Later kwam deze kunstvorm bekend te staan als penzai (; 'plant in bak') of penjing (; 'landschap in bak'). Een traditionele penjing kan gaan van een sierlijke pot met een enkele, door manipulatie klein gehouden boom, tot een complex landschap van planten, water en stenen op een groot blad.

Penjing in Japan (6e–13e eeuw) Mogelijk kwam Japan in de 6e eeuw voor het eerst in aanraking met penjing. Japanse diplomaten en boeddhistische studenten die in deze periode China bezochten, brachten penjing-bomen en andere kunstvoorwerpen mee terug. Tussen 592 en 628 schonken Chinese diplomaten een aantal penjing-bomen en gongshi-stenen aan de Japanse keizerin Suiko. Deze voorwerpen werden bewonderd door het keizerlijk hof. Suiseki.com: History of viewing stones

Vanaf 645 zorgden de Taika-hervormingen voor een grotere Chinese invloed in Japan. Ook de interesse voor miniatuurlandschappen groeide. Er zijn geen penjing-stukken uit deze periode overgebleven, maar documenten, schilderingen en artefacten wijzen op een grote waardering voor deze kunstvorm. Een voorbeeld is een miniatuurlandschap uit de Tenpyō-periode (729–749). Het bestaat uit een ondiep houten blad met daarop uit hout gesneden bergen, een rivierbank van zand en zilveren boompjes. De vertelling Utsubo Monogatari ('De Vertelling van de Holle Boom') uit omstreeks 970 weerspiegelt het Japanse idee dat de natuurlijke schoonheid van een boom pas goed tot haar recht komt door manipulatie:, p. 140

miniatuur|Afbeelding van een miniatuurboom in aardewerken pot (linksonder) op de handrol Saigyo Monogatari Emaki Aanvankelijk werden alle penjingstukken vanuit China geïmporteerd. Ze waren voorbehouden aan de rijkere families, zoals blijkt uit de handrol Saigyo Monogatari Emaki uit 1195. Deze behandelt het leven van de rijke dichtermonnik Saigyo (1118–1190) en bevat de oudst bekende Japanse afbeelding van een penjing. Een andere welgestelde monnik was Ippen (1239–1289). De handrolserie Ippen Shonin Eden uit 1299 bevat een verslag van Ippens leven. Een van de rollen is geïllustreerd met twee kleine bomen die elk in een pot staan.

Eerste Japanse uitvoeringen (13e–15e eeuw) Rond de 11e eeuw verbreidde het chán-boeddhisme zich in Japan, waar het bekend kwam te staan als zen. Ambtenaren werden door Chinese chán-monniken in kloosters onderwezen en leerden van hen de principes van penjing. , p. 144 Met die kennis gingen zij hun eigen miniatuurbomen kweken. Omstreeks de 13e eeuw begon de Japanse miniatuurlandschapskunst zich onafhankelijk van het Chinese penjing te ontwikkelen, waarbij het onder invloed van de Japanse wereldbeschouwing en schoonheidsleer een eigen identiteit kreeg.

De priester en dichter Kokan Shiren (1278–1346) schreef rond 1300 het essay Bonseki no Fu ('Hulde aan Bonseki'), waarin hij esthetische standaarden voor dwergbomen, landschapsarchitectuur en bonseki vastlegde. Desondanks bleef de uitvoering van Japanse potbomen sterk variëren.De dichtbundel Tsurezuregusa, die omstreeks 1331 verscheen, bevat een dichtwerk dat de traditie van dwergbomen in potten bekritiseerde. Het werk was tot begin 17e eeuw alleen onder een kleine kring van dichters bekend, en had derhalve weinig invloed op de ontwikkeling van de schoonheidsleer voor miniatuurlandschappen. Zo vervaardigde men tot het midden van de 15e eeuw nog miniatuurlandschappen in de Chinese traditie van shuihan penjing (; 'overstroming en droogte'). Allerlei attributen gaven hierbij een indicatie van de schaal en het thema van het werk, zoals figuurtjes die mensen en dieren afbeeldden.

Het zen-boeddhisme ontwikkelde zich tot een stroming die schoonheid en deugd zocht in strenge soberheid. Dit had zijn weerslag op de Japanse miniatuurlandschappen. De boom kwam centraal te staan en de bij penjing gebruikelijke accessoires werden weggelaten. Ook koos men doorgaans voor een eenvoudige pot. Art of Bonsai: , Art of the Mud Man De handrol Boki Ekotoba uit 1351 bevat de vroegst bekende afbeelding van afzonderlijke dwergbomen van Japanse makelij. Elke boom staat in een diepe pot, zonder stenen of andere attributen.

Hachi no ki (14e–18e eeuw) miniatuur|Dit Chinese penjing-exemplaar in een diepe pot weerspiegelt de stijl van de hachi-no-ki in de 14e eeuw. Vanaf de 14e eeuw werden miniatuurpotbomen in Japan hachi no ki () genoemd, Japans voor 'bomen in een kom'. De term hachi () heeft betrekking op een komvormige pot, niet op de ondiepe bak die later ingeburgerd raakte. Magiminiland.org: Hachi-No-Ki

Hachi no ki is ook de titel van een bekend no-spel van Zeami Motokiyo (1363–1444). Het verhaalt van Tsuneyo, een verarmde samoerai, die 's winters wordt bezocht door de ambtenaar Tokyori, vermomd als reizende monnik. Om de bezoeker te warmen verbrandt de samoerai zijn laatste drie miniatuurbomen; een pruimenboom, een kerselaar en een den. Later ontvangt hij als beloning voor deze daad drie landgoederen. Elk landgoed werd vernoemd naar een van de drie verbrande bomen., p. 5 Het verhaal is in de loop van enkele eeuwen regelmatig afgebeeld in houtsnedes, waardoor de term hachi no ki gemeengoed werd.

