miniatuur|Landbouwwerktuigen tijdens een demonstratiebeurs miniatuur|Van links naar rechts zelfrijdende, gedragen en getrokken landbouwwerktuigenLandbouwgereedschap, landbouwwerktuigen of landbouwmachines zijn hulpmiddelen die dienen om handwerk in de landbouw te verlichten of geheel te vervangen door mechanische systemen. Het doel is om de productiviteit en efficiëntie van uiteenlopende landbouwhandelingen te verhogen. De variatie in dit soort apparatuur is groot, van eenvoudig handgereedschap in de tuinbouw tot geavanceerde machines in de akkerbouw.

De voortdurende drang om kostprijzen te verlagen en productie te verhogen heeft geleid tot een schaalvergroting en mechanisering in de landbouw. Daardoor zijn veel machines complex en kostbaar geworden, wat ze voor individuele landbouwbedrijven vaak duur en economisch onrendabel maakt – zeker gezien hun soms korte inzetduur. Om die reden verenigen landbouwers zich geregeld in landbouwcoöperaties, zodat zij dure machines kunnen delen en rendabel inzetten. Daarnaast zijn gespecialiseerde loonbedrijven ontstaan: commerciële landbouwbedrijven die over een uitgebreid machinepark beschikken. Zij verrichten op aanvraag mechanisch werk voor andere landbouwers, die enkel betalen voor de tijd dat de machines op hun bedrijf worden ingezet. Door de aanhoudende schaalvergroting en technologische vooruitgang is de kapitaalbehoefte in de sector toegenomen. Toch heeft de landbouwmechanisatie er onmiskenbaar toe geleid dat het gros van de landbouwers tegenwoordig beschikt over een breed arsenaal aan werktuigen, waarbij de tractor is uitgegroeid tot hét symbool van deze evolutie.

Landbouwwerktuigen die niet door menselijke arbeid worden aangedreven komen doorgaans in drie uitvoeringen voor: zelfrijdend, getrokken of gedragen. Een zelfrijdend landbouwwerktuig beschikt over een eigen aandrijving en wordt ook wel een zelfrijder genoemd. Getrokken en gedragen landbouwwerktuigen vereisen daarentegen een extern werkvoertuig, zoals een tractor. Een getrokken werktuig heeft een eigen onderstel, terwijl een gedragen werktuig dat niet heeft en dus door het trekkende werkvoertuig wordt opgetild en neergelaten.

Geschiedenis miniatuur|Ploegen met trekdieren in het Oude Egypte; schildering uit de grafkamer van Sennedjem, ca. 1200 v.Chr. miniatuur|Stoomtractor in het Henry Ford Museum miniatuur|Bioscoopjournaalbeelden uit 1973 van een demonstratiebeurs Tijdens de oudheid werd landbouw voornamelijk met de hand verricht. Een belangrijke vooruitgang was de vervanging van menselijke arbeid of trekkracht door dierlijke arbeid met behulp van gedomesticeerde trekdieren. Rond 4000–3000 v.Chr. zijn er in Mesopotamië en de Indusvallei al aanwijzingen voor het gebruik van ossen als trekdieren. Ook de overgang van de schoffel naar de haakploeg betekende een aanzienlijke stap in de landbouwontwikkeling. De mechanisatie bleef echter beperkt tot eenvoudige landbouwwerktuigen, zoals de dorsplank en de wan die in het oude Sumerië werden gebruikt.

Met de komst van de industriële revolutie rond 1750, gevolgd door de ontwikkeling van geavanceerdere machines, maakte de landbouw een grote sprong voorwaarts. In plaats van het handmatig oogsten van graan met een zeis, verschenen door trekdieren voortgetrokken oogstmachines die ononderbroken graan konden maaien. Ook het dorsen van graan – vroeger gedaan door met een dorsvlegel op de aren te slaan – werd overgenomen door dorskasten, die de zaden van de aren en stengels scheidden.

