De Tasmaanse duivel (Sarcophilus harrisii) (ook wel buidelduivel) is een vleesetend buideldier uit de familie echte roofbuideldieren (Dasyuridae). Deze soort is het grootste nog niet uitgestorven vleesetende buideldier. Hij is endemisch op het Australische eiland Tasmanië. Hij is zo groot als een kleine gedrongen hond, mannetjes wegen 9 kg en vrouwtjes 6 kg. Het is een aaseter van grote zoogdieren en opportunistische predator van gewervelde dieren.

Tot eind jaren 1990 leefden deze dieren in het wild gemiddeld 3-4 jaar. Vanaf dat moment begonnen als gevolg van een dodelijke vorm van kanker grote aantallen, voornamelijk volwassen dieren te sterven. De ziekte wordt overgedragen door beten. Deze Devil facial tumour disease (DFTD), een neoplasie van zacht weefsel die meestal eerst op de kop wordt gezien, doodt steevast binnen 6 maanden na het optreden van de eerste symptomen. In de eerste 20 jaar na het begin van DFTD-epidemie is de populatie met ruim 80% teruggevallen. De status van de Tasmaanse duivel is veranderd van niet-bedreigd naar bedreigd, en er wordt rekening mee gehouden dat de soort zal uitsterven.

Beschrijving Aan de drogere noordoostkust wegen mannetjes gemiddeld 10,2 kg, ongeveer 50% zwaarder dan de vrouwtjes van gemiddeld 7,1 kg. Dieren die op grote hoogte of in subalpiene gebieden leven, zijn kleiner. Daar wegen de mannetjes gemiddeld 8,4 kg en vrouwtjes gemiddeld 5,4 kg. Twee- tot driejarige mannelijke Tasmaanse duivels uit het zuidwesten van Tasmanië wegen gemiddeld 8,2 kg, vrouwtjes 6,1 kg. Gezonde dieren hebben vaak aanzienlijke hoeveelheden lichaamsvet, vooral in de huid, de buik en de staart. Mannetjes zijn in totaal 75-97,5 cm lang waarvan staart van 22-28,5 cm, met de achterpoot van 8,2-10,8 cm en het oor is 4,7-8 cm lang. Het vrouwtje is in totaal 71-84 cm lang waarvan de staart 21,5-26,5 cm, met de achterpoot 7,7-10,2 cm en het oor is 4,4-7,3 cm lang.

thumb|Tasmaanse duivels hebben bijna altijd een witte vlek, meestal op de borst, maar zijn soms geheel zwart De Tasmaanse duivel is het grootste nog levende vleesetende buideldier (ervan uitgaande dat de buidelwolf inderdaad is uitgestorven). Duivels hebben een korte, glanzende, zwarte vacht (3 cm lang), met zachte dekharen en een dunne, zachte ondervacht. De vacht in de okselgebieden is dun en die op de oren, indien aanwezig, is kort en fijn. De haren op de staart zijn ongeveer 6 cm lang. Bij oudere dieren, met name mannetjes, wordt de vacht dunner op het gezicht, de staart en de stuit. Sommige individuen hebben een duidelijke roodachtige tint in hun vachtkleur, die bijna roodbruin kan zijn op de staart en rond de oren. Ruitvormige witte vlekken, het vaakst te vinden op de borst, dan de stuit en het minst op de schouders en ribben, zijn zeer variabel en individueel uniek. Ongeveer 13% van de individuen is helemaal zwart. Duivels zijn zo groot als een kleine, gedrongen hond, met korte poten, een staart die half zo lang is als de kop en het lichaam, een brede kop op een dikke nek en ronde oren. Vet wordt opgeslagen in de staart, die bij grote mannetjes meer dan 5 cm breed kan zijn aan de basis en meestal het dikst is op ongeveer 5-6 cm van de basis. Wonden en littekens komen vaker voor bij mannetjes dan bij vrouwtjes, waarschijnlijk het resultaat van agressie in de competitie om voedsel en wanneer er tijdens de copulatie een conflict is met zowel partners als andere concurrerende mannetjes. Wonden aan de kop kunnen levensbedreigend zijn, waarbij de kaakspieren worden afgescheurd en de tanden bloot komen te liggen. De staart van oudere dieren is vaak zwaar beschadigd en soms verkort, alsof hij is afgebeten. Naast de grote en talrijke naar achteren stekende zwarte snorharen van de Tasmaanse duivel zijn er ook enkele tastharen op de onderkaak en in de wenkbrauwen. De tastharen op de wang, meestal ongeveer 12, komen uit een bijna cirkelvormig gebied en strekken zich uit voorbij de oren tot aan de nek. De grote stijve snorharen die op de vlezige delen aan beide kanten van de snuit staan, zijn even lang en stijf, en soms kronkelig. De neusholte is groot, breed, gegroefd, kaal en meestal nat. Het oor is hoger dan breed en met een brede basis aan de kop bevestigd. De oorschelp heeft talrijke richels en plooien die de gehooropening aan de basis van de onderste groef kunnen bedekken.

