John Dewey (Burlington, 20 oktober 1859 – New York, 1 juni 1952) was een Amerikaans filosoof, psycholoog en pedagoog. Zijn werk leverde onder andere belangrijke bijdrage aan de pedagogische wetenschappen, de opvoedingsfilosofie en de filosofische stroming van het pragmatisme. Dewey wordt ook vaak beschouwd als de vader van het functionalisme. Dit is een school binnen de psychologie die zich toespitst op de functie van de bewuste ervaring en het gedrag. Door sommigen wordt hij tevens genoemd als een van de belangrijkste filosofen van de 20e eeuw., Philosophy and the Mirror of Nature, Oxford: Basil Blackwell, p. 5.John Dewey, American Pragmatist - His Lasting Influence. Gearchiveerd op 24 augustus 2023.Logister, Louis, (Red.) John Dewey, Een inleiding tot zijn filosofie, p. 13.
In zijn pleidooi en verdediging van de democratie, beschouwde Dewey dat er op twee vlakken - scholen en de burgermaatschappij - nood aan reflectie en herziening was, met vooral het oog op het stimuleren van creativiteit en pluralisme. Dewey stelde dat volledige democratie moest worden verkregen niet alleen door uitbreiding van het stemrecht naar alle lagen van de maatschappij, maar ook door ervoor te zorgen dat er een volledig gevormde publieke opinie bestaat. Dit bereikt men door effectieve communicatie tussen burgers, deskundigen en politici, maar ook - en zo is de link gelegd met de pedagogie - door een goede opvoeding en goed onderwijssysteem. Dewey was er immers van overtuigd dat de school een samenleving in het klein was, waar kinderen werden klaargestoomd tot volwaardige burgers van de samenleving.
Korte biografie Afkomst en studies John Dewey was geboren in Burlington, Vermont op oktober 1859. Zijn vader had een kruidenierszaak in Burlington. Zijn grootvader langs moeders zijde was verkozen in het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden. Dewey had nog twee broers. John studeerde samen met zijn oudste broer Davis Rich Dewey af aan de Universiteit van Vermont in 1879. Zijn broer werd professor statistiek en economie aan het Massachusetts Institute of Technology. Na zijn afstuderen gaf John Dewey een jaar les in Oil City (Pennsylvania) en vervolgens nog een jaar in Charlotte (Vermont), nabij Burlington. Dewey was sterk geïnteresseerd in filosofie en in 1882 publiceerde hij zijn eerste artikel - "The metaphysical assumptions of materialism" - in het tijdschrift Journal of Speculative Philosophy.: The metaphysical assumptions of materialism. Journal of Speculative Philosophy, 1882, 16, 208-216. Op advies van de hoofdredacteur William Torrey Harris schreef Dewey kort daarna nog twee andere artikelen voor hetzelfde tijdschrift. Hierdoor aangemoedigd en gestimuleerd door de bevriende professor filosofie Henry Torrey besloot Dewey verder filosofie te studeren en leende hiervoor 500 dollar bij een tante. John Dewey behaalde zijn PhD aan de Johns Hopkins Universiteit in 1884. Hij studeerde onder meer bij George Sylvester Morris, die de interesse van Dewey voor Hegel opwekte. Onder Stanley Hall leerde hij psychologie.
Werk miniatuur|John Dewey. Zijn professionele carrière startte aan de Universiteit van Michigan, waar hij doceerde van 1884 tot 1888 en van 1889 tot 1894. In 1894 werd hij voorzitter van de faculteit van de filosofie, psychologie en pedagogie aan de Universiteit van Chicago. Hij nam George Herbert Mead mee en trok de jonge James Rowland Angell aan om het psychologielaboratorium te leiden. Dewey kwam er in contact met de radicale standpunten van Henry George en sloot vriendschap met sociale hervormers als Jane Addams, Mary White Ovington en Alice Hamilton.John Dewey: Biography in Spartacus Educational
Aan de Universiteit van Michigan richtte Dewey de "Laboratory School" op, gebaseerd op de theorie dat de beste training voor leraars bestond uit echte praktijk. Voor dit project ging Dewey zelf op zoek naar sponsoring. De universiteit financierde dit project niet mee. Dewey oordeelde dat de universiteit hem onvoldoende steunde in zijn onderwijsopvattingen. Toen de Laboratory School tijdens een korte afwezigheid van Dewey door de universiteit werd samengevoegd met een ander klein onderwijsproject, werd het te veel voor Dewey en nam hij in 1904 ontslag.
