Von Thurn und Taxis (ook Thurn en Tassis in het Nederlands) is een Duits adellijk geslacht van Italiaanse herkomst dat door zijn activiteiten in het postwezen grote rijkdom verwierf. De huidige vorst, Albert II von Thurn und Taxis, resideert in het Fürstliches Schloss van Regensburg. Twee eeuwen lang was de familie gevestigd in Brussel, waar ze een stadspaleis bezat (ca. 1500-1700). De nog bestaande locatie Thurn en Taxis was toentertijd het graasland voor de postpaarden.
Geschiedenis Herkomst
Het geslacht stamt af van de Italiaanse familie Tasso uit Val Brembana ('Brembanovallei') in de streek van Bergamo.Latere varianten: Tassi, Tassus, Tassis, Tasis, Thassis, Tässis, Tarsis, Targis, Taxus, Taxius, Taxis, Täxis, Taxys, Tazis, Tarzis en Tazzys. In het Duits sprak men aanvankelijk ook over Dachsen en Daxen. De eerste archivalische vermelding gaat terug tot Reinerius de Tasso in 1117., Dei Tassi di Alta Valle Brembana , in: L'alta Valle Brembana, 1926, blz. 173-177 Onder druk van een vete tussen de Welfische Colleoni en de Ghibelijnse Suardi, verhuisden ze van Almenno naar het meer afgelegen dorp Cornello dei Tasso.
Er bestaan twee verklaringen voor het patroniem Tasso, dat in het Italiaans zowel taxus als das betekent. Beide soorten kwamen voor in de Brembanovallei. Soms wordt een verband gelegd met een Taxusberg (Tasso) bij Cornello dei Tasso, maar dit is een anachronisme (de eerste naamdrager Reinerius woonde elders). In elk geval is het de das die op het wapenschild van de familie prijkte.
Bij diploma van 31 mei 1512 verhief keizer Maximiliaan I de Tassi in de rijksadel. Janetto, Frans, Leonardo, Ruggero, Davide, Maffeo, Simone en Jan Baptist mochten zich voortaan hofpaltsgraaf en vliesridder noemen, met het recht om de titel door te geven aan mannelijke en vrouwelijke erfgenamen, om notarissen, postkoeriers en rechters aan te stellen en om buitenhuwelijkse kinderen te wettigen.Giorgio Migliavacca, Simone Tasso e le poste di Milano nel Rinascimento = Simon Taxis and the Posts of the State of Milan during the Renaissance, 2008, p. 45 Nadien bevestigde keizer Karel V deze voorrechten in 1519, 1524 en 1533.
Hun rijkdom en aspiraties waren intussen te groot om een afstamming die hen terugvoerde tot bescheiden ridders te aanvaarden. Gelukkig bleek na genealogisch onderzoek in eigen opdracht dat ook de illustere familie Della Torre uit Milaan tot hun voorouders behoorde ("van de Toren", verfranst tot "de la Tour" en verduitst tot von Thurn)., Les marques d'honneur de la maison de Tassis, Antwerpen, Plantijn, 1645 Deze proeve van verbeeldingskracht werd erkend door keizer Ferdinand III (1650) en de torens van de Torriani kregen een plaats op het blazoen van de Tassi, die voortaan een dubbele naam hadden.
Post miniatuur|Postzegel van de Thurn und Taxis-post in 1852|links
De patriarch van de postdynastie was Omodeo Tasso, het eerste familielid dat in Cornello dei Tasso te situeren is. Eind 13e eeuw organiseerde hij met 32 verwanten de Compagnia dei Corrieri, een koeriersmaatschappij die werkte in opdracht van de Serenissima. Ze verzorgde verbindingen te voet tussen Venetië, Milaan en Rome, naast andere bestemmingen (Genua)., Lettere pubbliche e servizio postale di stato a Venezia nei secoli XII-XIV, in: Venezia. Itinerari per la città, Bologna, Il Mulino, 1997 De Bergamoten hadden altijd al een grote plaats ingenomen binnen de oude Venetiaanse postdienst (koeriers gingen in Italië bergamaschi heten). Eind 15e eeuw organiseerden ze zich tot de Compagnia dei Corrieri dei Roma, een vennootschap onder controle van de familie Tasso.