Gedurende de 17e eeuw speelden miniatuurpotbomen almaar vaker een rol in proza en gedichten. Zo werd er verhaald over de tuinier van een samoerai, die trots was op een miniatuurboom die hij had gekweekt. Toen de samoerai de boom beledigde, pleegde de tuinier zelfmoord. In een andere vertelling staat shogun Tokugawa Iemitsu (1604–1651) centraal. Hij stond bekend als een liefhebber van miniatuurpotbomen. Zijn raadsman Okubo Hikozemon vond dat Iemitsu te veel tijd besteedde aan zijn hobby, en dat dit ten koste ging van staatszaken. Om Iemitsu te ontmoedigen, gooide Hikozemon een van zijn favoriete bomen weg. Tevergeefs, de shogun gaf zijn liefhebberij niet op. Naar verluidt verzorgde hij Sandai-Shogun-No Matsu, een Japanse witte den (Pinus parviflora) die in ieder geval reeds in 1610 als miniatuurboom werd gekweekt. Magiminiland.org: Tokugawa Iemitsu's Pine Voor zover bekend is het de oudste nog levende bonsaiboom.Sandai-Shogun-No Matsu is te bezichtigen in het Japanse keizerlijke paleis in Tokio. BonsaiEmpire.com: Oldest Bonsai trees

Tot het einde van de 18e eeuw importeerden Japanners de meeste potten voor miniatuurbomen uit China. Potten die tussen 1465 en circa 1800 waren vervaardigd werden kowatari (; 'oude kruising') genoemd. Chinezen gebruikten deze diepe potten voor penjing. Veel potten kwamen uit Yixing, in de provincie Jiangsu. Ze waren ongeglazuurd en meestal paarsbruin gekleurd. Ook werden potten geïmporteerd die waren gemaakt in Guangzhou (Kanton), met name die uit de periode van de Ming-dynastie (1368–1644).

Aan het eind van de 18e eeuw was het traditioneel kweken van miniatuurbomen in vrijwel heel Japan bekend. Ook het grotere publiek begon zich voor de kunstvorm te interesseren. Zo was er gedurende het Tenmei-tijdperk (1781–1788) elk jaar een tentoonstelling in Kioto. Kenners uit vijf provincies toonden er hun miniatuurdennen, die door de bezoekers beoordeeld werden., p. 151-152

Begin klassieke periode (1800–1867) miniatuur|Courtisanes kijkend naar een bonsai. Kikugawa Eizan (begin 19e eeuw) Vroeg in de 19e eeuw had een groep Japanse geleerden in Chinese kunst grote invloed op de verdere ontwikkeling van hachi no ki. Zij kwamen regelmatig bij elkaar in Itami, waar zij discussieerden over recente ontwikkelingen in de cultivatie van miniatuurpotbomen. De geleerden namen veel termen en ideeën over uit Kai-shi-en Gaden, de Japanse vertaling van het Handboek van de Mosterdzaadtuin (芥子園畫傳). , p. 7-8 Zo werd ook de term 'bonsai' geïntroduceerd, de Japanse uitspraak van de Chinese term 'penzai'. Vanaf het eind van de eeuw werd deze term algemeen gebruikt voor Japanse miniatuurpotbomen.

Een van de eerste plaatsen waar kwekers op grote schaal bonsais produceerden was Asakusa. In 1829 begon een kweker in deze Tokiose wijk met het cultiveren van bomen in de takotsuki-stijl, oftewel de octopusstijl. Deze bonsais met een korte dikke stam en een hoge kroon van lange, golvende takken waren lange tijd populair in Japan. Binnen twintig jaar gingen diverse kwekerijen in het gebied zich toeleggen op de handel in bonsais.

1829 was ook het jaar waarin het boek Sōmoku Kin'yō-shū () werd gepubliceerd; 'Een Kleurrijke Collectie van Bomen en Planten'. Het was het eerste werk dat de klassieke bonsai behandelde en het beschreef in detail en met illustraties hoe een den als bonsai kan worden gekweekt. Vier jaar later verscheen het geïllustreerde, driedelige werk Kinsei jufu betsuroku: 'Album van Langlevende Planten'. Het behandelde niet alleen de cultivering van bonsaibomen, maar ook de benodigde gereedschappen en een verscheidenheid aan potten. Magiminiland.org: Bonsai Books 1800 to 1840

miniatuur|links|In de tweede helft van de 19e eeuw kwam het nakawatari-model in de mode. Gedurende de tweede helft van de 19e eeuw raakten Chinese potten in de mode die in Japan nakawatari of chūwatari werden genoemd, wat allebei 'middelste kruising' betekent. In China gebruikte men deze potten voor huisaltaren. Ze waren ondiep, rechthoekig of ovaal, hadden bewerkte poten en een geperforeerde bodem; ideaal voor het cultiveren en tentoonstellen van miniatuurbomen. Om aan de groeiende vraag van Japanse bonsaikwekers te voldoen, gingen veel pottenbakkerijen in Yixing over op massaproductie van de nakawatari-potten. Gelijksoortige modellen worden tegenwoordig nog veelvuldig toegepast.

miniatuur|Deze Japanse witte den (Pinus parviflora) in de chokkan-stijl is sinds 1855 als bonsai gecultiveerd.