In 1899 werd hij verkozen tot president van de American Psychological Association en tevens in 1905 tot president van de American Philosophical Association. Na een dispuut met de rector van de universiteit over zijn onderwijsproject ruilde hij dankzij de steun van James McKeen Cattell Chicago in voor de Columbia universiteit, "Dewey's Political Philosophy, 1. Biographical Sketch", The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Spring 2009 Edition), (ed.), Bezocht op 30-03-2012. Daar gaf hij les van 1904 tot zijn pensioen in 1929. In 1910 werd hij als psycholoog opgenomen in de National Academy of Sciences.
Tijdens zijn jaren aan deze universiteit, heeft hij ook talloze reizen in de wereld gemaakt. De bekendste onder deze reizen zijn de colleges die hij gaf in Japan en China van 1919 tot 1921, zijn bezoek aan Turkije in 1924 om er als adviseur qua onderwijsbeleid te dienen, en zijn rondreis door de Sovjet-Unie in 1928, waar hij vele scholen bezocht. Deze vele reizen betekenden niet dat Dewey niet inzat over de sociale problematiek in de Verenigde Staten. Hij heeft zich vaak politiek en sociaal geëngageerd, waaronder op het vlak van vrouwenemancipatie, progressief onderwijs, de rechten van onderwijspersoneel, de humanistische beweging en wereldvrede. Zijn bezoek aan de Sovjet-Unie beïnvloedde zijn opvattingen over het liberaliseren van het onderwijs en het streven naar meer samenwerking tussen studenten en professoren. Hij schreef ook enkele artikelen over de politieke ontwikkelingen in dat land. Zijn kennis over de Sovjet-Unie werd opgepikt en Dewey leidde vanaf maart 1937 een niet-officiële onderzoekscommissie rond de spanningen tussen Jozef Stalin en Lev Trotski: de zogenaamde Dewey Commission. Deze commissie ging onder meer Trotski interviewen in Mexico. Onder redactie van Susan La Follette verscheen in 1938 het verslag onder de titel "Not guilty". Als reactie hierop werd Dewey door de conservatieven als communist bestempeld en door de linkerzijde als ultraconservatief.
Uiteindelijk stierf Dewey op 1 juni 1952, te New York.
Functionalistische psychologie Aan de universiteit van Michigan publiceerde Dewey zijn eerste twee werken, namelijk Psychology (1887) en Leibniz's New Essays Concerning the Human Understanding (1888), beide gekenmerkt door een sterke invloed van het Britse neo-Hegelianisme van die tijd. Hij poogt in Psychology een synthese te bekomen tussen enerzijds dit idealisme en anderzijds de experimentele wetenschap., John Dewey, Life and Works in Internet Encyclopedia op Philosophy. Opgehaald 16 oktober 2011
thumb|150px|George Herbert Mead Deweys aandacht verschoof, samen met die van zijn jongere collega's, James Hayden Tufts, George Herbert Mead en zijn student James Rowland Angell naar de psychologie door toedoen van de publicatie van het werk van William James, Principles of Psychology (1890). Hierin legde William James de nadruk op de invloed van de sociale omgeving op de cognitieve processen en het gedrag. Dit in tegenstelling bijvoorbeeld tot de fysiologische psychologie van Wilhelm Wundt en zijn volgelingen.
In 1894 vormde hij aan de net opgerichte universiteit van Chicago de Chicago group of psychology, samen met Mead, Angell en Tufts. Met Tufts zou hij later ook zijn werk Ethics (1908) schrijven. Deze nieuwe stijl om psychologie te beoefenen, later gekend als functionele psychologie, had een praktische inslag en legde de nadruk op handelen en toepassen. In Deweys artikel The Reflex Arc Concept in Psychology, verschenen in Psychological Review, had hij kritiek op de traditionele stimulus-response opvatting van de reflexboog. Hoewel hij niet wilde ontkennen dat er zoiets bestaat als stimulus, sensatie of response, was hij het niet eens dat men deze moest denken als gescheiden van elkaar. Dewey was van mening dat deze naast elkaar staande gebeurtenissen als schakels in een keten moesten bezien worden. Hij ontwikkelde het idee dat er een afstemming is, die zorgt dat het stimuleren wordt verrijkt door de resultaten van eerdere ervaringen. De response wordt daarbij dan gemoduleerd door zintuiglijke ervaring (sensorial experience).
Filosofie Hoewel Dewey altijd aan zijn filosofie refereerde als "instrumentalisme", wordt hij toch gezien als een van de drie hoofdfiguren in het Amerikaanse pragmatisme, samen met Charles Sanders Peirce, de grondlegger van het pragmatisme en de eerder vermelde William James die het pragmatisme populariseerde. Deweys inslag wordt sterk getekend door Hegeliaanse invloed. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld James, die vooral uitging van het empirisme en utilitarisme., A Search for Unity in Diversity: The "Permanent Hegelian Deposit" in the Philosophy of John Dewey., 2006, Lexington Books. Ook ontbrak bij Dewey het moreel pluralisme en relativisme dat kenmerkend was voor James.
Epistemologie Een van de centrale thema’s in de filosofie van Dewey was de epistemologie. Hij sprak zelf liever van “theory of inquiry” (theorie van het onderzoek) of experimentele logica om zijn eigen werk op dit vlak te beschrijven. Dit toont zijn houding aan ten opzichte van het werk wat op het vlak van de kenleer was verricht door eerdere filosofen. De hedendaagse filosoof Richard Rorty beschreef de positie van Dewey omtrent epistemologie als volgt: On both sides of the Channel [...] most philosophers have remained Kantian. Even when they claim to have "gone beyond" epistemology, they have agreed that philosophy is a discipline which takes as its study the "formal" or "structural" aspects of our beliefs, and that by examining these the philosopher serves the cultural function of keeping the other disciplines honest, limiting their claims to what can be properly "grounded". The great exceptions to this neo-Kantian consensus are, once again, Dewey, Wittgenstein, and Heidegger., Philosophy and the Mirror of Nature, Oxford: Basil Blackwell, p. 162.
Volgens Dewey is de fout bij de traditionele theorieën, zowel rationalistische als empirische, dat ze een te sterke scheidingslijn tussen het denken, i.e. het domein van de kennis, en de feitelijke wereld trekken, naar waar deze gedachten normaal gezien verwijzen. Beide theorieën denken een “gedachte” als onafhankelijk bestaand van de wereld, epistemologisch als object van onmiddellijk bewustzijn en ontologisch als uniek aspect van het zelf. Het rationalisme volgde vooral dit patroon doordat ze, vanaf René Descartes, dacht in termen van aangeboren ideeën. Het empirisme aan de andere kant, onder anderen bij John Locke, trapte in deze val doordat ze redeneerde in termen van zintuiglijke input en het vormen van “’’ideas’’” in het hoofd. Dewey zelf was ervan overtuigd dat er een nieuw model moest gecreëerd worden., John Dewey, 2. Theory of Knowledge in Internet Encyclopedia of Philosopy., Opgehaald 16 oktober 2011.
Een belangrijk punt bij Dewey is dat hij ervaring (experience) niet ziet als iets persoonlijks, of iets bezittelijks (mijn ervaring), maar in eerste plaats als een ervaring van de omgeving (environment). Op deze wijze is een ervaring dus gedeeld met alle mensen en organismes die eveneens in deze omgeving verkeren. Deze visie op ervaring betekende een radicale breuk met klassieke opvattingen zoals bij Kant, in ruil voor een visie die dichter lag bij die van Hegel, die een eenheid stelde tussen object en subject. Deze kunnen enkel intellectueel gescheiden worden door toedoen van het zelfbewustzijn.
miniatuur|150px|William James