Andere leden van de familie werden naar de Kerkelijke Staat geroepen om de pauselijke post te verzorgen. Ze deden dit van 1460 tot 1539. Het waren twee broers uit een andere tak die de zaak uiteindelijk naar een Europees niveau tilden: Janetto en Frans. Janetto sloot als familiehoofd (procuratore generale della famiglia e società di Tassi) een contract met keizer Maximiliaan I om een echte transnationale post op te zetten (1489-90). Hij moest het hoofdkwartier van de keizer te Innsbruck verbinden met Italië, de Bourgondische Nederlanden (Mechelen) en Frankrijk. Janetto kreeg de titel Kuriermeister en deed een beroep op zijn broer Frans en zijn neef Giovanni Battista. Onder leiding van het drietal ontstond een vernieuwende estafettedienst die berichten liet reizen met een in Europa niet eerder geziene snelheid. Dankzij een opeenvolging van pleisterplaatsen langs de routes was het mogelijk om voortdurend van paarden en rijders te wisselen. Enkel de leren posttas ("Felleisen") was constant in beweging.
miniatuur|Frans van Tassis (1514)
Rond 1500 vestigde Frans zich in de Nederlanden, nadat zijn broer David de weg had voorbereid. Onder Maximiliaans zoon Filips de Schone werd hij postmeester en -kapitein en liet hij een fraai stadspaleis optrekken in Brussel.capitaine et maistre de nos postes (postcontract van 1 maart 1501) Nadat de regering van Spanje de facto aan Filips was toegevallen, hernieuwde hij zijn overeenkomst met Frans van Tassis. In het nieuwe postcontract van 18 januari 1505 waren meer bestemmingen opgenomen en voor het eerst ook bindende besteltermijnen (verlengd in de winter). De postmeester stond met zijn leven in voor de strikte naleving ervan. Vanuit Brussel vertrok een stervormig netwerk van postroutes: naar Innsbruck, naar Parijs-Blois-Lyon, naar Toledo-Granada. Voor de belangrijke route naar Spanje was een alternatief voorzien via de Alpen en de zee in geval van oorlog met Frankrijk.
In 1508 viel Janetto van Tassis in ongenade nadat hij geprangd was geraakt in een oorlog tussen Maximiliaan en Venetië. De keizer behield het vertrouwen in de overige Tassi, maar ze kregen te maken met de nieuwe landvoogdes der Nederlanden, Margaretha van Oostenrijk. Deze dochter van Maximiliaan beknibbelde op de kosten van pleisterplaatsen en paarden en ze ging in tegen de wensen van haar vaders kanselarij. Toch werd Jan Baptist op 31 mei 1512 als rijksridder opgenomen in de rijksadel., Johann Baptista von Taxis, Herder, Freiburg im Breisgau, 1889
Met de troonsbestijging van keizer Karel V in 1515 kreeg de Tassispost een nieuwe impuls (overeenkomst van 12 november 1516). De reistijden werden verder ingekort en er kwamen nieuwe bestemmingen (Rome, Napels en Burgos). Kort nadien stierf Frans. Jan Baptist, die als aide et adioint het contract al mee had ondertekend, kreeg een nieuwe overeenkomst voorgeschoteld (20 december 1517). Hij ondertekende ze in Valladolid met Maffeo van Tassis, de familie-afgevaardigde in Spanje. In 1520 werd Jan Baptist te Brussel algemeen hoofdpostmeester van de Habsburgse landen.Chief et maistre general de noz postes par tous noz royaumes, pays et seigneuries
Aan het einde van de 16e eeuw werden de posterijen in de Duitse landen een heerlijk recht. Lamoraal van Tassis werd in 1615 erfelijk hoofdpostmeester van het Rijk en verwierf voor zijn geslacht op 8 juni 1624 de titel van rijksgraaf, nadat op 16 januari 1608 al de titel rijksvrijheer was verleend. De hieruit voortvloeiende quasi-monopoliepositie bracht de familie politieke invloed en een enorme rijkdom. In de eeuwen die volgden beheerde het geslacht plaatselijke en nationale postdiensten in het Heilige Roomse Rijk, Spanje, Italië, Hongarije en de Nederlanden, waarbij het 20.000 koeriers in dienst had en ook kranten bezorgde.
