Het Amsterdam Museum, tot en met 2010 het Amsterdams Historisch Museum, is een Nederlands museum in Amsterdam, gewijd aan het heden en verleden van de stad Amsterdam. Vanwege de verbouwing van de hoofdlocatie, het voormalig Burgerweeshuis, is het museum momenteel vooral actief als netwerkmuseum, met presentaties op verschillende plekken in de stad door samenwerkingen aan te gaan met Amsterdamse partnerinstellingen. Zo deelde het museum tot eind 2025 de locatie met het H'ART Museum en is in samenwerking met Cultuurdorp Westergas sinds 2025 de 'multimediale maquette' Amsterdam in Motion geopend op het Westergasterrein.Duncan Stutterheim over immersieve maquette Amsterdam in Motion: ‘Dit is een blijvend cadeau aan Amsterdam’, parool.nl, 10 juni 2025

Museum Het museum begon in 1926 in de Waag op de Nieuwmarkt. In 1930 kwam daar ook nog het Joods Historisch Museum bij. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de Waag gesloten en ging pas in 1955 weer open. In 1975 verhuisde het museum naar het gebouwencomplex van het voormalige Burgerweeshuis aan de Kalverstraat, waar de geschiedenis van de hoofdstad was te volgen vanaf het ontstaan in de middeleeuwen. Naast de vaste opstelling waren er wisselende tentoonstellingen over de meest uiteenlopende onderwerpen die met Amsterdam te maken hebben. Als herinnering aan de tijd van het weeshuis werd de Regentenkamer intact gelaten. De Schuttersgalerij, een overdekt straatje van de Begijnensteeg naar het museum vol met 17de- en 18de-eeuwse groepsportretten, stond bekend als de enige vrij toegankelijke 'museumstraat' ter wereld.

Gebouw

Het gebouwencomplex tussen de Kalverstraat en de Nieuwezijds Voorburgwal, waar het museum tezijnertijd weer zal worden gevestigd, was in de middeleeuwen het Sint-Luciënklooster. In 1579 trok het Amsterdams Burgerweeshuis erin en bleef daar tot halverwege de 20ste eeuw (1960). In die tijd heeft het gebouw al flink wat verbouwingen ondergaan. In het voormalige weeshuis aan de Kalverstraat konden alleen wezen terechtkomen waarvan de ouders poorters waren geweest van de stad Amsterdam. De kinderen kregen een goede opleiding: de jongens leerden ambachten, zoals houtbewerking en dergelijke, terwijl de meisjes les kregen in handwerken.

Voorgeschiedenis De vroegste voorloper van het Amsterdamse stadsmuseum bevond zich vanaf de 16de eeuw in het stadhuis. Dat de verzameling al snel een groot historisch belang werd toegedicht blijkt uit de woorden van Joost van den Vondel uit 1655. Nadat verschillende historische objecten van de stad uit de brand van het oude stadhuis in 1652 gered konden worden, schreef hij dat daardoor de 'ziel der gantsche stadt' bewaard is gebleven.Kistemaker, Renée, 'Inleiding', In: Museumstukken : 75 jaar - Amsterdams Historisch Museum. Amstelodamum Jaarboek 93 (2001), p. 11-27.

'Rariteiten' in het stadhuis Vanaf de tweede helft van de 17de eeuw groeide de collectie schilderijen en objecten in de kunstkamer op het stadhuis verder uit, een enkele keer zelfs door een aankoop. Opmerkelijk is de enige schenking uit die periode: Michiel Hinloopen, telg uit een belangrijk geslacht van Amsterdamse regenten, liet onder andere aan de stad zijn prentenverzameling na.

In het voorjaar van 1806 werd op de vierde verdieping van het stadhuis een zogenaamde 'rariteitenkamer' ingericht, met oudheidkundige objecten en schilderijen die daarvoor al een plek in het stadhuis hadden gehad. Van dit historische museum 'avant la lettre' werd voor het publiek een gids geschreven.