Het hele eeltkussen van de voorvoet is bedekt met een patroon van grove schubben en rust op de grond. De tweede, derde en vierde vingers van de voorvoet zijn langer dan de duim en de pink. Alle vingers zijn relatief lang met lange scherpe klauwen die niet sterk terug gebogen zijn. De voorvoet is soepel en kan grijpen. De achtervoet heeft een minder flexibel eeltkussen dat doorloopt tot aan de hiel. De hiel, een belangrijk contactpunt bij het klimmen, wordt soms op de grond geplaatst terwijl de duivel staat, maar hij loopt of draaft op de vingers en tenen. De grote teen is slechts 0,5–1 mm lang. De andere tenen van de achtervoeten zijn lang, sterk geklauwd en even groot, waardoor een kenmerkende vierkante voetafdruk ontstaat. Eeltkussentjes en klauwen zijn meestal zwart, maar zijn bruin of zelfs roze bij individuen met een roodachtige vacht. De Tasmaanse duivel heeft zeven paar homologe chromosomen (2n=14).

Ontwikkeling De draagtijd is ongeveer 18 dagen, met de meeste geboortes in april, maar sommige zelfs pas in juli. Pasgeboren duivels moeten, net als andere buideldieren, vanuit het geboortekanaal in de buidel klimmen en een onbezette tepel vinden of sterven. Omdat pasgeborenen talrijk zijn en er slechts vier tepels zijn, bepaalt natuurlijke selectie (en toeval) welke overleven. Pasgeborenen wegen ongeveer 5 mg met een kruin-stuitlengte van 6 mm, brengen de eerste 90-105 dagen door aan de tepel en blijven daarna nog ongeveer dezelfde tijd in het nest. Jongen worden ongeveer 14-15 weken in de buidel gedragen. Na de lange periode van het leven in de buidel worden de jongen achtergelaten in een met vegetatie begroeide nestkamer van een hol terwijl de moeder op zoek gaat naar voedsel. Meestal in oktober, beginnen de jongen 's nachts zelfstandig het hol te verlaten. Het vrouwtje blijft de jongen nog 4 maanden na het verlaten van de buidel zogen en kan voedsel terugbrengen naar het hol totdat de jongen gespeend zijn, meestal tussen half december en half januari. De jongen leren niet om te jagen en ze vergezellen de moeder 's nachts niet. Hoewel de verspreiding door mannen wordt bepaald, verspreiden sommige jonge vrouwtjes zich wel. Ze verlaten hun holen pas in november permanent en worden gespeend tussen half december en begin februari. Ze worden gespeend na 150-240 dagen of ongeveer 3-4 maanden later dan andere grote echte roofbuideldieren, wordt de volwassenheid bij de meeste vrouwtjes pas bereikt na bijna 2 jaar. Een klein deel van de vrouwtjes plant zich echter in het eerste jaar al voort als ze een gewicht hebben van 4-4,5 kg. Tijdens de eerste weken van hun leven zijn vrouwtjes zwaarder dan mannetjes, maar na 18 maanden is dit patroon omgedraaid en daarna kunnen mannetjes snel in gewicht toenemen. Hoewel mannetjes geslachtsrijp kunnen zijn bij 3,5 kg en het meest compleet volgroeid zijn op 24 maanden, blijven sommige mannetjes groeien tot ze 3-4 jaar oud zijn. Duivels kunnen in het wild tot 8 jaar oud worden, maar in sommige populaties worden er maar weinig ouder dan 3 jaar. Jongeren hebben tot 80% sterfte tijdens hun eerste jaar van onafhankelijk leven, waarbij mannetjes gemiddeld langer leven dan vrouwtjes. Symptomen van fysieke achteruitgang als gevolg van leeftijd verschenen voor het eerst bij duivels die in een dierentuin werden gehouden na 50 maanden. Geleidelijk verlies van evenwicht wat leidt tot totale verlamming van de achterhand, geïnterpreteerd als een leeftijdsgebonden degeneratieve neurologische ziekte, komt vaak voor.

