Taalfilosofie of filosofie van de taal betreft het filosofisch onderzoek naar de aard en het gebruik van de taal in haar relatie tot de werkelijkheid en heeft daardoor raakpunten met de linguïstiek, alhoewel haar onderzoek toch eerder conceptueel dan empirisch is. Hierbij worden natuurlijke talen of formele talen (zoals logica) kritisch en filosofisch bestudeerd en bevraagd. Meestal worden deze in samenhang met de werkelijkheid en het denken van de taalgebruiker beschouwd. De taalfilosofie staat vooral centraal in de analytische filosofie, en wordt daar in vier kernproblemen opgedeeld: Aard van betekenis: wat betekent het om iets te "betekenen". Het gaat hier bijvoorbeeld om wat het betekent synoniemen te zijn, de oorsprong van betekenis en hoe men de betekenis van een woord überhaupt kan kennen. Een andere belangrijke vraag is hoe en op welke wijze zinnen zijn samengesteld uit kleinere gehelen, en hoe deze samenstelling kan leiden tot een betekenisvol geheel. Taalgebruik: men wil begrijpen hoe zenders en ontvangers gebruikmaken van taal in onderlinge communicatie, en dus hoe taal sociaal gebruikt wordt. Meer specifieke vragen gaan over hoe men een taal kan aanleren en creëren. Ook naar de aard van een taalhandeling wordt hier onderzoek verricht. Cognitie van taal: ook willen taalfilosofen begrijpen wat de exacte relatie tussen taal en geest is, en hoe men hierbij dus een gedachte of idee overbrengt van een persoon naar een ander persoon. Specifieker stelt men zich hier ook de vraag hoe een woord "vertaald" kan worden in een andere taal of in andere woorden. Relatie tussen taal en de werkelijkheid: een laatste belangrijke vraag is de relatie tussen enerzijds taal en betekenis, en anderzijds waarheid en de wereld. Het gaat hier niet zozeer om de vraag welke uitspraken waar zijn of niet, maar om de vraag welke soort van betekenissen al dan niet waar of fout kan zijn. Men stelt bijvoorbeeld de vraag of een betekenisloze zin een waarheidswaarde heeft of niet, of de vraag of uitspraken proposities kunnen uitdrukken over dingen die niet bestaan. In de continentale filosofie wordt eveneens veel aandacht aan de taal besteed, maar niet zozeer als onafhankelijke discipline, maar eerder als deel van grotere historische of politieke theorieën.
Geschiedenis De oude Grieken In het Westen gaat de taalfilosofie terug op de oude Grieken in de vijfde eeuw voor Christus, bij de sofisten en bij filosofen als Socrates, Plato, Aristoteles en de Stoa & (red.), "History of the Philosophy of Language", Oxford Companion to Philosophy, Oxford, Oxford University Press, 1995. . Men kan stellen dat de eerste filosofische aandacht voor de taal naar voren kwam in het werk van Parmenides. Deze filosoof stelde dat, als men de termen zijn en niet zijn goed analyseerde, men wel tot het besluit moest komen dat alles wat is is, en datgene wat niet is, niet is. Men kan met andere woorden niet spreken over dingen die niet zijn, want ze zijn niet en zijn dus ook niet denkbaar. Parmenides wijst erop dat de gewone mensen en de vroegere filosofen nooit voldoende aandacht hebben geschonken aan de termen die ze gebruiken. Ze spreken immers hoe iemand zowel iets (bijvoorbeeld sterk) als iets niet is (hij is dus ook niet klein). Parmenides verwerpt hierbij dan ook, na een conceptuele analyse van "zijn", dat er beweging en verandering is. De filosoof Zeno van Elea zal dit verder uitwerken, en klassieke paradoxen opstellen die deze stellingen zouden verdedigen.
