thumb|Schuldklok van de Vereniging van belastingbetalers in Duitsland, opgenomen op 29 juli 2006 in Berlijn De staatsschuld of overheidsschuld omvat het totaal van de schulden van de centrale overheid, de niet-centrale overheden (provincies, waterschappen, gemeenten) en de wettelijke sociale verzekeringsinstellingen. Formeel is de tweede naam juister dan de eerste, daar de staatsschuld officieel een naam is voor alleen de brutoschuld van de federale overheid of de Rijksoverheid. (In hoofdstuk 2 van het FJR zijn de ontwikkelingen weergegeven in uitgaven en ontvangsten en in het EMU-saldo en de EMU-schuld, die hiervan een resultante zijn. De EMU-schuld geeft de bruto schuld van de overheid weer, maar biedt daarmee geen volledig inzicht in de financiële positie van de overheid; hiervoor moeten ook de bezittingen in ogenschouw worden genomen)
De staatsschuld van alle landen bij elkaar bedroeg in 2023 circa 98 biljoen dollar, dus circa 94 biljoen euro.Bij de in dit artikel genoemde cijfers moet opgemerkt worden dat welhaast ieder cijfer omtrent macro-economische grootheden met een zekere omzichtigheid bejegend dient te worden. Er kan sprake zijn van meetfouten, van interpretatieverschillen ten aanzien van definities van begrippen, en van (in meerdere of mindere mate) sturing door met publicatie van cijfers belaste instanties.
Definitie Volgens het Verdrag van Maastricht is de staatsschuld de nominale waarde van alle aan het einde van een periode (jaar, trimester) uitstaande brutoverplichtingen van de overheid, met uitzondering van de verplichtingen waarvan de corresponderende financiële activa door de overheid worden aangehouden. Deze verplichtingen hebben betrekking op chartaal geld en deposito's, effecten met uitzondering van aandelen (exclusief financiële derivaten) en leningen, overeenkomstig de definities van ESR 95.
Ontstaan staatsschuld Een staatsschuld ontstaat door een opeenstapeling van tekorten, omdat er, jaar na jaar, meer wordt uitgegeven dan er inkomsten (voornamelijk belastingen) zijn. Wanneer een overheid in een jaar dus meer geld uitgeeft dan er binnenkomt, wordt dit het begrotingstekort genoemd. Bij de uitgaven in dat jaar zijn dan de aflossingen van de staatsleningen meegerekend. Als er geleend moet worden om bestaande leningen af te lossen, zoals bij een begrotingstekort het geval is, loopt de staatsschuld op. Er bestaat ook het begrip financieringstekort. Dit begrip geeft aan in hoeverre de staatsschuld toeneemt of afneemt.
Verminderen staatsschuld Men kan de staatsschuld terugdringen door of te bezuinigen, dus de uitgaven te verminderen, of de inkomsten (voornamelijk belastingen) te verhogen. Dit is een politieke keuze.
Een rol speelt ook het tekort of het overschot op de betalingsbalans. In een open economie - een land met veel buitenlandse handel - kan er geld naar het buitenland wegvloeien door meer te importeren dan te exporteren, waardoor de bezittingen in het land toenemen of de schulden toenemen. Omgekeerd kan geld vanuit het buitenland toevloeien waardoor de bezittingen in het land afnemen of de schulden afnemen. Exportbaten komen in eerste instantie terecht bij de winsten van bedrijven, de privé-inkomens of de privévermogens. De belasting die de staat hierover heft, komt wel de staat ten goede. Een overschot op de betalingsbalans genereert dus, indirect, ook inkomsten voor de staat. In Nederland bijvoorbeeld, vloeien er al decennia grote hoeveelheden geld naar de staat toe uit de buitenlandse opbrengst van aardgas, dat maakt de Nederlandse staat als grootaandeelhouder van de NAM rijker.
Financiering staatsschuld Een staat kan een staatsschuld scheppen door geld te lenen bij particulieren, bedrijven, organisaties en andere staten. Dit gebeurt meestal door de uitgifte van staatsobligaties. In Nederland leende de staat tot 1995 vooral bij pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen; nadien vrijwel altijd via obligaties.