Anatomie thumb|Tasmaanse duivel met opengesperde bek thumb|tekening vooraanzicht schedel Tasmaanse duivel thumb|skelet van de Tasmaanse duivel De schedel van de Tasmaanse duivel onderscheidt zich van die van andere vleesetende buideldieren door zijn massieve botten, relatief korte snuit, brede jukbeenboog, uitgesproken kam over de middellijn van de kop en grote openingen onder de jukboog waar de krachtige kauwspieren doorheen lopen. De hoektanden zijn massief en kiezen kunnen zowel vlees knippen als het vermalen. Het gehemelte heeft een opening. De schedels zijn gemiddeld 13,8 cm lang bij mannetjes en 13,0 cm bij vrouwtjes. De hersenpan is bij mannetjes 2,0 cm breed en bij vrouwtjes 2,1 cm. De grootste breedte ter hoogte van de jukbeenderen is bij mannetjes 11,1 cm en bij vrouwtjes 9,8 cm. De lengte van de tandrij in de bovenkaak is 4,8 cm bij mannetjes en 4,9 cm bij vrouwtjes. De maximale diameter van de bovenste hoektand gemeten langs de kaaklijn is 1,0 cm bij mannetjes en 8,9 cm bij vrouwtjes.

De tandformule van de volwassen duivel is , dat wil zeggen vier snijtanden, een hoektand, twee valse kiezen en vier ware kiezen in elke helft van de bovenkaak, en diezelfde elementen in elke helft van de onderkaak behalve dat er slechts drie snijtanden zijn. Het totaal aantal kiezen bedraagt dus 42. Het gebit weerspiegelt het carnivore dieet van de duivel, maar verschilt fundamenteel van dat van de gebitten van de orde van de roofdieren. De snijtandenrij is dwars. De massieve hoektanden zijn cirkelvormig in doorsnede, vergelijkbaar met alleen enkele soorten beren en grote marterachtigen, maar niet met andere hond- of katachtigen. Deze hoektanden zijn zeer sterk en goed aangepast om botten te eten en misschien grote prooien te grijpen. De valse kiezen zijn van bescheiden formaat, maar de ware kiezen zijn massief. Ze worden van voor naar achter steeds groter en dat geldt ook voor de knobbels op de kiezen. Zoals alle echte roofbuideldieren mist de duivel het gespecialiseerde paar knipkiezen van de placentale roofdieren. Alle vier de kiezen zijn qua structuur vergelijkbaar. Alle kiezen hebben gedeelten voor het snijden van vlees en voor het fijnmalen daarvan, functies die bij placentale roofdieren zijn verdeeld waarbij de voorste kiezen knippen en de achterste malen. Net als bij de buidelratten is het maalgebied bijna afwezig in de achterste kies, die gedurende het hele leven scherp blijft. De verwerking van de botten bij de duivel, waarvoor hyena's een gespecialiseerde kegelvormige 3e valse kies hebben, wordt uitgevoerd door de tweede ware kies. Deze kies verslijt bij oudere dieren.

Duivels hebben een smalle, afgeplatte schedel, net als andere echte roofbuideldieren, maar zijn opmerkelijk vanwege hun kleine herseninhoud en korte snuit. De hersengrootte is minder dan de helft (43%) van wat verwacht wordt op basis van het lichaamsgewicht. De korte snuit, gecombineerd met de uitgesproken kam in de lengte van de schedel, en het wijde jukbeen dat krachtige kauwspieren herbergt, resulteert in een krachtige bijtkracht bij de hoektanden, wat past bij hun verpletterende dodelijke beet op grote prooien. Ook ongebruikelijk bij duivels, is de strikte scheiding van de oogkas met de jukbeenboog, hoewel onduidelijk is wat de functionele betekenis daarvan is.

De duivel heeft korte middenvoetsbeentjes vergeleken met de lengte van het dijbeen, wat aangeeft dat het geen bijzonder snelle renner is, en prooien dus niet in een lange, snelle achtervolging overmeesterd. De verhouding van de lengte van de middenhandsbeentjes tot de kootjes (geassocieerd met loopsnelheid), de verhouding van het haakvormig uitsteeksel dat om het opperarmbeen draait tot de lengte van de ellepijp (wat de rotatie en dus het vermogen om in bomen te klimmen beïnvloedt), en het vlakke profiel van de klauwen (geassocieerd met het vermogen om in bomen te klimmen) zijn allemaal typerend voor op de grond jagende carnivoren.