thumb|200px|De filosoof Plato was een van de eerste filosofen die zich bezighield met problemen rond de aard van de taal. Filosofen na Parmenides werden dus gedwongen meer aandacht te schenken voor hun concepten en taalgebruik; het was pas bij de sofisten echter, dat de taal echt centraal ging staan. Sofisten waren immers onderwijzers in de welsprekendheid en de retoriek. De kracht van het woord stond centraal in hun denken. Een ander centraal probleem bij de sofisten was de spanning tussen menselijke conventie en natuurlijke gegevenheid. Is een wet bijvoorbeeld louter een menselijke gegevenheid, of is het een natuurwet? Dit pasten ze ook toe op de taal: is de taal, en haar woorden gebaseerd op menselijke conventie, of is het een soort natuurlijk gegeven? Iemand als Protagoras zal daarnaast ook stellen dat er zoiets bestaat als de "natuurlijke geslachten" van woorden, en die kunnen verschillen van de taal zelf., HOOFDSTUK 3: De Sofistiek: Deel 2: Thema's van de Sofistische Beweging: 5. Taal en Wereld, bezocht op 21-03-2012. Volgens Protagoras zou men dus bijvoorbeeld moeten spreken over "de meisje" en niet "het meisje" (want meisje is een woord dat "van nature" vrouwelijk is). De sofist Prodicus dan weer, legde zich toe op het onderzoeken van de aard van synoniemen. Als men synoniemen maar goed genoeg bestudeerde, kon men ontdekken dat er toch subtiele verschillen tussen woorden bestonden, en dus dat ze eigenlijk niet geheel synoniem waren.
Deze aandacht voor concepten, deels als erfenis van Parmenides, deels ter bescherming tegen de sofisten, was ook aanwezig in de filosofie van Socrates en Plato. Zo onderzoekt Plato heel precies de juiste betekenis van een begrip alvorens er verdere conclusies in zijn filosofie aan te verbinden. Zo onderzoekt hij in de Euthyphro bij monde van Socrates het begrip 'vroomheid' en in de Phaedo wordt de status van algemene begrippen onderzocht. Ook in Cratylus is zijn bezorgdheid om de preciesheid van de taalexpressie evident: de discussie gaat hier over de relatie tussen woorden en de begrippen of zaken waar ze naar verwijzen. Aristoteles houdt zich dan weer vooral bezig met logica, categorieën en het ontstaan van betekenis. Zo deelde hij alle bestaande dingen op in categorieën van species en genus. Hij dacht dat de betekenis van een bepaald predicaat (zoals rood) tot stand kwam door de abstractie van de gelijkenissen die men zag in de individuele dingen. Later zal deze visie bekendstaan onder de term nominalisme., Porphyry: On Aristotle, Categories. Ithaca: Cornell University Press, 1992. . Aristoteles was echter ook van mening dat deze gelijkenissen ontstonden uit de werkelijke vorm die in alle dingen aanwezig was, en was dus op deze wijze ook een realist.
De Stoïcijnen hebben ook bijdragen geleverd op vlak van de analyse van grammaticale structuren, en zo onderscheiden ze vijf onderdelen van de taal: zelfstandige naamwoorden, werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden (epitheta), voegwoorden en lidwoorden. Daarnaast ontwikkelden zij ook de complexe doctrine van de lektón dat met elk teken is verbonden, maar toch apart staat van zowel het teken zelf als het ding waarnaar het teken verwijst. Deze lektón was de "betekenis" van zo'n teken. Tegenwoordig zal men dit dan ook eerder een propositie noemen. Deze proposities werden beschouwd als de enige waarheidsdragende termen (termen die waar of onwaar kunnen genoemd worden), terwijl zinnen louter werden opgevat als de wijze waarop deze proposities konden worden uitgedrukt. Verschillende lektá konden ook andere zaken uitdrukken, zoals een bevel, een vraag of een uitroep., Stoic Logic. Berkeley: University of California Press, 1953. Dit zou men tegenwoordig het illocutionaire deel van de taal noemen.
Middeleeuwen Ook in de middeleeuwen hadden verscheidene filosofen interesse in de complexe kenmerken van taal, en in haar gebruik. Voor vele scholastische filosofen kwam deze interesse er door de vertaling van Griekse teksten in het latijn. Iemand als Petrus Abaelardus zou zo volgens sommigen al geanticipeerd hebben op het onderscheid tussen betekenis en referent (of verwijzing) zoals bij Gottlob Frege verwoord, maar dit wordt wel betwist., Peter Abelard. Stanford Encyclopedia of Philosophy. Bezocht op 21-03-2012 Een ander belangrijk middeleeuws filosoof was William van Ockham, die in zijn Summa Logicae een eerste aanzet deed om de mentale taal in kaart te brengen., "Is there Synonymy in Occam's Mental Language?" in The Cambridge Companion to Ockham (red.), Cambridge:Cambridge University Press, 1999.