Aan het begin van de 19de eeuw leidde de uitvinding van de stoommachine tot de ontwikkeling van de stoomtractor: een verplaatsbare, veelzijdige energiebron, vergelijkbaar met een stoomlocomotief die op wielen reed in plaats van op rails. Stoomtractoren namen het zware trekwerk van ossen over en waren uitgerust met een poelie, waarmee via een lange riem ook stationaire machines zoals dorsmachines konden worden aangedreven. Hoewel deze stoommachines naar moderne maatstaven weinig vermogen hadden, konden ze dankzij hun gewicht en lage versnellingen toch een aanzienlijke trekkracht leveren.

Aan het begin van de 20e eeuw begon de verbrandingsmotor – eerst volgens de Otto-cyclus en later in de vorm van de dieselmotor – de stoommachine te vervangen als krachtbron voor landbouwtractoren. Deze motoren maakten het mogelijk om aanvankelijk gedragen en getrokken landbouwwerktuigen om te bouwen tot zelfrijdende landbouwwerktuigen. In de verdere loop van de 20e eeuw ondergingen landbouwwerktuigen aanzienlijke verbeteringen. De veelzijdigheid nam toe, de mechanische prestaties verbeterden, en zelfrijdende landbouwwerktuigen werden uitgerust met efficiëntere en krachtigere motoren. Aan het begin van de 21e eeuw verschilden moderne tractoren sterk van hun voorlopers van een eeuw eerder.

Met de opkomst van nieuwe informatie- en communicatietechnologieën (ICT) is de landbouwmechanisatie een nieuwe fase ingegaan, gekenmerkt door een toenemend gebruik van computersystemen, satellietgegevens, drones en robots. Ook de ontwikkeling van nieuwe teelttechnieken vraagt voortdurend om aangepaste werktuigen. Klassieke machines zoals ploegen, cultivatoren, eggen en conventionele zaaimachines worden steeds vaker vervangen door directzaaimachines. Moderne landbouwwerktuigen zijn bovendien vaak uitgerust met GPS-technologie, wat de toepassing van precisielandbouw mogelijk maakt. Al deze technologieën stellen landbouwers in staat om met grote nauwkeurigheid te werken, wat uiteindelijk resulteert in een duurzamer grondstoffengebruik en een verhoogde opbrengst.

Soorten landbouwwerktuigen miniatuur|Schrankenlader in de hoedanigheid van een landbouwvoertuig Landbouwwerktuigen kunnen niet alleen worden ingedeeld op basis van hun uitvoering (zelfrijdend, getrokken of gedragen), maar ook op basis van hun functie. De term landbouwwerktuig duidt in de strikte zin op een werktuig dat gebruikt wordt voor landbouwgerelateerde activiteiten. Een kipper of tractor die ingezet wordt bij wegenwerken is daarom formeel geen landbouwwerktuig, maar een bouwwerktuig. Omdat werktuigen vaak multifunctioneel zijn, is een sluitende en eenduidige definitie van het begrip landbouwwerktuig moeilijk vast te leggen. Wat hieronder volgt is dan ook geen uitputtende lijst, maar een overzicht van werktuigen die voornamelijk in de landbouwpraktijk worden toegepast.

Grofweg kunnen de meeste landbouwwerktuigen worden ondergebracht in vier sectoren: het transport en de overslag van landbouwgoederen, de bosbouw, de vee- en visteelt en de gewasproductie.

Landbouwvoertuigen Hieronder worden diverse landbouwwerktuigen beschreven die worden ingezet voor het transport van mensen, goederen en/of dieren binnen een landbouwcontext. Het gaat hierbij voornamelijk om voertuigen, meer bepaald om zogenaamde landbouwvoertuigen. Die term komt ook voor in de Nederlandse en Vlaamse regelgeving met betrekking tot het gebruik van dergelijke voertuigen op de openbare weg.

