De adder (Vipera berus) is een giftige slang die behoort tot de familie adders (Viperidae). De slang komt voor in vrijwel geheel Europa en in delen van Azië. De adder is de enige giftige slang die ook voorkomt in België en Nederland.

De adder wordt ongeveer vijftig tot zeventig centimeter lang en is te herkennen aan de koperbruine tot rode ogen met een verticale pupil, de wat uitstekende schub boven het oog en het meestal donkere zigzagpatroon op de rug. De giftigheid wordt vaak overschat, de adder is lang niet zo gevaarlijk als bijvoorbeeld de mamba's, de cobra's of de meer verwante ratelslangen. De beet van de adder kan wel gevaarlijk zijn voor de mens, maar hoewel er jaarlijks tientallen adderbeten worden geregistreerd, zijn gevallen met fatale afloop uiterst zeldzaam.

De adder heeft een groot verspreidingsgebied en komt lokaal algemeen voor. Hierdoor kan het dier goed worden onderzocht en is er veel bekend over de biologie en de levenswijze. De adder is eierlevendbarend, de jongen komen levend ter wereld. Op het menu staan voornamelijk gewervelde dieren. De adder staat daardoor hoog in de voedselketen en is een belangrijke verdelger van plaagdieren, zoals konijnen en muizen. De adder zelf wordt op zijn beurt buitgemaakt door verschillende vijanden zoals zoogdieren en roofvogels.

Naamgeving thumb|Sommige exemplaren zijn geheel zwart van kleur. De adder wordt in de Nederlandse taal ook wel gewone adder, Europese adder, zwarte adder of moerasadder genoemd.

Etymologie De wetenschappelijke geslachtsnaam Vipera is afkomstig uit het Latijn en betekent letterlijk adder, de soortaanduiding berus betekent 'echte' of 'ware'. Het huidige Nederlandse woord adder is door eferesis ontstaan uit het Middelnederlandse nater. Ook in andere talen werd deze naam gebruikt, zoals in het Oudsaksisch (nadra) en het Oudhoogduits (natara).Jan de Vries, F. “de” Tollenaere, Maaike Hogenhout-MulderJan de Vries, F. “de” Tollenaere, Maaike Hogenhout-Mulder - Nederlands etymologisch woordenboek - Website (directe link). Gearchiveerd op 2 januari 2015. Het woord nater is zelf geleend van het Latijnse natrix, wat weer een afleiding is van natare ("zwemmen"). De waterminnende ringslang heeft hierdoor als wetenschappelijke naam Natrix natrix. Later werd de 'n' in nater verplaatst: (ee)n nater en werd het woord verbasterd tot het huidige adder. Ook in de Engelse taal is de naam op een dergelijke manier tot stand gekomen. In het Duits werd nater verbasterd tot otter, en wordt de adder met kreuzotter (kruisadder) aangeduid. De term kruis slaat waarschijnlijk niet op de tekening waarbij een kruis zeer zelden voorkomt op de kop van de adder, maar op het feit dat de slang als een vertegenwoordiger van de duivel werd gezien. Bij een confrontatie met een adder zou men drie kruisjes moeten slaan om verder onheil te voorkomen. Ook de 'kruisloze' rugstreeppad (kreuzkröte) heeft zijn Duitse naam aan deze gewoonte te danken.

De naam Vipera (adder) duikt al op in het werk Naturalis Historia uit 77 na Christus door de Romein Plinius de Oudere. De adder werd in 1758 voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Carl Linnaeus als Coluber Berus. Het geslacht Coluber wordt tegenwoordig tot de toornslangachtigen (Colubridae) gerekend. De huidige wetenschappelijke naam werd in 1803 gegeven door François Marie Daudin. Andere synoniemen zijn Chersea vulgaris (Fleming, 1822), Berus vulgaris (Swainson, 1839) en Pelias berus (Günther, 1859).