In de late scholastiek, met filosofen als Ockham en John Duns Scotus, werd de logica beschouwd als scientia sermocinalis (wetenschap van de taal). In hun werk vinden we dan ook een uiteenzetting van taalfilosofische begrippen die in de latere taalfilosofie centraal zullen staan. Verder werd er ook veel onderzoek gedaan naar fenomenen zoals de vaagheid en de dubbelzinnigheid van woorden, en verder ook de aard van woorden als "en", "of", "niet" en "elke". Een van de belangrijkste noties die hier ontwikkeld werd, was de doctrine van de suppositio., & , Cambridge History of Later Medieval Philosophy. Cambridge: Cambridge University Press, 1982. De suppositio van een term was de specifieke interpretatie van die term in een specifieke context. Deze kan dan zowel "gepast" als "ongepast" zijn. Ongepast is hij bijvoorbeeld wanneer hij wordt gebruikt in een metafoor, metonymie en in andere beeldspraak. Een gepaste suppositio kan op zijn beurt worden ingedeeld in een formele en materiële variant, naargelang het verwijst naar de buitentalige referent ('bijvoorbeeld "Jan is een man") of als het zelf een talige entiteit is (als in "het woord 'Jan' telt drie letters"). Vandaag de dag staat dit bekend als het onderscheid tussen taal en metataal.
Breder eigenlijk paste deze taalfilosofische overpeinzingen in het klassieke debat van universalia. We gebruiken in ons taalgebruik algemene woorden zoals "de mens" of "de stoel". De vraag is nu wat de werkelijkheidswaarde van zulke algemene begrippen is. Bestaan deze universalia onafhankelijk ergens in de realiteit of bestaan er slechts de particuliere gevallen? Het eerste standpunt, vaak realisme genoemd, gaat oorspronkelijk terug op Plato en zijn ideeënleer, "The Medieval Problem of Universals", The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Winter 2008 Edition), (ed.),, en wordt ook door vele filosofen in de middeleeuwen verdedigd. In de latere middeleeuwen, in het werk van Ockham of Roscellinus van Compiègne werd echter de positie van het nominalisme verdedigd, namelijk dat de algemene begrippen enkel in ons hoofd zitten, en dus iets mentaal zijn. Iemand als Petrus Abaelardus zal dan weer de middenpositie van het conceptualisme uitwerken.
Moderne tijd Taalfilosofen in de Renaissance en de Barok, zoals Johannes Goropius Becanus, Athanasius Kircher en John Wilkins waren van mening dat een filosofische of ideale taal de verdeeldheid van talen in de wereld kon terugdraaien. Dit kwam mede door de confrontatie met het Chinese schrift en Egyptische hiërogliefen. In de achttiende eeuw ontstond er ook een grotere interesse in de Indische talen zoals het Sanskriet in het werk van personen als Jean François Pons en Henry Thomas Colebrooke.
In het werk van klassieke Moderne filosofen zoals René Descartes en Baruch Spinoza verdween de taalfilosofie meer op de achtergrond en verschoof de aandacht eerder naar de metafysica en de epistemologie. Ook het werk van Immanuel Kant richt zich vooral op de structuren van het denken en het verwerven van kennis. Uitzonderingen kunnen wel gevonden in het werk van de Britse empiristen, zoals David Hume en John Locke en de latere John Stuart Mill die zich nog wel inlieten met de vraag waar de betekenis van een woord vandaan komt.
Een apart geval is de Deense filosoof Søren Kierkegaard, die pleitte voor een grotere rol in de Westerse filosofie. Hij wijst erop dat de taal een veel grotere rol speelt in het denken, en dat de verdere filosofie hier meer aandacht aan moet schenken. Hij schrijft: