Apocriefen van het Nieuwe Testament, ook wel christelijke apocriefen genoemd, zijn teksten die in het vroege christendom door sommige christenen werden beschouwd als door God geïnspireerd, maar in het proces van canonvorming van het Nieuwe Testament uiteindelijk (op zijn laatst 5e eeuw) niet werden opgenomen in de canon van het Nieuwe Testament.
Deze werken waren vaak pseudepigrafisch, dat wil zeggen toegeschreven aan een belangrijk persoon in het ontstaan van de Kerk, zoals een apostel of andere eerste-eeuwse christen. Sommige hiervan zijn sinds hun ontstaan bekend gebleven (zoals de Brief van Barnabas). Andere zijn herontdekt door tekstvondsten, zoals de Nag Hammadigeschriften, weer andere zijn gereconstrueerd uit citaten in werken van vroege kerkvaders.
Overzicht Duiding De term apocrief is afkomstig van het Griekse woord ἀπόκρυφος (apókruphos), dat "verborgen" of "geheim" betekent.Wolters handwoordenboek Grieks - Nederlands; 11e druk 1969; blz 105;Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993–2002) s.v. "apocrief". Microsoft Corporation/Het Spectrum. Met 'apocriefen van het Nieuwe Testament' worden doorgaans geschriften aangeduid die in de eerste eeuwen na Christus rondom de Bijbel zijn ontstaan, die vaak beweren in naam van Bijbelse personen te zijn geschreven (maar dat waarschijnlijk nooit daadwerkelijk waren) en soortgelijke religieuze onderwerpen behandelen, maar om verschillende redenen door de vroege Kerk zijn afgewezen voor opname in de canon van het Nieuwe Testament. Volgens nieuwtestamenticus Bart D. Ehrman hanteerden de proto-orthodoxe christenen vier criteria om te bepalen welke boeken in de canon thuishoorden en welke niet. Een boek moest antiek zijn, dat wil zeggen, stammen uit de tijd kort na het leven van Jezus (ca. 30 tot 100 n.Chr., ook wel de 'apostolische periode' genoemd). Te recente geschriften zoals De herder van Hermas werden uitgesloten. Een boek moest apostolisch zijn, dat wil zeggen, geschreven door een apostel (of een metgezel van een apostel) van Jezus. Er waren discussies over wie tot deze apostolische vaders dienden te worden gerekend. Een boek moest orthodox zijn, dat wil zeggen, in lijn met de proto-orthodoxe theologie. Zo werd bijvoorbeeld het Evangelie volgens Petrus uitgesloten, omdat de christologie ervan docetisch was volgens Serapion van Antiochië. De Openbaring van Johannes werd bijna uitgesloten, omdat de proto-orthodoxen niet geloofden in de daarin verkondigde letterlijke duizendjarige heerschappij van Christus op aarde (chiliasme). Een boek moest brede erkenning genieten in de Kerk, dat wil zeggen, de meeste vroegchristelijke gemeenten dienden het te aanvaarden en gebruiken. Boeken die volgens proto-orthodoxe christelijke leiders niet voldeden aan deze criteria werden uitgesloten van de canon en 'apocrief' genoemd. Pas eind 4e eeuw werd er in de Kerk definitieve overeenstemming bereikt over welke 27 boeken canoniek waren en derhalve dat alle andere boeken apocrief waren.
De termen 'apocrief' en 'pseudepigraaf' worden vaak als synoniem gezien, maar er zijn belangrijke verschillen. Terwijl een pseudepigraaf per definitie een vervalsing is (een document geschreven met de bedoeling om haar lezers aangaande haar ware oorsprong te misleiden, of in engere zin, geschreven door iemand anders dan die de tekst zelf aanwijst als de auteur), is een apocrief niet per se een vervalsing; de auteur kan anoniem zijn en geen misleiding beogen. Hoewel meestal alleen vroegchristelijke geschriften tot 'apocrief' worden bestempeld, is er geen vaststaande periodisering voor dergelijke geschriften en de afbakening ervan is onderwerp van discussie. Sommige geleerden menen dat middeleeuwse christelijke teksten met vergelijkbare elementen ook 'apocriefen' zouden kunnen of moeten worden genoemd, terwijl de gangbare term daarvoor nu nog 'hagiografie' of 'heiligenleven' is. Volgens een minderheid van geleerden, zoals Eric Vanden Eykel, kan men zelfs 21e-eeuwse christelijke teksten met vroegchristelijke figuren geschreven door auteurs die hun echte naam gebruiken en erkennen dat het fictie is, rekenen tot "moderne apocriefen".Burke (2017), 1–2, footnote no. #2..
