De Geschiedenis van Domburg beslaat de geschiedenis van de huidige plaats Domburg op het eiland Walcheren in de Nederlandse provincie Zeeland.
De hier beschreven geschiedenis is opgedeeld in vier delen: Domburg in de Romeinse tijd, in de vroege middeleeuwen, de late middeleeuwen en ten slotte het meest recent de ontwikkeling van de badplaats Domburg.
Nehalennia thumb|Nehalennia-altaar In de Romeinse tijd werd de Nehalennia-tempel gebouwd. Deze werd na de 7e eeuw bedolven onder duinzand om in de 17e eeuw weer aan de oppervlakte te komen. Door het verder afkalven van de kust kwam zij al spoedig onder water te liggen. Schippers beschouwden Nehalennia als beschermgodin en maakten, na de zeeën getrotseerd te hebben, een stenen gedenkschrift.
In de winter van 1647 kwamen na zware afslag aan de voet van de duinen de restanten van een heiligdom tevoorschijn in de vorm van een groot aantal altaar- of votiefstenen die waren voorzien van Latijnse inscripties van Romeinen die de stenen 'votum solvit libens merito' ofwel 'graag en met reden en volgens belofte' hebben opgericht voor verschillende goden. Het merendeel van de stenen was gewijd aan de inheemse godin Nehalennia, maar ook waren er stenen voor Neptunus, Jupiter, Hercules en een standbeeld van Victoria. Een enkele steen was gewijd aan de inheemse godin Burorina. Deze steen werd ten minste in 1756 of 1757 bij een verbouwing aangetroffen in het huis Laterdale aan de markt.
Veel van de stenen laten in een nis een afbeelding zien van Nehalennia met vruchten en met een hond, symbolen van voorspoed en vruchtbaarheid. Vaak wordt de godin zittend afgebeeld, maar soms ook staand met één voet op het voorplecht van een schip en met een roer in haar handen. Zij moet gezien worden als beschermvrouwe van handelaren en zeevarenden, zoals ook is gebleken uit inscripties van vergelijkbare altaarstenen die vanaf 1970 bij Colijnsplaat uit de Oosterschelde zijn gevist. De enige inscriptie van de Domburgse altaarstenen die expliciet is over het beroep van de schenker is de steen die Marcus Secundarius Silvanus voor Nehalennia oprichtte. Hij handelde met Brittannië in aardewerk.
Over de tempel zelf bestaat weinig zekerheid. Volgens de 17e-eeuwse Zeeuwse historicus Smallegange was uit het patroon van de vondsten af te leiden dat de tempel rond moet zijn geweest. Na verdere afslag van de duinen kwam rond 1700 echter een rechthoekige vloer tevoorschijn. In de omgeving van de tempel werden verder boomstronken en munten gevonden. Niet alle resten zijn uit de Romeinse tijd. Zo zijn er bij de munten Angelsaksische sceattas uit de 7e eeuw aangetroffen.
Ook resten van Romeinse militaire activiteit zijn bij Domburg gevonden. Op het strand tussen Domburg en Vrouwenpolder zijn tweemaal stukken van dakpannen met het stempel van de Romeinse vloot voor Germanië aangetroffen. Wellicht heeft zich hier dus een steunpunt voor die vloot bevonden. Op het strand van Westkapelle is in 1514 een altaarsteen gevonden met een wijding aan Hercules Magusanus, de god van de Bataven van wie velen in het Romeinse leger dienden. De lokale bewoners waren waarschijnlijk Menapiërs.
De gevonden altaarstenen werden gedurende vele jaren bewaard in de kerk. Bij een grote brand van de kerk in 1848 en bij het puinruimen daarna zijn de stenen zwaar beschadigd. Gelukkig had juist daarvoor een conservator van het Leidse Museum voor Oudheden de stenen laten tekenen en daarvan een platenatlas uitgegeven. De restanten van de stenen zijn nadien overgedragen aan het Koninklijk Zeeuws Genootschap der Wetenschappen en tegenwoordig in bruikleen gegeven aan het Zeeuws museum. Een intact exemplaar, in 1781 weggeschonken door Johan Adriaan van de Perre, bevindt zich in het Museum Kunst & Geschiedenis van Brussel.