Taxonomie De adder behoort tot de familie van de adders (Viperidae), dit is een grote groep van slangen die op Australië, Ierland en Nieuw-Zeeland na een wereldwijde verspreiding heeft. Vrijwel alle soorten uit deze familie behoren tot twee onderfamilies; de groefkopadders (Crotalinae) en de 'echte' adders (Viperinae). De groefkopadders worden zo genoemd vanwege de zintuiglijke cellen die gelegen zijn in groeven in de kop, waardoor ze in staat zijn infrarood licht waar te nemen. Onder andere de ratelslangen behoren tot deze groep. Bij de echte adders ontbreken deze groeven waardoor ze makkelijk te onderscheiden zijn. De echte adders komen voor in (Zuidwest)Azië, Afrika en Europa en worden vertegenwoordigd door 13 geslachten. Het bekendste geslacht is Vipera, waartoe de adder behoort en daarnaast 20 andere soorten telt. Andere bekendere soorten uit het geslacht Vipera zijn de aspisadder (Vipera aspis), de zandadder (Vipera ammodytes), de spitssnuitadder (Vipera ursinii) en de wipneusadder (Vipera latastei).

Synoniemen thumb|Tekening van de kop en staartpunt uit een boek van Pearson Scott Foresman. Onderstaand een lijst van synoniemen, synoniemen van ondersoorten zijn weggelaten. Coluber Berus (Linnaeus, 1758) Coluber Berus (Laurenti, 1768) Vipera berus (Daudin, 1803) Chersea vulgaris (Fleming, 1822) Berus vulgaris (Swainson, 1839) Pelias berus (Günther, 1859) Vipera berus (Boulenger, 1896) Coluber berus (Stejneger, 1907) Vipera berus (Engelmann et al, 1993) Vipera berus (McDiarmid, Campbell & Touré, 1999) Vipera (Pelias) berus (Venchi & Sindaco, 2006)

Ondersoorten De adder kent vier ondersoorten, sommige hiervan werden beschouwd als aparte soorten zoals Vipera berus sachalinensis uit oostelijk Rusland (het eiland Sachalin). De soorten Vipera nikolskii en Vipera seoanei werden vroeger ook beschouwd als ondersoorten maar worden tegenwoordig gezien als volwaardige soorten. De huidige ondersoorten van de adder zijn: Naam Auteur Verspreidingsgebied Vipera berus barani Böhme & Joger, 1983 Noordwestelijk Turkije Vipera berus berus Linnaeus, 1758 Het grootste deel van het areaal. Vipera berus bosniensis Boettger, 1889 Bosnië, Kroatië, Servië, Noord-Macedonië, Montenegro, Albanië, Griekenland, Hongarije Vipera berus sachalinensis Zarevsky, 1917 China, Noord-Korea, Rusland

Uiterlijke kenmerken thumb|De belangrijkste onderscheidende kenmerken van de adder in Nederland en België zijn de koperbruine tot rode ogen met verticale pupil, de vergrote witte schubben aan de 'bovenlip' en de gekielde schubben van de rug, die hier op de voorgrond duidelijk te zien zijn. De adder is een vrij kleine slang die een lichaamslengte bereikt van ongeveer 50 tot 70 centimeter met een maximale lengte van 80 centimeter. Het langste exemplaar ooit gemeten was 91 centimeter lang maar dergelijke exemplaren zijn zeldzame uitschieters. Er is melding gemaakt van nog langere exemplaren maar omdat deze niet officieel zijn bevestigd worden ze niet erkend.

De mannetjes blijven aanzienlijk kleiner dan de vrouwtjes, ze bereiken een gewicht van 50 tot 70 gram terwijl de vrouwtjes 80 tot 100 gram bereiken. Drachtige vrouwtjes kunnen tot 300 gram zwaar worden. Mannetjes hebben daarnaast een verhoudingsgewijs langere staart in vergelijking met de vrouwtjes en mannetjes zijn ook contrastrijker, ze hebben meestal een sterker geprononceerde rugstreep. De kenmerken en verhoudingen van de adder zijn afhankelijk van de locatie; exemplaren in laaglanden zijn bijvoorbeeld langer dan soortgenoten die in bergstreken leven.

De lichaamskleur van de adder kent een grote variatie. De kleur kan grijs, geelbruin tot bruin of rood zijn, waarbij de meeste exemplaren een lichtere grondkleur hebben met op de bovenzijde van de rug een donkere zigzagtekening. Soms bestaat deze uit een rechte streep of een vlekkenrij, bij de mannetjes is de tekening vaak veel scherper waardoor ze meer opvallen. Aan weerszijden van de zigzaggende streep, aan de bovenzijde van de flanken, is een rij kleinere vlekjes aanwezig die bij sommige exemplaren ontbreken. Sommige exemplaren zijn echter geheel diepzwart en ongevlekt, dit verschijnsel komt ook bij andere reptielen voor en wordt melanisme genoemd, zie ook onder het kopje thermoregulatie en dagactiviteit. Mannetjes hebben vaak een meer grijze tot beige kleur terwijl de vrouwtjes meer neigen naar beige tot rood. Dit is bij volwassen exemplaren beter te zien dan bij de juvenielen. De onderzijde van de staart is roodachtig, bij adders uit sommige populaties is de staartpunt geheel rood gekleurd. Van andere slangen is bekend dat de staartpunt een opvallende kleur heeft en als een kronkelende worm wordt bewogen waardoor insectenetende prooidieren worden gelokt. Van de adder is dit gedrag niet bekend.