Obligaties lopen over het algemeen 10 jaar, maar zowel in het verre als recente verleden zijn ook obligaties met veel langere looptijden succesvol geplaatst. Leningen met een looptijd van 100 jaar kwamen rond het begin van de twintigste eeuw voor. Later zijn, vooral door de toegenomen vraag naar langer lopende waardepapieren, verschillende Europese overheden overgegaan tot het uitgeven van obligaties met een looptijd van 30 jaar.
Ook kan een staat lenen van de eigen centrale bank. Boekhoudtechnisch wordt ook dit als een schuld beschouwd van de staat aan de centrale bank, maar wat er feitelijk gebeurt, is dat de staat de centrale bank aanzet tot geldschepping. De behandeling van het geschapen geld als schuld dient ter beheersing van de hoeveelheid geld die de overheid zo kan laten scheppen, omdat ongelimiteerde geldschepping de neiging heeft om (hyper-)inflatie te veroorzaken. In hoeverre dit middel gebruikt kan worden is afhankelijk van de positie van de centrale bank t.o.v. de staat.
Staatsschuld in beschouwing tot bbp De staatsschuld raakt niet 'ontspoord' als het overheidstekort constant is in verhouding tot het bruto binnenlands product (bbp). De schuldquote convergeert naar de verhouding tussen de tekortquote en de nominale groeivoet. Bij een permanent overheidstekort van 1% van het bbp en een bbp-groei van 5% tendeert de schuldquote dus naar 20% en bij een begrotingsevenwicht, waarbij de uitgaven gelijk zijn aan de inkomsten, naar nul. Rekenkundig is de ratio van de Maastrichtnorm: mits het tekort maximaal 3% en de nominale bbp-groei minimaal 5% bedraagt, is de schuld 'houdbaar' op maximaal 3/5 ofwel 60%.
Hieronder een rekenvoorbeeld ter verduidelijking. Het uitgangspunt is een economie met een bbp van 100, waarin de overheid een aandeel heeft van 50. De economie groeit met 5% nominaal per jaar en het overheidstekort is jaarlijks 3%. De staatsschuld is 60 zowel absoluut als uitgedrukt in procenten van het bbp. Onder deze veronderstellingen blijft de staatsschuld als percentage van het bbp nagenoeg stabiel over de berekeningsperiode van 10 jaar. Het absolute bedrag van het tekort stijgt natuurlijk wel.
Vervolgens rekenen we vier alternatieven door, namelijk: Scenario 1, alles zoals hierboven beschreven, maar nu een groei van het bbp met 3% (was 5%), de staatsschuld uitgedrukt in procenten van het bbp neemt toe van 60% naar 71%. Scenario 2: idem, maar nu groeit de economie sneller met 7% per jaar. De staatsschuld daalt relatief. Scenario 3: idem, groei ongewijzigd, maar het overheidstekort daalt naar 1% op jaarbasis. De schuld groeit minder snel en daalt in procenten van het bbp. Scenario 4: idem, maar het tekort stijgt naar 5% op jaarbasis. De staatsschuld stijgt fors en krijgt een steeds groter aandeel in het bbp.
Jaarbbpoverheids-inkomstenoverheids-uitgaventekortstaats-schuldschuld (% bbp)scenario 1scenario 2scenario 3scenario 41 100 50 53 3 60 60% 60% 60% 60% 60%2 105 53 56 3 63 60% 61% 59% 58% 62%3 110 55 58 3 66 60% 62% 58% 56% 64%4 116 58 61 4 70 60% 64% 57% 55%66%5 122 61 64 4 74 61% 65% 57% 53%68%... ... ... ... ...... ... ... ... ......10 155 78 82 595 61% 70% 54% 46%76%
Uitgestelde belastingen Men kan staatsschuld zien als het uitstellen van belastingbetaling tot een latere datum (of naar volgende generaties, die in eerste instantie niets met die schuld te maken hebben), want uiteindelijk kan de staat het grootste deel van zijn uitgaven alleen dekken door het heffen van belastingen.
