ZOO Antwerpen is een dierentuin die behoort tot de KMDA. De dierentuin werd geopend op 21 juli 1843 en is daarmee de oudste dierentuin van België en een van de oudste dierentuinen ter wereld. De zoo ligt vlak naast het station Antwerpen-Centraal op het Koningin Astridplein in Antwerpen. In de volksmond wordt deze dierentuin ook wel 'de zoo' of 'de Zoölogie' genoemd. In 2014 vonden er 425 soorten onderdak in de zoo.ZOO Antwerpen zooantwerpen.be
ZOO Antwerpen trekt gemiddeld één miljoen bezoekers per jaar, met een uitschieter van meer dan 1,3 miljoen in 2009.Jaarverslag KMDA 2009 In 2012 zakte het aantal bezoekers tot 838.000, waardoor Pairi Daiza de meest bezochte Belgische dierentuin werd.Pairi Daiza stoot Antwerpse Zoo van de troon, hln.be, 10 januari 2013
Geschiedenis 19e-eeuwse stadsdierentuin
thumb|Koningspinguïns thumb|Dromedaris thumb|Giraffe thumb|Zebra thumb|Struisvogel thumb|Aziatische olifant Hoewel de Antwerpse zoo eerst op 21 juli 1843 de deuren opende voor het publiek, werd het contract van de allereerste directeur Jacques Kets al afgesloten op 19 juni 1841. Pas op 1 maart 1843 werd de eerste anderhalve hectare grond in de toenmalige vijfde wijk Groenenhoek aangekocht, naast het toen pas opgetrokken houten station Borgerhout. Toen de dierentuin in 1843 de deuren opende, lag de ingang nog aan de Borgerhoutsesteenweg, de huidige Carnotstraat. Op dat moment was er naast de collectie opgezette dieren van Kets nog niet veel te zien: enkel wat geiten en paarden. In 1844 stond er in de zoo slechts één gebouw dat, naast de collectie van Kets, kooien bevatte voor roofdieren, een aantal apen, vogels en slangen. In 1847 arriveerde de eerste chimpansee - Susanne - in de zoo, een dier dat volgens kranten uit die tijd zelfs samen met de directeur dineerde. Populair was ook Jefke van de Zoölogie, een zwarte man die eerst vogelverzorger was en dan portier.
De Antwerpse zoo was reeds vanaf het begin een publieke dierentuin en dus in theorie toegankelijk voor iedereen. In de praktijk bleek dat niet het geval te zijn, waarvan de toegangsprijs van 1 frank - toen bijna een dagloon van een arbeider - getuige is. Zelfs wanneer "de gewone burger" het geld wel had, was de kans groot dat hij aan de ingang botweg geweigerd werd. De directie ontving zelfs klachten van de hoge burgerij wanneer kindermeisjes of huispersoneel in de zoo rondliepen. De zoo was op dat moment in de eerste plaats een sociale ontmoetingsplaats en dan pas een tuin met exotische dieren. Hierin kwam pas in 1862 verandering toen men op paasmaandag, de eerste zondag na Pinksteren en de tweede zondag van augustus de prijs zodanig verlaagde dat ook gewone burgers de zoo konden bezoeken. Bovendien werden vanaf dan ook scholen uitgenodigd voor een bezoek aan de tuin. Op meer toegevingen zou "de gewone burger" nog moeten wachten tot na de Eerste Wereldoorlog.
Vanaf de opening in 1843 tot 1850 gebeurden er meer dan 240 schenkingen aan de Antwerpse stadsdierentuin. Sommige schenkers ondernamen zelf reizen naar exotische oorden om dieren voor de zoo te verzamelen. Veel van de verzamelde dieren overleefden in de negentiende eeuw de lange reizen echter niet. De hoofdmoot van de dieren werd echter verkregen via de toen nog internationaal florerende dierenhandel. Om voldoende kapitaal te hebben en bijgevolg dieren te kunnen aankopen, verkocht de dierentuin op dat moment ook zelf pasgeboren dieren. In de jaren 1870 vormde dergelijke verkoop zelfs meer dan 50 procent van de inkomsten, wat de totale inkomsten uit dierenverkoop tegen 1893 deed oplopen tot 9,5 miljoen frank.