Middeleeuwen Walichrum In de duinen ten noordoosten van Domburg lag in de vroege Middeleeuwen de handels- en havenplaats Walichrum (Walacria) die in de 8e eeuw een bloeiperiode moet hebben doorgemaakt. Dat wordt afgeleid uit de vele muntvondsten die in de loop der jaren op het strand zijn gedaan. De naam van deze plaats moet zijn samengevallen met de aanduiding van het eiland Walcheren. Van Heeringen (zie bronnen) meent dat de oudste kerk van Walcheren, eind 7e eeuw gesticht door Willibrord op de plek waar hij een afgodsbeeld had vernield,L.v.d.Tuuk (2015), Vikingen, Omniboek, Utrecht, 2016, p. 170 hier heeft gestaan vanuit welke kerk voor 1067 de dochterkerken Oostkapelle en Westkapelle zijn gesticht. Onder invloed van inpoldering en de toegenomen agrarische betekenis van het achterland van de duinstrook is het zwaartepunt van het eiland later verplaatst naar Middelburg.
Met betrekking tot de moederkerk van Oost- en Westkapelle bestaat ook de verouderde opvatting (Kesteloo) dat de oude naam Kerkwerve van de grond ten zuidwesten van Domburg wijst op een kerkstichting uit de tijd van Willibrord.
Duinburcht thumb|Voormalig gebouw 't Groentje, op de locatie waar eens het centrum van de duinburcht lag De oudere bewoning van de omgeving ten spijt zou men kunnen stellen dat Domburg is gesticht door de mensen die in het laatste kwart van de 9e eeuw de ringwalburg of 'duinburg' hebben opgeworpen waaraan door verbastering Domburg zijn naam dankt. Dat zulk een burg, evenals in Middelburg en Souburg, bestaan moest hebben werd al langer op grond van historisch-geografische argumenten vermoed. Bij opgravingen in 1991 en de jaren daarna op onder andere het terrein van het Badhotel is deze van plaggen en hout gebouwde burg ook daadwerkelijk gevonden. Met een diameter van 265 meter was het de grootste van de drie Walcherse ringwalburgen. Het centrum van de burg bevond zich bij het kruispunt Wijngaardstraat - Badstraat.
De ringburgwal wordt in verband gebracht met aanvallen van Vikingen in de 9e eeuw en zou in opdracht van Karolingische koningen als vluchtburg voor de bevolking kunnen zijn gebouwd. Zo is bekend dat in 837 de Vikingen in Walichrum hebben huisgehouden en ene graaf Eggehard en de Deense hertog Hemming (de broer van Harald Klak) hebben gedood. Er was een rijke buit en er werden veel vrouwen in gevangenschap weggevoerd. In 841 is de streek zelfs in leen gegeven aan de Noorman Heriold (Harald junior, de neef van Hemming nota bene), maar serieuze archeologische resten van Noormannen zijn niet gevonden. Terwijl Walcheren toch decennialang een waar 'piratennest' is geweest. De Vikingen hadden in de haven hun vloot, waarmee ze naar Oost-Engeland vaarden en plundertochten organiseerden in het Scheldegebied. De haven werd ook door Friese vrachtvaarders gebruikt. Walacria was de bekendste haven van het zuidelijke Noordzeebekken. De suggestie van een enkele historicus dat de burg van Walacria juist als uitvalsbasis door Noormannen kan zijn opgeworpen wordt minder waarschijnlijk gevonden. Lodewijk de Vrome bouwde er een versterking.L.v.d.Tuuk, Vikingen, p. 172
De handelsnederzetting is door de zee verzwolgen. Er zijn grafvelden met talloze sarcofagen gevonden. De graven toonden rijke bijgiften, die de welstand (en heidense gewoonten) van de bevolking weerspiegelen. De laatste resten verdwenen in de 19e eeuw.L.v.d.Tuuk, Vikingen, p. 169
De burg die aanvankelijk niet een woonfunctie schijnt te hebben gehad is in de loop van de 10e eeuw aan de binnenzijde opgehoogd en bewoond geraakt volgens het nog steeds bestaande stratenpatroon. thumb|Kasteel Westhove
Dumburg De oudste vermelding van Dumburg is op een goederenlijst van de abdij van Echternach omstreeks 1200. Er is in de 13e eeuw vanuit kerkelijk oogpunt nog sprake van twee Domburgen: Dumburgh infra castellum (binnen de versterking) en Dumburgh extra castellum (buiten de versterking) die ook worden aangeduid als Oost- en West-Domburg. Het is een onderscheid dat voor het laatst in een oorkonde van 1363 wordt aangetroffen. Beide gemeenschappen hadden een kerk. Die van West-Domburg was een dochterkerk van Westkapelle en gewijd aan Sint Jan. Dit is de nog bestaande inmiddels protestantse kerk. De kerk van Oost-Domburg was een dochterkerk van Oostkapelle en gewijd aan Sint Agatha. Zij stond waarschijnlijk aan de zuidkant van 't Groentje en werd voor 1325 met toestemming van de bisschop van Utrecht afgebroken en mogelijk heropgebouwd op de plaats van de huidige kerk van Aagtekerke. thumb|Boulevard Van Schagen
Stad en ambacht De Hollandse graaf Floris IV en de burggraaf van Zeeland Dirck van Voorne verleenden Domburg en Westkapelle in 1223 stadsrechten. Die vroege verheffing valt niet los te zien van de Loonse Oorlog die de Hollandse graven gedwongen had van Zeeland hun thuisbasis te maken. Domburg had echter nimmer zitting in de Staten van Zeeland en werd om die reden een smalstad genoemd. In de positie van Domburg als 'vrije' grafelijke stad kwam verandering toen de graaf in 1453 Domburg met Vlissingen en Westkapelle verpandde en later in eeuwigdurende erfleen uitgaf aan de familie Van Borssele die reeds heren van Veere waren. Sindsdien had de stad tot de definitieve afschaffing van de heerlijke rechten in 1848 rekening te houden met opeenvolgende heren van Domburg die op vele manieren invloed hadden op het stadsbestuur.
Daarnaast bestond sinds oudsher het ambacht Domburg dat het platteland van Domburg bestreek met grote delen van Aagtekerke en los van de stad Domburg zijn eigen bestuur kende. Als Domburg-buiten werd het onderscheiden van Domburg-binnen.
Badplaats thumb|Gezicht op het centrum thumb|Strand bij Domburg
Eerste zeebaden Al vroeg kwamen stedelingen uit Middelburg ’s zomers spelerijdend de kust bezoeken en zich vermaken in de lokale herbergen. Zij bouwden er in de 17e en 18e eeuw zomerverblijven en soms heuse lusthoven. De geschiedenis van Domburg als badplaats begint pas echt in 1834 als twee Middelburgse families besluiten om met badkoetsen een zeebad te nemen. Zij waren Domburgs eerste badgasten en kennelijk geïnspireerd door een bezoek aan Scheveningen, waar vanaf 1818 zeebaden werden aangeboden vanuit het badhuis van Jan Pronk. De goede contacten van de initiatiefnemers van het eerste zeebad met mr J.J. Slicher, die heer van Domburg was, en met Haagse kringen, hebben ertoe geleid dat zij na een fondsenwerving onder de Walcherse elite en met een bijdrage van Koning Willem I in 1837 het eerste Badpaviljoen konden bouwen. De badplaats bleef daarna met vallen en opstaan, zoals met de opening van het Badhotel in 1866, langzaam groeien. De kring van badgasten bleef echter beperkt tot de kleine Zeeuwse stedelijke en adellijke elite, want voor de meeste mensen was zulk een uitstapje niet betaalbaar en Walcheren bovendien moeilijk bereikbaar. Met de verbetering van de verbindingen na 1870 door de aanleg van de spoorlijn Roosendaal-Vlissingen en de aansluitende dienst van de Stoomvaart Maatschappij Zeeland op Engeland kwam daarin verandering en arriveerden in Domburg in toenemende mate badgasten uit andere delen van Nederland, België, Engeland en Duitsland.
Badplaatsbelangen Belangrijk voor het oogsten van de mogelijkheden die de nieuwe verbindingen boden waren de inspanningen van de actieve gemeentesecretaris H.M. Kesteloo bij de oprichting in 1880 van een Comité tot bevordering van de belangen der badplaats Domburg en vanaf 1883 de wekelijkse uitgifte, gedurende de dertien weken van het zomerseizoen, van het Domburgsch Badnieuws waarin een lijst met aangekomen vreemdelingen werd gepubliceerd. De nieuw aangestelde gemeente- en badarts dr. J.M. Janssen vertaalde in 1883 bovendien vanuit het Duits het boekje De beteekenis en het gebruik der zeebaden, in verband beschouwd met het Noordzeebad Domburg dat oorspronkelijk door een badarts van Norderney was geschreven.
Bouwen in de duinen