Aan de bovenzijde van de kop is een vaak duidelijk zichtbare, V-vormige vlek aanwezig waarbij de punt tussen de ogen gepositioneerd is. De vlek kan ook meer weg hebben van een X of een H. De kop is niet zo breed als die van gelijkende soorten zoals de aspisadder, maar heeft juist relatief grote schubben wat een onderscheid is met gelijkende soorten. De zijkanten van de kop zijn zeer steil en bijna loodrecht.

Schubben thumb|De belangrijkste schubben van de kop:1 = Pariëtaal (aan de zijkant) 2 = Frontaal (aan de bovenzijde) 3 = Supraoculair (boven het oog) 4 = Internasaal (tussen de neus(gaten)) 5 = Rostraal (aan de snuit) 6 = Supralabiaal (aan de bovenlip) 7 = Nasaal (aan de neus) 8 = Mentaal (aan de kin) 9 = Postnasaal (achter de neus) De schubben aan de voorzijde van de snuit staan enigszins omhoog en vormen een lage kam. De rostrale schub (de ongepaarde schub aan de voor- bovenzijde van de snuit) is van bovenaf niet goed te zien. Tussen de rostrale (5) en de mentale (8) schub (de schub aan de voor- onderzijde van de snuit) is zoals bij alle slangen een kleine opening aanwezig, zodat de slang zijn tong naar buiten kan steken zonder de bek te openen. Direct achter de rostrale schub zijn twee internasale (4) schubben aanwezig die soms versmolten zijn.

Aan de bovenzijde van de kop zijn vijf relatief grote schubben aanwezig. De frontale schub (2) is zoals alle slangen ongepaard, bij de adder is de schub enigszins vierkant. Erachter zijn de twee pariëtale schubben gelegen (1), ervoor de opvallende supraoculaire schubben (3). Deze laatste liggen boven de ogen, ze zijn langwerpig en steken iets uit boven het oog. Dit doet sterk aan een frons denken, zodat de slang 'gemeen' lijkt te kijken. De ogen zijn ongeveer zo groot als de nasale schub (7) of iets groter, de ogen van mannetjes zijn iets groter dan die van vrouwtjes. Voor de nasale schub is de postnasale (9) schub gelegen, onder de supraoculaire schub is een ring van 6 tot 10 (meestal 8 of 9) schubben rond het oog aanwezig, de circumorbitale schubben (niet aangegeven).

De neusgaten van de adder zijn relatief groot. Ook de supralabiale schubben (6) , de rij schubben gelegen aan de bovenlip, vallen op doordat ze vrij groot zijn en altijd geel tot wit van kleur, behalve bij de melanische exemplaren. De adder heeft 6 tot 10 (meestal 8 of 9) supralabiale schubben en 10 tot 12 sublabiale schubben (aan de onderlip).

De rugzijde telt 19 tot 23 rijen schubben, dit zijn er vrijwel altijd 21, zelden meer of minder. De rugschubben verschillen van de buik- en kopschubben doordat ze relatief klein zijn en duidelijk in de lengte gekield. Iedere schub draagt een opstaande rand op het midden van de schub wat voor een ruwer oppervlak zorgt. Alleen de rijen naast de buikschubben hebben geen kiel. Net als alle slangen heeft de adder één enkele rij buikschubben, die vanuit de lichaamsas gezien breed maar kort zijn en meestal wit van kleur. Mannetjes hebben 132 tot 150 buikschubben en vrouwtjes 132 tot 158. De anale schub is ongepaard, de hierachter gelegen subcaudale schubben zijn wel gepaard en bestaan uit twee delen. De subcaudale schubben bestaan bij de mannetjes uit twee rijen van 32 tot 46 schubben en bij de vrouwtjes uit twee rijen van 23 tot 38 schubben.

Onderscheid met andere soorten