Het zat echter niet altijd mee voor de jonge dierentuin. In 1868 ontsnapte een tijger uit de dierentuin en in 1885 liet een verzorger het leven nadat een neushoorn zich op hem gestort had. In 1881 deed zich ook nog eens de grootste ramp op het gebied van de dierencollectie zich voor: in de nacht van 11 januari liep er iets mis met de verwarming in het apengebouw en het hele gebouw brandde af. Maar liefst 79 kleine en grote apen lieten het leven, waaronder de op dat moment in dierentuinen zeer zeldzame en waardevolle orang-oetan.
De zoo werd echter ook fors uitgebreid. Tussen 1843 en 1854 kwamen er 7,3 hectare grond bij en tussen 1860 en 1884 nog eens 1,7 hectare. Dat liet zich ook merken aan de bezoekerscijfers, die stegen van 50.000 bezoekers in 1850 tot 500.000 vlak voor de Eerste Wereldoorlog. Meer grond betekende ook meer gebouwen en vanaf 1850 werd er serieus bijgebouwd in de dierentuin. In 1850 werd het apengebouw geopend en in 1855 de Egyptische Tempel voor de olifanten. In 1852 kwam de eerste olifant aan in Antwerpen; ze kreeg de naam Jacqueline. Haar skelet werd lange tijd tentoongesteld in de Egyptische Tempel en na restauratie werd ze bewaard in het archief onder de zoo. Het huidige globale uitzicht werd reeds in die periode bepaald door toenmalig directeur Jacques Vekemans (directeur van 1865 tot 1888). Onder zijn leiding werd in 1867 een Indische tempel gebouwd voor de antilopen, in 1870 een paleis geopend voor de roofdieren en in 1885 werden het nijlpaardengebouw en de Moorse Tempel uit de grond gestampt.
Ook na Vekemans gingen de bouwwerken nog even verder. In 1893 kwam er een gebouw voor exotische vogels en in 1903 openden ook de gebouwen voor de administratie, het restaurant Paon Royal en de concertzaal op het Koningin Astridplein. Uit die periode stamt ook de monumentale hoofdingang. Bovendien werd in 1903 gestart met de aanleg van het hoefdierenperk en de bouw van het aquarium en het reptielengebouw. De gebouwen aan het Koningin Astridplein kwamen er als directe reactie op de bouw van het nieuwe Centraal Station, dat in 1905 de deuren opende. Alhoewel het nieuwe station ervoor zorgde dat meer bezoekers de zoo kunnen bereiken, zorgde het er eveneens voor dat de stadsdierentuin in die richting ook niet meer kan uitbreiden.
Al in 1907 informeerde de zoo bij de secretaris-generaal voor Congolese Zaken naar de pas in 1901 voor het eerst beschreven okapi. Er werd een poging ondernomen een exemplaar naar Antwerpen te verschepen, maar het dier kwam nooit aan in de zoo. miniatuur|Okapi
Dierentuin in staat van oorlog Begin augustus 1914 vielen Duitse troepen België binnen en tegen eind augustus werd Antwerpen gebombardeerd door zeppelins. Al vanaf het eerste bombardement werden de gevaarlijke roofdieren, zoals de leeuwen, uit hun buitenverblijven gehaald. Op 7 oktober werden, op bevel van de provinciegouverneur, al 32 dieren doodgeschoten. Niet alleen de leeuwen, maar ook de tijgers, panters, jaguar, wolf en de hele verzameling gifslangen werden vernietigd. In de eerste plaats werd deze beslissing genomen om te voorkomen dat de dieren zouden ontsnappen als het gevolg van een bombardement. Ten tweede vreesde men dat de Duitsers de dieren in handen zouden krijgen en ten derde vond men het beter de dieren snel uit hun lijden te verlossen dan ze achteraf te zien doodbloeden door granaatscherven, omkomen in een brand of sterven van de honger.
Na de capitulatie van Antwerpen op 10 oktober en gedurende de hele periode van de Duitse bezetting, bleef de zoo gewoon open. Het aantal dieren bleef echter dalen. Door de schaarste van voedsel en grondstoffen zag de directie zich genoodzaakt de minder waardevolle soorten te gebruiken als voedsel voor de roofvogels en er kon niet langer voorzien worden in het dieet van de exotische vogels. Tegen het einde van de oorlog was men zelfs verplicht de buffels, antilopen en andere herkauwers te slachten: de voedselschaarste in Antwerpen kreeg voorrang en eten voor de dieren was bovendien te duur geworden.