Wetgeving Net als bij andere voertuigen gelden ook voor landbouwwerktuigen en landbouwvoertuigen diverse technische en juridische vereisten. Dit betreft onder meer toelatingen, verkeersregels, registratie, keuringen en het gebruik op de openbare weg. In België en Nederland is de regelgeving grotendeels gelijklopend, maar met enkele nationale verschillen.

Wetgeving in Nederland In Nederland vallen landbouwwerktuigen onder de bredere categorie van (land)bouwvoertuigen die worden gebruikt in de landbouw- en bouwsector. Voor deze voertuigen gelden specifieke regels, onder andere met betrekking tot gewicht en verlichting. Volgens de Nederlandse regelgeving behoren tot de (land)bouwvoertuigen:

landbouw- en bosbouwtrekkers; aanhangwagens voor landbouw- en bosbouw; verwisselbare getrokken uitrustingsstukken; mobiele machines (sinds 2021 ook ter vervanging van de vroegere MMBS, motorrijtuigen met beperkte snelheid).

Sinds 1 januari 2021 geldt in Nederland een registratie- en kentekenplicht voor nieuwe (land)bouwvoertuigen. Voor bestaande voertuigen is registratie vereist zodra ze op de openbare weg komen. Daarnaast zijn APK-keuringen verplicht voor landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen die sneller kunnen rijden dan 40 km/u.

(Land)bouwvoertuigen moeten bovendien voldoen aan specifieke verkeersregels, zoals snelheidsbeperkingen en rijbewijseisen. Er zijn ook technische vereisten met betrekking tot maximale afmetingen, belading, verlichting en reflectoren.

Wetgeving in Vlaanderen In België wordt een land- of bosbouwvoertuig gedefinieerd als een motorvoertuig met minstens twee assen, dat zich voortbeweegt op wielen of rupsbanden en hoofdzakelijk ontworpen is om werktuigen, machines of aanhangwagens voor land- of bosbouw te trekken, duwen, dragen of aandrijven. Dergelijke voertuigen worden slechts bijkomstig gebruikt voor het vervoer van personen of goederen op de openbare weg of voor het trekken van voertuigen die voor dergelijk vervoer bestemd zijn.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen vier categorieën landbouwvoertuigen:

Categorie T: landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen Categorie C: landbouw- en bosbouwtrekkers op rupsbanden Categorie R: aanhangwagens voor landbouw- en bosbouwdoeleinden Categorie S: verwisselbare getrokken machines, zoals aardappelrooiers, balenpersen of wikkelaars

Voor elk van deze categorieën gelden specifieke technische vereisten en toelatingsvoorwaarden. Ook de bestuurder moet over de juiste rijbevoegdheid beschikken, afhankelijk van het type voertuig. Zo moeten landbouwvoertuigen van de categorieën R en S, wanneer ze zijn ontworpen om sneller dan 40 km/u te rijden, niet alleen een eerste keuring ondergaan, maar ook jaarlijks opnieuw worden gekeurd.

Wie met land- of bosbouwvoertuigen, hun aanhangwagens of voertuigen die zijn ingeschreven als landbouwmaterieel, landbouwmotor of maaimachine wil rijden, heeft in België een rijbewijs G nodig. Voorwaarde is wel dat het voertuig een constructiesnelheid van minimaal 30 km/u haalt.

In bepaalde gevallen mogen landbouwvoertuigen rijden op rode diesel, die geheel of gedeeltelijk is vrijgesteld van accijnzen. Dit is echter enkel toegestaan wanneer het voertuig is uitgerust met een rode G-nummerplaat. De belangrijkste voorwaarde voor het verkrijgen van zo’n nummerplaat is dat het voertuig voor minstens 50% wordt gebruikt voor landbouwactiviteiten en voor minder dan 50% voor niet-landbouwactiviteiten, zoals grond- of wegenwerken.

Soorten landbouwvoertuigen