thumb|300px|Oost-Friesland volgens de historische en culturele afbakening, met de belangrijkste steden Oost-Friesland (Duits: Ostfriesland, Nedersaksisch: Oostfreesland (uitspraak: [Oustfrijsland]), Saterfries: Aastfräislound) is een streek in het uiterste noordwesten van de Duitse deelstaat Nedersaksen, grenzend aan de Waddenzee in het noorden en aan de Nederlandse provincie Groningen in het westen. Tot het gebied behoren ook de Oost-Friese Waddeneilanden. Belangrijke plaatsen zijn Aurich, Emden, Leer, Norden en Wittmund. Oost-Friesland had op 1 januari 2021 in totaal 468.919 inwoners.

Afbakening Hoewel Oost-Friesland als culturele regio alom bekend is en geaccepteerd wordt, vormt het geen bestuurlijke eenheid meer. Mede daardoor bestaat er geen duidelijke afbakening van het gebied. Doorgaans wordt met Oost-Friesland het gebied bedoeld dat onder het werkgebied van de Ostfriesische Landschaft valt, de opvolger van de feodale standenvergadering en een semi-politieke organisatie die zich bezighoudt met terreinen als cultuurbeleid, sociale zaken, onderzoek en onderwijs. Dit gebied bestaat uit de huidige Landkreisen Aurich, Leer en Wittmund en de kreisfreie Stadt Emden. Historische hoofdstad van Oost-Friesland en thans nog zetel van de Ostfriesische Landschaft, is Aurich. Er zijn momenteel discussies gaande over een mogelijke samenvoeging tot één Landkreis Ostfriesland.

Het Oost-Friese schiereiland (Ostfriesische Halbinsel) bestaat behalve deze vier Landkreisen ook uit het oostelijker gelegen Landkreis Friesland en de kreisfreie stadt Wilhelmshaven. Deze behoren van oudsher tot het Groothertogdom Oldenburg en vormen het Oldenburgische Friesland. De bewoners identificeren zich dan ook niet als Oost-Friezen.

Geografie Oost-Friesland heeft een oppervlakte van 3142 km² en ruim 465.000 inwoners (ter vergelijking: de Nederlandse provincie Friesland meet 3349 km² en heeft 645.000 inwoners). Het gebied is met 148 inwoners per km² relatief dunbevolkt.

Landschap De regio kenmerkt zich door een landschap dat voor Duitsland afwijkend, maar voor Nederlanders en Vlamingen vrij herkenbaar is: vlak met veel weilanden. De volgende landschapstypen worden onderscheiden: Duinlandschap op de Waddeneilanden Waddenzee met een getijdenlandschap Polderlandschap in de kustgebieden en langs de rivieren Coulisselandschap met houtwallen verder het 'binnenland' in Veenkoloniaal landschap met lintbebouwing langs de Wieken (wijken, veenkanalen) niet ontgonnen laag- en hoogveengebieden

Er zijn landinwaarts bosgebieden te vinden. Er worden plannen ontwikkeld om landbouwgebieden te bebossen en zo het bosareaal te vergroten.

Streken Oost-Friesland valt historisch uiteen in negen landstreken: Aurikerland Broekmerland Harlingerland Krummhörn Lengenerland Moormerland Norderland Overledingerland Reiderland

Infrastructuur Wegen Oost-Friesland is bereikbaar via drie hoofdverkeersassen: A28 Leer - Oldenburg in oostelijke richting A31 Emden - Leer - Emsland - Ruhrgebied in zuidelijke richting A280 Weener - Nederlandse grens (verder als de Nederlandse A 7) in westelijke richting

Andere belangrijke wegen zijn de regionale wegen: B70 Leer - Papenburg - Meppen - Lingen - Rheine - Borken - Wesel (noord-zuidverbinding parallel aan A31) B72 Cloppenburg - Aurich - Norden - Norddeich (veerhaven) B210 Emden - Wilhelmshaven (oost-westverbinding).

Spoorwegen De stad Leer is het spoorwegknooppunt van de regio. Hiervandaan lopen vier van de vijf Oost-Friese spoorlijnen: Leer - Emden - Norden - Norddeich in noordelijke richting (DB), met in Emden een kleine zijtak naar Emden Außenhafen waarover beperkt treinverkeer plaatsvindt Leer - Oldenburg - Bremen in oostelijke richting (DB) Leer - Papenburg - Rheine - Ruhrgebied in zuidelijke richting (DB) Leer - Groningen in westelijke richting (Arriva, Wiederline) Esens - Wittmund - Jever - Sande - Wilhelmshaven (NordWestBahn) als zijtak van de spoorlijn Oldenburg - Wilhelmshaven

Ondanks al deze spoorlijnen zijn er slechts elf treinstations in Oost-Friesland: Burhafe Emden Hbf Emden Außenhafen Esens (Ostfriesland) Leer (Ostfriesland) Marienhafe Norden Norddeich Norddeich Mole Weener Wittmund

Daarnaast is er een museumspoorlijn, de Museumseisenbahn Küstenbahn Ostfriesland, tussen Norden en Dornum.

