miniatuur|Kaspar Hauser, juni 1830, met litteken van de in 1829 opgelopen hoofdwond, door Johann Lorenz Kreul Kaspar Hauser (30 april 1812 (naar verluidt) – Ansbach, 17 december 1833) was een Duitse vondeling van onbekende afkomst. De omstandigheden rondom zijn vondst, leven en dood bleken een mysterie en vormden aanleiding tot veel speculatie. Hardnekkige geruchten dat hij een zoon van groothertog Karel van Baden zou zijn konden uiteindelijk in 2024 definitief worden weerlegd.

De omstandigheden en raadsels rondom zijn herkomst, verschijnen en overlijden hebben van meet af aan de belangstelling gewekt van criminologen, historici en andere wetenschappers, en kunstenaars. Gedurende een kwart eeuw (van 1828 tot 1853) was hij waarschijnlijk de meest besproken Europeaan in de pers aan beide zijden van de Atlantische Oceaan.

Leven Vondst miniatuur|Unschlittplatz 8 Neurenberg, met gedenksteen vondst Kaspar Hauser Op pinkstermaandag (26 mei) 1828 werd op de Unschlittplatz in Neurenberg, dat toen tot het Koninkrijk Beieren behoorde, een verwaarloosde jongen aangetroffen. Hij droeg boerenkledij en kon nauwelijks spreken. Hij verplaatste zijn voeten zonder goed te weten hoe hij moest lopen en begreep amper iets. Aanvankelijk dacht men dat hij dronken was omdat hij steeds dezelfde zinnen herhaalde, namelijk "ik wil zijn zoals mijn vader" en "ik wil een ruiter zijn, zoals mijn vader was". Hij zei dit in oud Beiers dialect"A söchtener Reuter möcht i wern, wie mein Voater gwen is" en gaf aan zelf niet te begrijpen wat hij zei.

De jongen had twee brieven bij zich: de eerste, met als briefhoofd "Van de Beierse grens. De plaats is niet benoemd. 1828", was gericht aan de kapitein (op dat moment was dit Friedrich von Wessenig) van het 4e eskadron van het 6e cavalerieregiment, gelegerd in Neurenberg. Daarin stond dat de anonieme schrijver een arbeider was die vanaf 7 oktober 1812 voor hem gezorgd had en hem lezen, schrijven en de christelijke religie geleerd had, maar hem geen stap buiten de deur had laten doen. In de brief werd de kapitein verzocht om hetzij de jongen in dienst te nemen als soldaat, of hem anders weg te jagen of op te hangen. Een ander briefje, dat door de moeder van de jongen aan die anonieme verzorger zou zijn gericht, vermeldde zijn naam (Kaspar Hauser) en geboortedatum (30 april 1812) en de verklaring dat zijn vader een overleden cavalerie-officier was. Later stelde men vast dat het watermerk van dit papier onmogelijk al uit 1812 kon dateren.

De jongen werd door een schoenmaker naar von Wessenig gebracht en deze stuurde hem naar een politiepost in de Neutor, waar bleek dat hij ondanks zijn beperkte woordenschat zijn naam kon schrijven, het gebruik van geld kende, een paar gebeden kon opzeggen en enigszins kon lezen. Buiten enkele woordflarden kon hij niet spreken. Aanmoedigingen tot spreken leidden tot tranen en 'weet niet'. Hij was zeer klein, had blauwe ogen en krullend lichtbruin haar. Het enige dat hij als voedsel aannam was water en brood. Hij treurde om een houten paardje dat zijn enige metgezel was geweest.

Curiositeit De volgende twee maanden bracht hij door in een gevangenis voor landlopers, de toren Luginsland, waarvan hij wel zonder moeite de negentig treden kon beklimmen en waar hij goed verzorgd werd door het gezin van de bewaker, Andreas Hiltel. Daarna woonde hij bij verschillende weldoeners in en kreeg er sporadisch onderwijs.

Zes weken nadat Hauser was opgedoken maakte burgemeester Jakob Friedrich Binder de tot dan toe bekende informatie over hem voor het eerst openbaar. Hauser werd een bezienswaardigheid, hij werd officieel door de stad geadopteerd en aanvankelijk door de inwoners onderhouden.miniatuur|links|Georg Friedrich Daumer

Naar eigen zeggen had hij een groot deel van zijn jeugd geleefd in een donkere cel van zes à zeven voet lang (180-210 centimeter) en vier voet (120 centimeter) breed, zo laag dat hij er enkel half liggend in kon leven, met een vloer van aangestampte aarde en een bed van stro. Hij kreeg enkel water en roggebrood zonder iemand te zien, en werd soms verdoofd zodat men zijn kleren kon wisselen en zijn haar kon knippen. "Er waren twee minuscule ramen van acht tot negen duim (20 centimeter) hoog en breed. Er was niets in de gevangenis, behalve het stro waar ik op lag en zat, en de twee houten speelgoedpaarden, de speelgoedhond en de wollen deken. In de aarde naast mij was een rond gat waarin ik mijn behoeften deed. Verder was er nog de waterkruik, iets anders was er niet."