Tijdens de Canonvorming van het Nieuwe Testament kwam het tot een scheiding tussen canonieke en apocriefe boeken. Zo waren sommige apocriefen in gebruik bij en bewerkt door volgelingen van gnostische leraren, van andere apocriefen werd de authenticiteit betwist en van weer andere geschriften werd beweerd dat zij ketterijen bevatten. Een groot aantal christelijke en filosofische geschriften werd gevonden in 1945 bij Nag Hammadi, de zogenaamde Nag Hammadigeschriften, waaronder ook gnostiserende apocriefen.In 2004 kwam een integrale Nederlandse vertaling van alle Nag Hammadigeschriften beschikbaar (auteurs: Jacob Slavenburg en Willem Glaudemans, uitgeverij Ank-Hermes).
Boeken waarvan door sommige kerken wordt beweerd dat deze onderdeel uitmaken van het Nieuwe Testament, maar waarvan niet objectief kon worden vastgesteld dat ze in de oudheid bestaan hebben, worden niet tot de apocriefen gerekend. Voorbeelden hiervan zijn het middeleeuwse Evangelie van Barnabas (hoewel de Brief van Barnabas soms zo werd genoemd) en recentere werken die zich beroepen op goddelijke inspiratie, zoals het Boek van Mormon en de boeken van Jakob Lorber.
Vaak komen apocriefe werken, vooral die van latere datum, tot soms zeer recente toe, tegemoet aan de behoefte om meer te weten over dingen waarover het Nieuwe Testament zwijgt of weinig zegt: de kinderjaren van Jezus, het lot van de menselijke ziel na de dood, de avonturen van de apostelen in verre landen enzovoort. Meestal is het vertellende, legendarische en ook het fantastische element in deze apocriefen sterker dan in het NT zelf.Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993–2002) s.v. "apocriefen. §2. Apocriefen van het Nieuwe Testament". Microsoft Corporation/Het Spectrum.
Genres De apocriefen zijn meestal geschreven volgens dezelfde vier genres die voorkomen in de zevenentwintig boeken van het Nieuwe Testament: evangeliën (biografieën van Jezus) handelingen (daden van de vroege apostelen) epistels (brieven van apostelen naar vroegchristelijke gemeenten of naar elkaar) apocalyptiek (openbaringen; verhalen waarbij God een mens (een deel van) de waarheid onthult)
Evangeliën
Het is niet bekend hoeveel evangeliën er onder de vroege christenen circuleerden. Er zijn uit de eerste christelijke eeuwen ongeveer 25 tot 30 bewaard gebleven, soms in hun geheel, enkele uiterst fragmentarisch. Meestal zijn de apocriefe evangeliën pas veel later geschreven dan de canonieke evangeliën, namelijk van de 2e tot en met de 8e eeuw. Een minderheid van geleerden is van mening dat het Evangelie van Thomas uit de eerste eeuw stamt en daarmee ongeveer even oud is als, of zelfs ouder zou kunnen zijn dan, de vier canonieke evangeliën.
Jeugdevangeliën De canonieke evangelies van Matteüs, Markus, Lukas en Johannes vertellen weinig over de jeugd van Jezus. In deze lacune wordt voorzien door een aantal teksten die zich alleen met deze periode uit het leven van Jezus bezighouden:
Het proto-evangelie van Jakobus (ook wel het Evangelie van Jakobus genoemd) Het kindheidsevangelie van Thomas (niet te verwarren met het Evangelie van Thomas) Het evangelie van pseudo-Matteüs (ook wel de Geboorte van Maria en Kindertijd van de Verlosser) Het leven van Johannes de Doper De geschiedenis van Jozef de Timmerman
Soms wordt ook het Arabisch kindheidsevangelie (of Syrisch kindheidsevangelie) tot de apocriefen van het Nieuwe Testament gerekend, hoewel de ontstaansperiode (6e eeuw), daarvoor al te laat is. Het Libellus de nativitate Sanctae Mariae en het Latijns Kindheidsevangelie zijn zeer laat ontstaan, zodat deze zonder twijfel niet meer tot de apocriefen kunnen worden gerekend.
