Max Havelaar is een boek van Multatuli (pseudoniem van Eduard Douwes Dekker), geschreven in 1859 in Brussel en voor het eerst gepubliceerd in 1860. De roman verhaalt over een man die ageert tegen misstanden en uitbuiting als gevolg van het in zijn ogen corrupte, indirecte regeringssysteem van Nederlands-Indië, dat de lokale elite vaak zijn gang liet gaan ten nadele van boeren en arbeiders op de koffieplantages. Het werk heeft een grote invloed gehad op zowel de Nederlandse literatuur als de Nederlandse koloniale politiek. Max Havelaar geldt als een van de belangrijkste werken uit de canon van de Nederlandse literatuur. Het boek is in meerdere edities uitgegeven en verscheen in meer dan 40 talen, het wordt onder meer in Indonesië veel gelezen.Dat bliksems knappe boek: Max Havelaar, literatuurgeschiedenis.org. Gearchiveerd op 19 mei 2024. Het verhaal werd in 1976 verfilmd door Fons Rademakers.

In 1988 is een Max Havelaar keurmerk opgericht voor fairtrade producten.

Achtergrond Multatuli schreef Max Havelaar in vier of vijf weken, van ongeveer half september 1859 tot uiterlijk 13 oktober,Stuiveling (1985), 402 als een aanklacht tegen het misbruik van het cultuurstelsel, tegen herendiensten, en tegen plichtsverzuim door Nederlandse ambtenaren in Nederlands-Indië. Tot Dekkers frustratie werd het werk als zodanig niet serieus genoeg genomen maar het boek maakte van Multatuli meteen een bekende schrijver.

Cultuurstelsel De politieke heerschappij over Nederlands-Indië was in het begin van de negentiende eeuw van de Vereenigde Oostindische Compagnie overgegaan naar de Nederlandse regering. Om de winst te vergroten was het cultuurstelsel ingevoerd, een serie maatregelen die de planters in staat stelde waardevolle landbouwproducten te verbouwen, in plaats van alleen voedingsmiddelen zoals rijst. Daarbij werd een belastingstelsel ingevoerd waarvan de ambtenaren volgens een commissiesysteem werden beloond. De inlandse vorsten kregen zogenoemde cultuurprocenten. Als hun gebied meer opbracht voor Nederland, kregen de inlandse vorsten meer uitbetaald. Dit leidde tot sterke uitbuiting van de inheemse bevolking door de inlandse vorsten. Daarboven kwamen nog de hoge landrenten en de herendiensten waarvan de inlandse vorsten, het gouvernement maar ook nog vele beambten misbruik maakten. De combinatie veroorzaakte een wijdverbreide corruptie, die resulteerde in grote armoede en hongersnood onder de inheemse bevolking. Dekker schreef Max Havelaar uit protest tegen deze koloniale maatregelen. En hoewel hij onbekend was als auteur ten tijde van publicatie, wist hij met zijn boek bij Nederlanders het bewustzijn op te roepen dat de weelde die zij genoten het resultaat was van menselijk lijden in andere delen van de wereld.

Eerherstel na ontslag Naast de aanklacht was er nog een ander motief voor Multatuli om dit boek te schrijven. Na zijn ontslag als assistent-resident in Nederlands-Indië was Multatuli tot armoede vervallen. Hij hoopte op eerherstel en een nieuwe ambtelijke functie in de kolonie. Hij was zelfs bereid van publicatie af te zien, indien door de toenmalige regering aan zijn "wensen" zou worden voldaan. In een brief aan zijn vrouw Tine gedateerd 20 november 1859 licht hij dat toe. Die wensen hielden onder andere in dat hij op Java tot resident werd benoemd, herstel van zijn diensttijd zodat hij gewoon pensioen zou krijgen over die jaren, een ruim voorschot en hij wilde benoemd worden in de orde van de Nederlandse Leeuw.Dekker aan Tine, Volledige Werken (VW), deel X, p. 122

Dat lintje zag hij vooral als eerherstel en als een blijk van erkenning. In de onderhandelingen werd Dekker "eene convenable betrekking" aangeboden in West-Indië, in ruil voor het achterhouden van het boek. Dat was Dekker niet genoeg. In een brief aan koning Willem III schreef Dekker dat hij het aanbod afgewezen heeft.

Ook door anderen (onder wie Jacob van Lennep) werd gepoogd Dekker een functie toe te spelen om zo de publicatie te voorkomen.Dik van der Meulen, Multatuli, p. 390 e.v.

Titel en uitgaven

thumb|Titelpagina van de vijfde druk, 1881 thumb|Mode- en handwerktijdschrift Aglaja. In de roman laat Sjaalman als bediende op een boekverkoping ingebonden jaargangen van dit tijdschrift op de grond vallen, zodat Droogstoppel hem niet in dienst neemt.Dbnl.nl K. ter Laan: Multatuli Encyclopedie (1995). Geraadpleegd op 7 augustus 2019. Gearchiveerd op 7 augustus 2019. Het boek draagt een dubbele titel: Max Havelaar, of De koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappij bij uitgeverij J. De Ruyter te Amsterdam in 1860.De spelling van de titel bleef gehandhaafd in de eerste vier drukken (waaronder een dubbeldruk als tweede druk). De vierde druk (1875) bij G.L.Funke heet: Max Havelaar, of De koffieveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappij. De laatste door de auteur zelf herziene 5e druk (1881) draagt de titel Max Havelaar, of De koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy.

In het boek is weinig over koffie en koffieveilingen te vinden en nog minder over de Nederlandsche Handel-Maatschappij. Daar waren al snel klachten over van lezers in die tijd. Multatuli had vele redenen om voor deze ondertitel te kiezen.

Zo was het in de negentiende eeuw gebruikelijk om een ondertitel te gebruiken en deze is gebruikt om de ironie van Multatuli naar voren te brengen. De lezer werd op het verkeerde been gezet en bleef met de vraag zitten of dit werk wel of geen fictie was. In het boek komt deze ironie verder naar voren doordat ook Droogstoppel erdoor werd misleid. Hij schreef dat het boek De koffijveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappijhandschrift, p. 34 zal gaan heten, een onderwerp dat hem, als koffiemakelaar, zeer interesseert, maar gaandeweg merkte hij dat het boek daar niet over gaat. Een andere reden is dat voor Dekker de Nederlandsche Handel-Maatschappij symbool stond voor de onderdrukking en uitbuiting van de Javaan en de koloniale politiek. In de tijd dat het werk geschreven werd, was er veel te doen rondom koffie en Multatuli speelde in op de actualiteit.

Multatuli wilde gelezen worden en greep daarvoor elk middel aan: de ondertitel trok de aandacht en verleidde lezers om het boek aan te schaffen en te lezen.

Verhaal Max Havelaar bevat raamvertellingen en minstens twee hoofdthema's, waarvan het ene min of meer losstaat van het andere. Het verhaal wordt verteld door drie vertellers: Droogstoppel, Stern en eigenlijk ook door Max Havelaar, die zijn voorgeschiedenis op Sumatra beschrijft. In het laatste hoofdstuk neemt Multatuli zelf de pen over. Het is dankzij deze structuur een typisch voorbeeld van een dubbelroman.J. Dautzenberg, Literatuur, geschiedenis en leesdossier. Den Bosch: Malmberg, 2e druk, p. 155.

Gebruikte pseudoniemen De personen waartoe Dekker (=Max Havelaar) zich in zijn roman richt, worden veelal met pseudoniemen aangeduid: Max Havelaar, Sjaalman Eduard Douwes Dekker Max Havelaar jr Jan Pieter Constant Eduard "Edu" Douwes Dekker Nonnie Sjaalman Elisabeth Agnes Everdine Douwes Dekker Slijmering C.P. Brest van Kempen, geb. Amsterdam, 2 feb. 1815, sedert eind april 1855 resident van Bantam (hoofdplaats Serang). Hij was Dekkers directe chef. In het jaar 1865 overleed hij in Utrecht, opgenomen in een gekkenhuis. Tine Everdine Huberta Douwes Dekker-baronesse van Wijnbergen, Dekkers echtgenote. Generaal Vandamme generaal Andreas Victor Michiels, geb. Maastricht 1797, was van 1837 tot 1849 civiel en militair gouverneur van Sumatra's westkust. Hij sneuvelde 25 mei 1849 op Bali. Duclari luitenant Collard. Hij was bevelhebber van het garnizoen gelegerd in Rangkas-Betoeng, toen Dekker daar assistent-resident was. Verbrugge Abraham Juliaan Langevelt van Hemert, controleur. Hij was Dekkers onmiddellijke ondergeschikte. Slotering Charles Eduard Pierre Carolus, geb. Antwerpen 9 juli 1817, was Dekkers voorganger als assistent-resident van Lebak. Hij overleed op 1 november 1855 in het ziekenhuis van Serang. Gouverneur-generaal A.J. Duymaer van Twist, geb. Deventer 20 feb. 1809, was van 1851 tot 1856 gouverneur-generaal, kwam terug naar Nederland, en was daar lid van de Tweede Kamer en daarna lid van de Eerste Kamer. Opvolger van de Gouverneur-generaal Charles Ferdinand Pahud, (1803-1873). Van 1849 tot 1855 was hij minister van Koloniën, daarna van 1856 tot 1861 gouverneur-generaal. Voorganger van de tegenwoordige gouverneur-generaal Jan Jacob Rochussen (1797-1871) was gouverneur-generaal van 1845 tot 1851, in de jaren dat Dekker in Natal in problemen raakte, en was Minister van Koloniën van 1858 tot 1861, toen Max Havelaar uitkwam.