De eerste mens die hij, kort voor zijn vrijlating, had gezien hield steeds zijn eigen gezicht verborgen en had hem de zin geleerd "ik wil een ruiter worden zoals mijn vader", en had hem ook geleerd zijn naam, Kaspar Hauser, te schrijven. Uiteindelijk bracht deze man hem in de richting van Neurenberg, Hauser zei pas op deze tocht lopen en staan geleerd te hebben en flauwgevallen te zijn. Het volgende moment dat hij zich herinnerde was zijn wandeling in Neurenberg.

Zijn mentale toestand wekte de interesse van juristen, theologen en pedagogen die talrijke onderzoeken op hem uitvoerden en hem leerden spreken. Van 18 juli 1828 tot eind 1829 verbleef hij bij de godsdienstfilosoof en dichter Georg Friedrich Daumer, die hem leerde lezen en schrijven. Hauser mocht dan wel zestien jaar zijn, maar had een ontwikkelingsleeftijd van niet meer dan zes jaar. Toch had hij een uitstekend geheugen wat volgens burgemeester Binder, die ook veel tijd aan hem besteedde, erop wees dat hij van goede afkomst was. Hauser had aanvallen die later door sommige auteurs als epilepsie of catalepsie werden geïnterpreteerd. Door de goede zorgen van Daumer, die onder meer homeopathische behandelingen toepaste en door de aanmoedigingen om een dagboek bij te houden, fleurde hij op, terwijl hij volgens Daumer buitengewoon goed kon waarnemen, bijvoorbeeld armbewegingen die deze achter Hausers rug op een afstand maakte. Intussen bleek hij ook een begaafd beeldend kunstenaar te zijn.miniatuur|Potloodtekening van een watermolen, door Kaspar Hauser (1829)

De merkwaardige jongen trok veel belangstelling. Sommigen zagen hem aan voor een idioot, een wilde of een dolleman. Vanaf eind 1828 verschenen er in kranten binnen en buiten Beieren berichten over de geruchten dat hij een prins zou zijn: namelijk dat de troonopvolger (geboren 29 september 1812 en al snel, op 16 oktober, overleden) van groothertog Karel van Baden bij de geboorte in Karlsruhe verwisseld zou zijn voor een stervende andere baby, met als doel een zoon van Luise Karoline von Hochberg op de troon te brengen. De echte prins zou vervolgens verborgen in een kerker zijn grootgebracht. De overleden baby werd niet meer aan zijn moeder, Stefanie van Baden, getoond omdat deze toen te ziek was. Als dit gerucht waar was zou Kaspar Hauser tevens een neef zijn van koningin Caroline van Beieren. Maar er rezen ook snel verdenkingen dat Hauser een oplichter was, zoals de politieman Merker in 1830 al uitvoerig betoogde.

Paul Johann Anselm von Feuerbach, een beroemde advocaat en toenmalige voorzitter van het Beierse Hof van Beroep te Ansbach nabij Neurenberg, en bekend als de ontwerper van het zeer belangrijke democratische legaliteitsbeginsel, interesseerde zich sterk voor Hauser. Hij veranderde meermaals van mening over Hausers eventuele vorstelijke afkomst. In 1830 benoemde hij dit als een "romantisch gerucht", maar begin 1832 stelde hij in een geheime Memoire koningin Caroline van Beieren van zijn gewijzigde opvatting op de hoogte, namelijk zijn "sterke menselijke vermoeden, zoniet morele zekerheid" dat de geruchten naar zijn idee klopten, maar dat hij dit niet kon bewijzen.Librovox Audioboek via youtube.com Anderzijds beklaagde hij zich rond diezelfde tijd tegenover zijn zoon over zijn sterk verslechterende verstandelijke vermogens.