Waterwegen en -verkeer De belangrijkste waterlopen zijn de rivier de Eems, met als zijrivier de Leda, en het Eems-Jadekanaal. Daarnaast zijn er in de veengebieden diverse kleinere kanalen.

Emden heeft verreweg de grootste haven van de regio en is tevens vertrekpunt voor veerboten naar Borkum. Leer en Weener zijn historische havenstadjes langs de Eems. Kleinere veerhavens langs de kust zijn: Greetsiel Norddeich (veerdienst naar Juist, Norderney en Baltrum) Neßmersiel (veerdienst naar Baltrum) Dornumersiel Bensersiel (veerdienst naar Langeoog) Neuharlingersiel (veerdienst naar Spiekeroog) Carolinensiel/Harlesiel (veerdienst naar Wangerooge)

Tevens bestaat er een beperkte veerdienst bij de monding van de Eems tussen de plaatsen Ditzum en Petkum.

Geschiedenis

Oost-Friesland was een tot de Nederrijns-Westfaalse Kreits behorend graafschap en later vorstendom binnen het Heilige Roomse Rijk.

Inleiding De streek heeft een bewogen geschiedenis. In de vroege middeleeuwen werd het tot woongebied van Friezen uit West-Friesland (de latere provincie Noord-Holland) en de latere Nederlandse provincies Friesland en Groningen. In de 12e en 13e eeuw vormden de inwoners van het Friese gebied tussen Vlie en Wezer het verbond van de Opstalboom. Als zodanig was Friesland een uit kleine autonome eenheden bestaand gebied, zonder feodale overheersing, waarin niettemin een gezamenlijke wetgeving werd ontwikkeld en toegepast. Vanuit Oost-Friesland zijn ook het Saterland en de landschappen Land Wursten en Land Würden oostelijk van de Wezer gekoloniseerd.

De Friese autonomieën konden zich alleen handhaven onder hoofdelingen, een zelfbenoemde adel. Terwijl deze in Friesland en Groningen in eeuwenlange vetes terechtkwam, ontwikkelde zich in Oost-Friesland al vroeg een gravengeslacht dat het hele gebied onder zich bracht. Het Fries ging in de loop van de 16e eeuw teloor en werd vervangen door het Nedersaksisch dat meer prestige had, omdat het de taal van de handelssteden in Noord-Duitsland en oostelijk Nederland was geworden. Het is in afnemende mate nog de volkstaal van Oost-Friesland. In de aanpalende Groninger Ommelanden heeft zich een soortgelijk proces afgespeeld.

Het ontstaan van het graafschap in Oost-Friesland In 1430 wordt er een vrijheidsbond gesloten onder leiding van de hoofdeling Edzard Cirksena van Greetsiel, die gericht is tegen de heersende Focko Ukena. Edzard weet samen met zijn broer Ulrich een eind te maken aan de macht van de Ukena-partij.

Na het huwelijk in 1455 van Ulrik Cirksena met Theda, de kleindochter van zijn tegenstander, wordt het grootste deel van Oost-Friesland verenigd. Slechts de heerlijkheden Jever en Friedeburg handhaven hun zelfstandigheid. Sibet Attena, een neef en helper van Ulrich krijgt de heerlijkheden Esens, Stedesdorf en Wittmund, die samen het Harlingerland vormen. Het Harlingerland blijft wel onder het oppergezag van de familie Cirksena.

Omdat Ocko I tom Brok het gebied in 1381 als leen had opgedragen aan de graaf van Holland, was de status van de heerser van Oost-Friesland onduidelijk. De heerser in Oost-Friesland besluit de situatie te verbeteren door zich direct tot de keizer te wenden. Keizer Frederik III verheft Ulrich daarom in 1464 tot rijksgraaf. Dit vormt de definitieve breuk met de andere Friese landen, die wel verbonden blijven met het graafschap Holland, waar inmiddels het Bourgondische Huis heerst.

De keizer beleent Ulrich I met het rijksgraafschap in Norden, Emden, Emisgonien in Oost-Friesland.

Consolidatie van het graafschap Na de dood van Ulrik I regeert zijn weduwe Theda voor hun minderjarige kinderen. Zij weet de bedreigingen door hertog Karel de Stoute van Bourgondië en graaf Gerd van Oldenburg te weerstaan. In 1481 vergroot zij het gebied met de heerlijkheid Fredeburg.

Onder haar zoon Edzard I zijn er twisten met de hoofdelingen van het Harlingerland en het Jeverland en met de prins-bisschop van Münster en de Hanzestad Hamburg. Jeverland en Harlingerland blijven zelfstandig, terwijl Butjadingen zich onderwerpt.

De strijd om de Friese Landen Met de benoeming van hertog Albrecht van Saksen tot Rijksstadhouder van Friesland door keizer Maximiliaan I ontstaat er een nieuwe situatie. Deze benoeming was de laatste mogelijkheid om heel Friesland onder één heerser te verenigen. Graaf Edzard erkent Albrecht als zijn leenheer. Er breken echter opstanden tegen Albrecht uit in Friesland en de Groninger Ommelanden. Edzard verbreekt het verbond met Albrecht en sluit in 1506 een verbond met Groningen. Edzard wordt nu ook in de Groninger Ommelanden als heerser erkend. In 1512 wordt de primogenituur ingevoerd om de nieuw verworven eenheid te bewaren.

In 1515 staan de opvolgers van Albrecht van Saksen hun rechten op Friesland af aan hertog Karel van Bourgondië, de latere keizer Karel V. Het conflict eindigt in 1517 met een overeenkomst tussen Edzard en Karel van Bourgondië, waarbij Karel de bezittingen van het rijksgraafschap van Edzard erkent.

De Reformatie Na 1519 vond de Reformatie plaats, die aanvankelijk een tolerant karakter had en waarbij lutheranisme, calvinisme en doopsgezindheid tot ontwikkeling konden komen, maar ook aan de katholieken ruimte liet. Daarin kwam al snel verandering in toen Edzard I in 1528 werd opgevolgd door zijn zoon Enno II. De toen ingezette onderdrukking van het katholicisme had als gevolg dat dit in Oost-Friesland zo goed als verdween. De meeste Oost-Friese kloosters werden geseculariseerd. Daarnaast ontstonden er tegenstellingen tussen lutheranen en gereformeerden. Emden werd een belangrijk centrum voor gevluchte calvinisten uit de Nederlanden die hier veilig waren voor de Inquisitie. De jonge Nederlandse Gereformeerde Kerk hield hier haar eerste synodes en leidde er predikanten op. Tussen 1530 en 1560 was het graafschap een uitwijkplaats voor alle soorten protestanten uit de Nederlanden. Daarna kwam het westelijk deel met de steden Emden en Leer sterk onder invloed van de politieke ontwikkelingen in de Nederlanden. Om de Spanjaarden te verhinderen vanuit deze kant de Nederlanden binnen te vallen, dwingen de Nassaus als leiders van de Nederlandse opstand de Oost-Friese graven toe te staan dat er forten werden aangelegd die door Nederlandse troepen werden bemand. Het calvinisme werd de dominante godsdienst in de westelijke gemeenten, die zich aansloten bij de Nederlandse Gereformeerde Kerk en hun dominees van de Groninger Universiteit betrokken. Het Nederlands werd ingevoerd als taal van school en kerk. Nog steeds ligt op veel preekstoelen in Oost-Friese kerken de Nederlandse Statenbijbel. Maar in de oostelijke streken waar men in de 16e eeuw luthers was geworden, is sindsdien juist het Hoogduits taal van kerk en school. Deze religieuze en taalkundige scheiding bepaalde lang de relaties binnen Oost-Friesland. Pas onder Hannoveraans bewind werd tussen 1830 en 1870 het Nederlands stap voor stap door het Duits vervangen. Dit was een langzaam verlopend proces. Tot in het midden van de 20e eeuw bleef het Nederlands in enkele afgescheiden gereformeerde gemeenten als kerktaal in functie.

De nauwe banden tussen Oost-Friesland en Groningen zijn na de 19e eeuw verloren gegaan. Oost-Friesland werd geïntegreerd in het Duitse Rijk. Maar nog lange tijd bleven rijke Oost-Friese boeren en grootgrondbezitters met het Groningerland bemoeienis houden, door er rechtstreeks of via huwelijk land te verwerven.

Huwelijkspolitiek en gebiedsomvang