Investeren in land miniatuur|Portret van Marie-Louise van Tassis (1630) – Antoon van Dyck
Het postmeesterschap was een riante bron van inkomsten die de Tassi schatrijk maakte. Aangezien sociale status nog in grote mate gelinkt was aan adellijke titels en dus grondbezit, was het verwerven van domeinen een prioriteit voor de familie. Eerst kocht Frans van Tassis een stadswoning in de Zavelwijk, die zijn nakomelingen uitbreidden tot het magnifieke Hof van Thurn en Tassis (1516-1872). In de nabije Zavelkerk lieten ze een grafkapel inrichten (1520). Naast stadswoningen in Mechelen en Antwerpen bezat de familie vanaf 1519 ook een kasteel in Hemiksem (na het huwelijk van Jan Baptist met Christina van Wachtendonk). Eind 16e eeuw kocht Lamoraal van Tassis het kasteel van Buizingen, later aangevuld met een heerlijkheid in La Roche-en-Ardenne. Lamoraal II ruilde Buizingen in en verwierf van zijn schoonfamilie nieuwe domeinen in Kasteelbrakel en Itter (1670). Als zomerverblijf richtte hij het Kasteel Beaulieu op. In de Zavelkerk creëerde hij een tweede grafkapel, een barokparel gewijd aan Ursula.
De familie investeerde ook in Duitsland en dat zou uiteindelijk tot een eigen rijksvorstendom leiden. In 1618 verwierven zij Rohrenfels in het vorstendom Palts-Neuburg en lieten hier een slot bouwen. Deze bezitting was echter niet rijksvrij. In 1635 werd hun de Spaanse titel graaf de la Tour et Valassina verleend. In 1647 verwierven ze door huwelijk van de familie Fauler von Randeck de heerlijkheid Horn. Dit gebied maakte deel uit van het kanton Kocher van de Rijksridderschap. Verder in 1648 een kwart van de burcht en heerlijkheid Wäschenbeuren, dat ook deel uitmaakte van rijksridderschappelijk gebied. Vanaf 1650 mochten ze binnen het Heilige Roomse Rijk de dubbele naam Thurn und Taxis voeren. Op 19 februari 1681 werden hun bezittingen in de Spaanse Nederlanden (Kasteelbrakel en Hoog-Itter) verheven tot een Spaans vorstendom Thurn und Taxis. De heerlijkheid Horn werd in 1681 verkocht aan de familie Reichlin von Meldegg.
Eugen Alexander von Thurn und Taxis werd in 1686 door keizer Leopold I in de rijksvorstenstand verheven, een status die op 4 oktober 1695 erfelijk werd. In 1701 werd de familie tijdens de Spaanse Successieoorlog uit de Nederlanden verdreven en vestigde zich in Frankfurt am Main, waar het Paleis Thurn und Taxis werd gebouwd.
Op 19 augustus 1723 werd de rijksheerlijkheid Eglingen gekocht van de laatste graaf van Grafeneck. Daardoor kwam de familie in 1724 in het bezit van een zetel op de bank van de hertogen van Zwaben in de Rijksdag. In 1724 lukte het ook een zetel met stemrecht te verwerven in de Keur-Rijnse Kreits zonder dat ze rijksvrije bezittingen hadden in die Kreits. Ze kregen die zetel vanwege een lening van 80.000 rijksdaalders aan de keizer. Vervolgens werden ze in 1726 toegelaten tot de graven- en herenbank van de Zwabische Kreits wegens het bezit van Eglingen. De in 1723 van de familie Schenk von Castell gekochte heerlijkheid Dischingen met het slot Trugenhofen was niet zelfstandig, maar behoorde tot het vorstendom Palts-Neuburg. De heerlijkheid werd in 1773 voor een groot bedrag losgekocht uit de landshoogheid van Palts-Neuburg, en het slot Trugenhofen werd in 1817 omgedoopt tot slot Taxis. In 1735 werd de heerlijkheid Duttenstein met de dorpen Demmingen en Wagenhofen gekocht van de familie Fugger en in 1741 het dorp Trugenhofen van de vrijheer van St. Vincent.
Vanaf 1742 vertegenwoordigde de vorst van Thurn und Taxis de keizer op de rijksdag te Regensburg. Deze belangrijke functie bracht de hoofdresidentie in 1743/8 naar Regensburg, waar het Slot Thurn und Taxis tegenwoordig een museum is.
In 1749 werd de heerlijkheid Ballmertshofen, die deel uitmaakte van het kanton Kocher van de Rijksridderschap, gekocht van de vrijheer van St. Vincent. Sinds de familie in 1695 in de rijksvorstenstand was verheven streefde zij naar een zetel in het college van de rijksvorsten in de rijksdag. Dat lukte ten slotte op 30 mei 1754.