Aan het verspreiden van mythen droeg ook bij dat Daumer vanaf 1830 in kranten en boeken een gedicht publiceerde dat Hauser al in het voorjaar van 1829 geschreven zou hebben, beginnend met de regel "Mijn eerste jaar begroet ik heden ...". Veel later is aan het licht gekomen dat dit gedicht bijna volledig is samengesteld uit plagiaatzinnen en eigenlijk door Johann Gottlob Trautschold geschreven was. Hauser schonk ook aan verschillende personen een uitbreiding ervan, nu met als titel "Een klein gedicht", maar ook de uitbreidingen bleken plagiaat, afkomstig van Karl Heinrich Grumbach en van Karl Friedrich Müchler.

Ook presenteerde hij zogenaamd van hem afkomstige aforismen, die later enerzijds afkomstig bleken uit een vertaling van Seneca anderzijds van Johann Gottfried Herder. Hoe hij al deze bronnen kon vinden en gebruiken (al vanaf een jaar nadat hij opdook) is nooit opgehelderd.

Verwondingen en overlijden Op 17 oktober 1829 werd Hauser hevig bloedend in de kelder van Daumers huis aangetroffen, hij had een bijna zes centimeter lange snee in het hoofd. Volgens zijn beschrijving was hij, terwijl hij op het (buiten)toilet zat, door een gemaskerde, donker geklede man met een kapmes aangevallen. Voordat deze man aanviel, hoorde hij hem zeggen: "Je moet sterven voordat je de stad Neurenberg verlaat!" Hauser zei hem aan de stem te herkennen als degene die hem naar Neurenberg had gebracht. Na de aanslag was Hauser weer het huis ingegaan waar hij in paniek heen en weer zou hebben gelopen tussen zijn kamer op de eerste etage en diverse vertrekken, zonder naar andere aanwezige huisgenoten te gaan. Hij eindigde in de genoemde kelder.

De verwonding bloedde wel hevig maar was niet zo ernstig. Binnen een paar dagen was Hauser weer opgeknapt. Von Feuerbach, die toen nog alle vertrouwen in Hauser had, was van mening dat de wond met een scheermes in plaats van een (door Hauser beschreven en getekend) kapmes moest zijn toegebracht. Meerdere getuigen dachten de man te hebben gezien. Een enkeling had ook een tweetal mannen bij de lokale fontein zien staan, handen wassend.miniatuur|Johann Christian en Klara Biberbach, foto 19e eeuw

Kort daarvoor was er een ruzie geweest met Daumer, die hem als een bedrieger begon te beschouwen; na de vermeende aanslag vond diens familie het te zwaar om Hauser in huis te houden, hij werd tijdelijk in huis genomen door de familie Biberbach. Hoewel sommigen hem ervan verdachten zichzelf te hebben verwond begonnen de speculaties over zijn koninklijke afkomst na deze moordaanslag echt goed los te barsten, temeer daar koning Lodewijk I van Beieren nu het bevel had gegeven hem dag en nacht door twee politiemannen te laten bewaken.

Op 3 april 1830 werd hij, alleen binnen in het huis van Biberbach, gewond aan het hoofd aangetroffen na een pistoolschot. Hij zei, bij een val vanop een stoel, houvast te hebben gezocht aan een pistool dat aan de muur hing, maar daarbij was dit afgegaan. De arts die hem onderzocht was van mening dat de (oppervlakkige) wond aan zijn hoofd niet door een kogel kon zijn veroorzaakt.Trautz, o.c., p. 718 Het gebeurde nadat de familie Biberbach hem verwijten had gemaakt over liegen, Klara Biberbach had het over zijn "afgrijselijke leugenachtigheid" en noemde hem "vol verwaandheid en boosaardigheid".miniatuur|links|Gottlieb von Tucher (1798-1877)

Hauser werd daarop vanaf mei 1830 gedurende anderhalf jaar bij zijn voogd baron Gottlieb von Tucher ondergebracht, die hem een betrekking bezorgde als klerk bij het lokale justitiehuis. Men vond hem innemend van aard en hij bleek ook een hartstochtelijk danser. Maar ook Von Tucher beklaagde zich later over zijn buitensporige verwaandheid en leugenachtigheid. Hij bracht Hauser soms ook tijdelijk onder bij zijn moeder, behandelde hem strenger en beschermde hem veel meer tegen allerlei nieuwsgierigen. Von Tuchers zus, Maria Helena Susanna Tucher von Simmelsdorf, was de vrouw van Hegel. Voor zover bekend heeft Hegel (wiens zoons Karl en Immanuel trouwens ook nog even les hadden gehad van Georg Friedrich Daumer) echter nooit Kaspar Hauser persoonlijk ontmoet.