Met de komst van koning Lodewijk Napoleon naar Amsterdam in 1808 werd het stadhuis bestemd tot paleis, waarin op voorlopige basis het nieuwe Koninklijk Museum zou worden ondergebracht. De koning liet zeven topstukken uit het Amsterdams schilderijenbezit in bruikleen geven aan het Rijk om hiervan deel te gaan uitmaken, waaronder De Nachtwacht en De Staalmeesters van Rembrandt. In 1817 verhuisde het Koninklijk Museum als Rijks Museum naar het Trippenhuis, met medeneming van de zeven stedelijke schilderijen. De grote collectie uit het oude stadhuis was intussen ondergebracht in het nieuwe stadhuis aan het Prinsenhof. Regelmatig werd de collectie uitgebreid met objecten van stedelijke instellingen die werden opgeheven, zoals de verdwijnende gilden.

Verborgen in het Rijksmuseum Medio 19de eeuw openden twee andere stedelijke kunstmusea, voortkomend uit legaten van welgestelde Amsterdamse verzamelaars: Museum Van der Hoop (1855) en Museum Fodor (1863). Begin jaren zeventig stelde de stad Amsterdam een stuk grond beschikbaar voor een nieuw gebouw van het Rijksmuseum. De stad deed ook de belofte dat het stedelijk schilderijenbezit daarbij voor een groot deel in bruikleen aan het rijk zou worden afgestaan. Toen het nieuwe Rijksmuseum in 1885 opende werd deze afspraak ingelost. Zo kreeg Amsterdam een 'stadsmuseum' verborgen in het Rijksmuseum. Vanwege het ontbreken van een goede expositieruimte en almaar uitdijende stadscollectie, kon het daar echter niet lang blijven. Dit probleem werd in 1890 opgelost, toen de douairière Sophia Adriana Lopez Suasso-De Bruijn haar collectie en vermogen aan de stad legateerde, op voorwaarde dat haar verzameling voor het publiek toegankelijk zou worden. Met de bijkomende financiële schenking van de familie Van Eeghen kon de gemeente Amsterdam in 1891 plannen gaan ontwikkelen een nieuw stadsmuseum te bouwen.

Onderdeel van het Stedelijk Museum In 1896 werd het nieuwe Stedelijk Museum geopend. Na de dood van de eerste conservator Jan Eduard van Someren Brand in 1904, volgde Cornelis Baard hem in deze functie op. Aangevuld met objecten uit het Rijksmuseum en talrijke bruiklenen van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap richtte hij in 1906 een permanente presentatie in met objecten over de geschiedenis van Amsterdam. In 1896 werd de stad nog een museum rijker: het Huis Willet-Holthuysen. De weduwe Willet-Holthuysen liet haar woonhuis na aan de Herengracht 605, inclusief de kunstcollectie van haar echtgenoot, op voorwaarde dat aldaar een museum zou komen dat hun beider naam zou dragen. Vanaf 1932 vielen zowel Stedelijk Museum als Huis Willet-Holthuijsen onder de directie Dienst Gemeentelijke Musea.

Oprichting Amsterdams Historisch Museum thumb|upright 1.2|Een openluchtconcert door ESMG Quadrivium in 2010 op een van de binnenplaatsen van het Burgerweeshuis. Het plan om in de Waag een museum met 'Amstelodamensia' te openen, zoals Cornelis Baard het omschreef, ontstond al voor de Eerste Wereldoorlog. Baard wilde graag een einde maken aan de onoverzichtelijkheid van de collecties in het Stedelijk Museum. Door de historische collectie elders onder te brengen hoopte hij zich met het Stedelijk Museum meer te kunnen richten op de moderne kunstcollectie. Door de oorlog duurde het tot 1925 totdat dit idee weer voldoende aandacht kreeg. Aanleiding was de grote herdenkingstentoonstelling bij het 650-jarig bestaan van Amsterdam. Op 2 november 1926 werd in de Waag het Amsterdams Historisch Museum geopend, mede dankzij een financiële donatie van de dames M.C. en C. van Eeghen. Het museum viel toen nog onder het beheer van het Stedelijk Museum, maar had wel een eigen Commissie van Advies.

Hoewel al voor de Tweede Wereldoorlog, toen bekend werd dat het Burgerweeshuis aan de Kalverstraat vrij zou komen, ideeën waren ontstaan om het museum hiernaartoe over te plaatsen, duurde het nog tot 1962 dat B&W het besluit nam om de inmiddels leegstaande gebouwen met dat doel te kopen. In 1963 kreeg het Amsterdams Historisch Museum, dat tot dan toe als een soort historische dependance van het Stedelijk had gefunctioneerd, voor het eerst een eigen directeur, dr. Simon Levie. Hij kreeg tevens de leiding over Huis Willet-Holthuysen. Op 27 oktober 1975 kon het volledig gerestaureerde gebouwencomplex door koningin Juliana voor het publiek worden geopend. Begin jaren tachtig vond tijdens het directoraat van Bob Haak de definitieve splitsing plaats tussen Stedelijk en Historisch Museum.