Het grootste verschil tussen de klassieke en de Keynesiaanse economische theorie bevindt zich dan ook in dit punt als we gaan kijken naar schuldcreatie:
Klassieken waren van mening dat een overheid zo klein mogelijk diende te zijn. Het maken van schulden mocht alleen in extreme situaties, zoals oorlogsomstandigheden. Deze visie werd later verruimd; de staat mocht geld lenen voor uitgaven die een aantoonbaar rendement opleverden waaruit de rente en aflossing van de schulden kon worden terugbetaald. Voorbeelden van dergelijke uitgaven zijn investeringen in spoorlijnen, havens en elektriciteitsbedrijven. Tegenover de schulden moeten dus bezittingen staan. De zaak blijft dan alleen gezond, als het rendement op de bezittingen opweegt tegen de kosten van de schulden. Als dit evenwicht uitblijft, zullen de belastingen stijgen waardoor particulieren minder gaan investeren, mede omdat de rente kan stijgen aangezien de overheid meer zal gaan lenen. De splitsing in een begroting voor gewone dienst én kapitaaldienst voor investeringen was een gevolg. Voor de gewone dienst moesten lopende uitgaven en lopende inkomsten van de staat in evenwicht zijn - dit wordt ook wel de gulden financieringsregel genoemd - en alleen voor de kapitaaluitgaven mocht geleend worden. Keynesianen zien een rol voor de staat om schommelingen in de economie op te vangen. De staat kan economisch stimuleren door investeringen in infrastructuur versneld uit te voeren, subsidies te verstrekken op grote particuliere aankopen of belastingen te verlagen. Combinaties van deze maatregelen zijn vanzelfsprekend mogelijk. Zij vinden dus dat de staat nieuwe schuld moet kunnen maken om de economie ten tijde van een recessie te stimuleren, om dan in tijden van economische opgang de schuld weer af te lossen met het overschot dat dan ontstaat. De gedachte daarachter is dan dat door de stimulans een meergroei ontstaat die de kosten van de stimulering zal dekken.
Teneinde een grote staatsschuld te voorkomen heeft een beperkt aantal landen een extra maatregel geïntroduceerd, een wettelijk schuldplafond. De Verenigde Staten hebben een dergelijke afspraak; bij het bereiken van het maximum (de debt ceiling) worden alle niet-essentiële overheidsactiviteiten gestopt. Het maximum aan schulden werd met grote regelmaat opgehoogd, maar diverse malen zijn voor kortere perioden de overheidsactiviteiten gestaakt.
Latente staatsschuld De staat stelt zich ook garant voor risico’s van anderen of gaat verplichtingen aan die in het begrotingsjaar nog niet tot uitgaven leiden. Voorbeelden van garanties die verstrekt worden zijn kredieten aan het midden- en kleinbedrijf, hypotheken, of het verzekeren van goederen voor de export die niet door de private markt gedragen worden. De staat gaat ook verplichtingen aan met betrekking tot internationale financiële instanties zoals het Internationaal Monetair Fonds (IMF) of - van een recentere datum - het European Financial Stability Facility (EFSF). Indien deze instanties om het geld vragen, heeft de staat zich verplicht deze gelden over te maken. Deze garanties worden nog niet gerekend tot de staatsschuld, maar als er eenmaal beroep op wordt gedaan wel.
Nederland: Sinds 2008 bij het ontstaan van de kredietcrisis, heeft de staat extra garanties verstrekt om de stabiliteit van het financiële stelsel te bewaren. Aanvankelijk werden garanties verstrekt aan de Nederlandse financiële sector, bijvoorbeeld in de vorm van garanties op leningen tussen banken. In 2010 zijn deze garanties deels afgebouwd, maar deze daling werd ruimschoots tenietgedaan door de Europese schuldencrisis en de daarmee samenhangende oprichting van de EFSF. Voor Nederland is daardoor het garantietotaal fors opgelopen; begin 2008 bedroeg het garantietotaal nog € 66 miljard (ongeveer 12% van het bbp). Naar verwachting zal het totaal opgelopen zijn tot € 187 miljard (circa 31% van het bbp) per ultimo 2011.
Geschiedenis Het is in de geschiedenis vaak voorgekomen dat staten (in de praktijk meestal de koning of keizer) hun schulden laattijdig, slechts gedeeltelijk of helemaal niet terugbetaalden (staatsbankroet). Om een einde te maken aan de financiële instabiliteit die hiervan het gevolg was, met name bij het financieren van oorlogen, ontstond de behoefte aan een vorm van officieel erkende staatsschuld. Dit leidde in 1694 tot de oprichting van de Bank of England onder het toenmalige koningschap van Willem III. Door die instelling ontvingen de bankiers betalingsgaranties, en het systeem vond later ingang bij andere Europese mogendheden, en nadien over de hele wereld.