Veel van de kindheidsevangelies blijken te zijn gebaseerd op een combinatie van het Kindheidsevangelie van Thomas en het Proto-evangelie van Jakobus.
Joods-christelijke evangeliën
Auteurs binnen groeperingen van het vroegchristelijk jodendom schreven in de tweede eeuw hun eigen evangeliën. Het Evangelie van de Hebreeën Het Evangelie van de Nazorenen Het Evangelie van de Ebionieten
Fragmenten daarvan zijn bewaard gebleven binnen de kritische commentaren van de groepen die hen destijds bestreden. Over het onafhankelijk karakter van het evangelie van de Ebionieten bestaat op het vakgebied consensus. Er zijn meerdere opvattingen of de overige twee teksten wel of niet of gedeeltelijk tot eenzelfde evangelie behoord hebben.
Gezegdenevangeliën Twee teksten hebben de vorm van een korte verzameling logia—gezegdes en korte gelijkenissen, zonder verhaalstructuur:
Het Evangelie van Thomas, niet te verwarren met het Kindheidsevangelie van Thomas, is geschreven tussen 130 en 160 in het Koptisch. Het is kort en het bekendste apocrief; het bestaat uit 114 uitspraken (logia) die van Jezus zouden zijn. Evangelie van Filippus waarschijnlijk geschreven door een leerling van Valentinus
Moraalevangeliën Enkele teksten nemen de vorm aan van discussies over moraliteit, in het bijzonder over seksuele onthouding, meestal in de vorm van een discussie tussen Jezus en een of meerdere discipelen. Griekse evangelie van de Egyptenaren Boek van Thomas de Strijder of simpelweg Boek van Thomas
Passie-evangeliën Een aantal evangelies houdt zich speciaal bezig met de Passie (dat wil zeggen de dood van Jezus en zijn Opstanding): Het Evangelie van Andreas Het Evangelie van Judas (Iskariot), bekend van slechts één Koptische kopie gedateerd op 280 (±60 jaar), bevat gesprekken tussen Jezus en Judas Iskariot Het Evangelie van Petrus Het Evangelie van Nikodemus (4e eeuw; ook wel Handelingen van Pilatus) Het Evangelie van Bartholomeüs (5e eeuw) Het Vragen van Bartholomeüs De Wederopstanding van Jezus Christus (dat claimt volgens Bartholomeüs te zijn) Het Evangelie van Thaddeüs
Hoewel er drie teksten zijn die de naam Bartholomeüs dragen, is het mogelijk dat een van de twee teksten Vragen van Bartholomeüs en Wederopstanding van Jezus Christus in feite het onbekende Evangelie van Bartholomeüs is.
Handelingen van de apostelen
Diverse teksten houden zich bezig met de levens en daden van de apostelen: De Handelingen van Andreas, geschreven begin 3e eeuw; een variant van de tekst heet Het Martelaarschap van Sint Andreas en beschrijft zijn kruisdood De Handelingen van Andreas en Mattias in de stad van de antropofagen De Handelingen van Andreas en Paulus De Handelingen van Barnabas De Handelingen van Filippus De Handelingen van Jacobus de Grote De Handelingen van Johannes, geschreven rond 150 tot 180 De Handelingen van Johannes (Prochorus) De Handelingen van Petrus (het laatste deel wordt soms apart gevonden en heet dan het Martelaarschap van Petrus), geschreven rond 180 tot 190 De Handelingen van Petrus en Andreas De Handelingen van Petrus en de Twaalf Apostelen De Handelingen van Petrus en Paulus De Slavische Handelingen van Petrus De Handelingen van Paulus, waarin tekstdelen die soms apart worden gevonden, waaronder: De Handelingen van Paulus en Thekla De Handelingen van Thaddeüs De Handelingen van Tomas, geschreven eerste helft 3e eeuw De Negen boeken van Clemens
Epistels (brieven)
Apocriefe epistels zijn geschriften die zichzelf presenteren als brieven tussen apostelen en vroegchristelijke gemeenten of tussen apostelen en andere individuen (zoals andere apostelen), maar uiteindelijk niet in het Nieuwe Testament zijn opgenomen. Sommige van deze niet-canonieke brieven werden in de vroege kerk zeer hoog gewaardeerd. In sommige vroege canons werden sommige van deze epistels daarom nog wel opgenomen, zoals de brief van Barnabas, die was opgenomen in de Codex Sinaiticus.
Brieven toegeschreven aan Clemens