Van historisch museum naar modern stadsmuseum Op 1 januari 2009 trad Paul Spies aan als directeur. Met de gelijktijdige verzelfstandiging van het museum en de komst van de nieuwe directeur ging het museum een nieuwe fase in. Dit kwam in 2011 onder meer tot uitdrukking in de nieuwe naam, het Amsterdam Museum, waarmee het de nieuwe identiteit tot uitdrukking wou brengen: een hedendaags stadsmuseum als ontmoetingsplek voor alle bewoners en bezoekers van de stad. In de loop van 2011 werd de vaste opstelling, waaronder de Schuttersgalerij, ingrijpend herzien. Behalve met voorwerpen werd in de nieuwe permanente presentatie getiteld Amsterdam DNA de stadsgeschiedenis vertelt met veel multimedia. Ook kwam er een presentatie voor kinderen over de tijd van het Burgerweeshuis. Voorts werd er intensiever samengewerkt met de Grachtenmusea en Buurtmusea elders in Amsterdam.Amsterdam Museum zonder Historisch, Het Parool, 23 december 2010. Gearchiveerd op 13 oktober 2015. De tentoonstelling 'Hollanders van de Gouden Eeuw' in de Hermitage Amsterdam kwam ook uit de koker van het Amsterdam Museum.Website over tentoonstelling Hollanders van de Gouden Eeuw

Op 12 september 2019 stopte het museum met het gebruik van de term Gouden Eeuw om daarmee de periode van de zeventiende eeuw in de Noordelijke Nederlanden aan te duiden. Het museum was van oordeel dat een term als Gouden Eeuw niet van toepassing is op veel negatieve kanten uit die periode als "armoede, oorlog, dwangarbeid en mensenhandel". Die negatieve aspecten werden volgens het museum bij het uitdragen van de omschrijving Gouden Eeuw genegeerd. Het museum paste de titel "Hollanders van de Gouden Eeuw" in de Amsterdam-vleugel in de Hermitage Amsterdam aan naar "Groepsportretten van de 17e eeuw".Amsterdam Museum gebruikt term 'Gouden Eeuw' niet meer, amsterdammuseum.nl (geraadpleegd op 12 september 2019). Gearchiveerd op 13 december 2021.

Directeuren Cornelis Baard, 1905-1936 David Röell, 1936-1945 Willem Sandberg, 1945-1963 Simon Levie, 1963-1975 Bob Haak, 1975-1986 Udo Vroom, 1986-1989 Carry van Lakerveld, 1989-1992 (adjunct-directeur) Pauline Kruseman, 1992-2009 Paul Spies, 2009-2016 Judikje Kiers, 2016-heden, vanaf 2019 samen met artistiek directeur Margriet Schavemaker.

Toekomstplannen Nadat was uitgewezen dat het Burgerweeshuis ongeschikt was voor het functioneren als museum, kreeg Judikje Kiers in 2016 bij haar aanstelling tot directeur als taak het museum op een andere locatie te vestigen. Na een periode van bezinning kwam zij in 2017 echter met een ander plan. Voornaamste reden was dat het Burgerweeshuis volgens haar juist een 'gouden plek' is voor het stadsmuseum. Kiers overtuigde de gemeente ervan dat er nog mogelijkheden lagen in een ingrijpende verbouwing van het pand.Amsterdam Museum blijft graag in haar stadslabyrint, De Volkskrant, 20 april 2017 Intussen zou het werkterrein worden vergroot door als netwerkmuseum samenwerkingen aan te gaan met verschillende Amsterdamse partnerinstellingen. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat de verbouwing van het Burgerweeshuis in 2025 zou zijn gerealiseerd, tijdens de 750-ste verjaardag van de stad. Door juridische verwikkelingen raakte de oorspronkelijke opleverdatum, in 2025, buiten beeld. Met de feitelijke renovatie kon pas recent worden gestart; de verwachting eind 2025 was dat het museum in 2029 zal terugkeren in het Burgerweeshuis.Over het Amsterdam Museum amsterdammuseum.nl (geraadpleegd op 14 december 2025).

Verbouwing