De oorlog betekende ook een financiële ramp voor de dierentuin. Om een dreigend faillissement af te wenden, besliste het bestuur van de KMDA om de rijkelijk gedecoreerde feestzaal een nieuwe bestemming te geven. Ze werd vanaf 1915 omgetoverd tot een bioscoop onder de naam Cine Zoologie (ook Cinema of Kinema Zoologie genaamd). Met de inkomsten van de bioscoop kon het faillissement vermeden worden.Leen Engelen & Roel Vande Winkel (2018): Cine Zoologie: Hoe film de Antwerpse dierentuin heeft gered. Borgerhout: Letterwerk, 2018.
Bij de bevrijding van Antwerpen was de collectie van de zoo geslonken tot 19 procent van het vooroorlogse aantal. Het merendeel daarvan bestond uit vissen. Bovendien waren tal van gebouwen zwaar beschadigd tijdens bombardementen van het Centraal Station.
De oorlog mocht dan wel grote schade aangericht hebben aan de zoo, maar directeur Michel L'Hoëst senior en zijn team begonnen via leningen en de opbrengst van openbare evenementen vrijwel onmiddellijk aan de wederopbouw. De Rotterdamse dierentuin had tijdens de oorlog 25 dieren geadopteerd, die toen teruggebracht werden, samen met een aantal antilopen en meerkatten om de collectie aan te vullen. Dergelijke solidariteit kwam er ook vanuit de dierentuinen van Kopenhagen, New York, Buenos Aires en Dublin. Tal van diersoorten werden zo aan de collectie toegevoegd, waaronder ijsberen, een poolvos, moeflons, kangoeroes, lama's, bizons, coyotes, bruine beren, leeuwen, een jaguar, een chimpansee en andere apensoorten. Dankzij de kolonie Belgisch Congo wist de zoo twee olifanten en nog 30 andere Afrikaanse dieren te verkrijgen. Zo waren er uiteindelijk in 1921 al meer dieren dan voor de oorlog het geval was en het aantal bleef stijgen. Intussen werd ook het beschadigde patrimonium heropgebouwd.
In 1919 was de aankomst van de eerste okapi, met de naam Buta, een wereldprimeur. De Zoo had als eerste dierentuin een okapi in bezit. Het dier stierf echter al na vijftig dagen. Okapi Tele arriveerde in 1928 en bleef veel langer in leven (in 1943 stierf ze een hongerdood vanwege de Tweede Wereldoorlog).Lyndaker Lindsey, S., M.N. Green en C.L. Bennett (1999), The Okapi: mysterious animal of Congo-Zaire. Austin: University of Texas Press, blz. 54. Tussen 1920 en 1960 zouden uiteindelijk 30 hengsten en 18 merries naar de dierentuin getransporteerd worden. Vooral in de beginjaren stierven veel van de dieren.
In 1939 brak de Tweede Wereldoorlog uit en in 1940 vielen de Duitse troepen België binnen. Opnieuw werden tal van dieren - waaronder leeuwen, tijgers en jaguars - preventief doodgeschoten. Tot overmaat van ramp vroren veel waardevolle dieren dood in de winter van 1940 en raakten vliegende bommen het aquarium, het reptielengebouw en het vogelgebouw tegen het einde van de oorlog. Ook het nijlpaardengebouw, de wintertuin en het museum werden in de loop van de oorlog vernield door bommen en het dak van de Egyptische Tempel was ingestort. Niettemin slaagde men er toch in 40% van de dieren te behouden.
Heropbouw en crisisjaren miniatuur|rechts|Pas bevrijde Antwerpenaren sloten Duitse gevangenen en Belgische collaborateurs op in leeuwenkooien (foto: Imperial War Museum) In september 1944, toen de overheid haar ordediensten nog niet op orde had, en verzetsgroeperingen het recht in eigen hand namen, gebruikten deze de leegstaande kooien van de Zoo om echte en vermeende collaborateurs in op te sluiten.Werden er na Wereldoorlog II mensen vastgehouden in de Zoo?, Maria Groot, De Nieuwe Antwerpenaar, maart/april 2013, p.12 Vooraleer aan een heropbouw gedacht kon worden, deed de dierentuin eind 1944 nog dienst als legerbasis voor de Engelse troepen. In 1945 werd de zoo hiervoor wel bedankt in de vorm van twee olifanten met de toepasselijke namen Monty en Ike. Monty en Ike waren ook de bijnamen van respectievelijk de Britse generaal en veldmaarschalk Bernard Montgomery en de toenmalige opperbevelhebber van de geallieerde strijdkrachten en latere president van de Verenigde Staten Dwight Eisenhower.