Droogstoppel In het begin is Droogstoppel aan het woord, het archetype van een benepen, gierig man zonder een greintje fantasie, die erg ingenomen is met zichzelf. Droogstoppel ontmoet na vele jaren een voormalige schoolgenoot, Sjaalman (een alter ego van Multatuli), die hem vraagt een manuscript uit te geven. Droogstoppel laat dat werk doen door de Duitse stagiair Ernest Stern.

Dit eerste deel waarin Droogstoppel het woord neemt vult vijf hoofdstukken uit het handschrift. Later komt Droogstoppel nog een paar keer aan het woord, volgens eigen zeggen om het boek een solide voorkomen te geven. Deze delen zijn korter: een keer twee hoofdstukken en twee keer een hoofdstuk. In de hoofdstukindeling van Van Lennep neemt Droogstoppel midden in een hoofdstuk de pen over.

Stern Dan is er het verhaal geschreven door Stern, het belangrijkste deel van het boek, dat in grote lijnen de werkelijke belevenissen volgt van Max Havelaar (zoals Dekker hier wordt genoemd) als assistent-resident in Nederlands-Indië.

Dit deel is weer een raamvertelling, want in een aantal hoofdstukken vertelt Havelaar zijn voorgeschiedenis op Sumatra. Hij citeert er de parabel van de Japanse steenhouwer, oorspronkelijk van Wolter Robert van Hoëvell (1812-1879).

Naast de geschiedenis van Havelaar bevatten de Stern-episodes ook veel andere uitweidingen, zoals het beroemde verhaal van Saïdjah en Adinda, de avonturen van een onderdrukte Javaan. Dit is een felle aanklacht tegen de uitbuiting van de Javanen, de uitzichtloosheid van het leven van het volk en het werkeloos toezien van de autoriteiten die lezers vanaf de verschijning van het boek sterk heeft aangesproken. Dekker vergelijkt het verhaal met De hut van Oom Tom: een gefantaseerde roman met de belevenissen van onderdrukte personen, die veel meer indruk maakt dan een waarheidsgetrouwe, maar droge beschrijving van de onderdrukkingen.

Multatuli werd vaak aangevallen om zijn haast terloopse opmerkingen over de koloniale krijgsmacht. Maar juist hier liet Dekker zijn twijfels over het koloniale beleid zo overduidelijk zien.

Multatuli In het laatste hoofdstuk neemt de schrijver, met het pseudoniem Multatuli, zelf het woord. Hij bedankt Stern vriendelijk voor zijn schrijfwerk. Genoeg, mijn goede Stern! Ik, Multatuli, neem de pen op. Gij zijt niet geroepen, Havelaars levensgeschiedenis te schrijven. Ik heb u in het leven geroepen,… ik liet u komen van Hamburg,… ik leerde u redelijk goed hollandsch, in zeer korten tijd,… ik liet u Louise Rosemeijer kussen, die in suiker doet,… het is genoeg Stern, ge kunt gaan.

Hij scheldt Droogstoppel uit en beveelt hem te verdwijnen. Halt, ellendig produkt van vuile geldzucht en Godslasterlijke femelarij! Ik heb u geschapen,… gij zijt opgegroeid tot een monster onder mijne pen,… ik walg van mijn eigen maaksel,… stik in koffij, en verdwijn!

Nu komt een aanklacht tegen de beschreven corruptie en de reden waarom het boek geschreven werd. Uiteindelijk schrijft Multatuli een opdracht aan het staatshoofd, koning Willem III. Hij waarschuwt de koning voor wat er in zijn naam gebeurt in het rijk van Insulinde, de "gordel van smaragd".

Aan U vraag ik met vertrouwen of het uw Keizerlijke wil is: