De Char D2 is een Franse tank uit de Tweede Wereldoorlog.
Ontwikkelingsgeschiedenis In 1930 besloot de Direction de l'Infanterie, het Franse Directoraat van het Wapen der Infanterie, uit het NC1 prototype van Renault de Char D te laten ontwikkelen. Deze tank beschouwde men echter al als verouderd: door de toegepaste klinknagelconstructie was de romp onnodig zwaar. Men besloot een tank te laten bouwen, een Char D2, die een zelfdragende gelaste romp had, om met de gewichtsbesparing de pantsering van 30 op 40 mm te brengen, wat het voertuig onkwetsbaar zou maken voor alle toen bekende antitankwapens. Tegelijkertijd kon de extra binnenruimte, gewonnen door het weglaten van de skeletbalken, gebruikt worden om een krachtiger motor te installeren. In een brief aan het ministerie van defensie van 23 januari 1930, geschreven door kapitein Ferdinand-Joseph Deygas, toen een van de belangrijkste Franse pantsertheoretici en -historici, werden de volgende eigenschappen voorzien: Maximumpantsering van 40 mm 120 pk motor Maximumsnelheid 20-22 km/u Lengte zonder staart van 5 meter Breedte van 2,34 m Hoogte van 2,30 m Bodemvrijheid van 45 cm Gewicht van 15,5 ton Bewapening bestaande uit een 47 mm kanon en twee mitrailleuses thumb|300px|Het eerste klinknagelprototype van de D2 met de ST3 toren; de unieke uitklapbare constructie is duidelijk zichtbaar
Op 26 maart vraagt men het Opperbevel van het Leger om goedkeuring welke op 14 april verleend wordt, mede omdat de tank gezien wordt als een alternatief voor de Char B1, mochten toen lopende wapenbeperkingsbesprekingen leiden tot een verbod van tanks zwaarder dan 25 ton of nog minder: Frankrijk zou tijdens de onderhandelingen eisen dat niet verder beperkt zou worden dan zestien ton, net boven het geschatte gewicht van de Char D2. In mei contacteert men Renault en het ontwerpbureau daar begint aan een studie, tegelijkertijd met die naar de sterk gelijkende Char Colonial, de Char D3. Het zou echter even duren voordat uit de bouwtekeningen ook een prototype vervaardigd kon worden. Een gelaste romp impliceert het inhuren van dure gekwalificeerde lassers en Louis Renault, die zijn financiële belangen altijd nauwkeurig in het oog hield, eiste dat het leger vooraf de rekening zou voldoen voor het introduceren van de nieuwe bouwmethode. Maar daarvoor bestond geen budget. Men kwam er voorlopig niet uit en op 8 december 1931 komt men overeen dat Renault eerst maar een prototype zonder gelaste romp zal vervaardigen (une solution assez ridicule verzucht het Directoraat), te leveren voor maart 1932. Het type, met de code Renault UZ, werd overgedragen in april.
Het prototype werd in mei 1933 technisch beproefd bij de Docks de Rueil en daarna, voor een veldbeproeving van vijftien dagen vanaf 9 oktober 1933, overgedragen aan het 503e Régiment de Chars de Combat. Het materieel werd in een rapport van 30 oktober goedgekeurd als zijnde duidelijk superieur aan de Char D1, hetgeen bekrachtigd werd door de Conseil Consultatif de l'Armement op 12 december. Op 12 januari 1934 bekrachtigde het Opperbevel een order van vijftig stuks; door het mislukken van de ontwapeningsbesprekingen vanwege het zich terugtrekken van Duitsland uit de Volkerenbond op 14 oktober 1933 waren eerdere plannen om 750 Char D2's aan te schaffen flink beperkt. Na een demonstratie op 23 maart 1934 te Satory adviseerde ook de Conseil Supérieure de la Guerre positief, mits het voertuig als een overgangstype werd gezien, totdat de productie van de Char B op gang kwam. Al deze goedkeuringen geschiedden op hoop van zegen, want er was in de zomer van 1933 nog steeds geen gelaste romp beschikbaar om de echte eigenschappen van het project te kunnen vaststellen. De eerste twee gelaste prototypes waren uiteindelijk pas in december 1932 besteld; ze waren gereed in augustus 1933 maar werden pas overgedragen in november, net te laat voor een uitputtende beproeving. Eén prototype had een iets andere ophanging met een andere plaatsing van de toprollers, een hoger klimwiel en een groter aantal platen bij de bepantsering van de vering; dit leek het meest op het prototype van de Char D3. In Rueil worden de lintremmen vervangen door remschoenen. thumb|300px|Het gedeeltelijk gelaste prototype van de Char D2, voorlopig uitgerust met een torentje van de FT 17. Dit is het exemplaar met de afwijkende ophanging Vanaf december 1934 gebruikte men de drie prototypes om verschillende motoren te beproeven door de Commision de Vincennes: het eerste wordt voorzien van een 120 pk benzinemotor, de andere twee van dieselmotoren: een van het type Lorraine-Dietrich, de ander een Renault V6 van 123 pk. Op 25 december breekt van het eerste prototype het loopwerkframe. Na reparatie haalt men de gewenste snelheid van 23 km/u, maar de motor maakt een verschrikkelijk lawaai, het lukt niet de hoogste vijfde versnelling te handhaven, de slijtage is hoog en het rijbereik is gering. Het voertuig wordt op 14 februari 1935 naar het Atelier de Construction de Puteaux gezonden voor verbetering: de uitlaat wordt verplaatst naar de linkerkant, het tussenschot tussen gevechts- en motorcompartiment wordt gedempt, en er komen vier vergrote benzinetanks. Opnieuw wordt alles vergoelijkt met de gedachte dat de gelaste romp niet is gebruikt. De dieselmotoren van de twee andere prototypes worden afgewezen, zodat de gewenste combinatie van romp en motor nog steeds niet getest is.
Dit alles betreft alleen de romp. De toren werd apart aangeschaft. Al in 1933 was experimenteel de gegoten ST3 koepel van Schneider op het eerste prototype aangebracht. Het mankement van de ST1 toren: een slechte balans doordat de bewapening zeer ver naar voren was aangebracht om te voorkomen dat men anders voor ieder schot het kanon had moeten eleveren wegens gebrek aan ruimte om de granaat te laden, was bij de ST3 opgelost door aan de achterkant van de toren een van achteren open frame te bevestigen dat de zaak meer in evenwicht bracht. Door het luik aan de achterzijde tot in dit frame open te klappen, verschafte men zich daarbij extra ruimte, terwijl men toch wat tegen kogels beschermd was. De ST3 werd voor de Char D afgewezen ten faveure van de ST2, die als "universele toren" waarmee zelfs FT 17s uitgerust konden worden, ook even voor de Char D2 in beeld was. In 1935 besloot men echter de ruimere gegoten APX1-toren, die ook bij de Char B1 werd gebruikt, te installeren, omdat men per se een bepantsering van veertig millimeter rondom wilde, wat wegens het hogere gewicht een elektrische aandrijving vergde en overeenkomende grotere torenring.
Ondanks de onvoltooide beproeving werd op 29 december 1934 de order aan Renault gegund voor 410.000 frank per stuk. Die prijs was voor alleen de rompen; de torens kostten apart nog een kleine 200.000 frank. De vijftig exemplaren, serienummers 2004 - 2053, werden afgeleverd tussen 9 mei 1936 en 23 februari 1937; ze waren gebaseerd op het gelaste prototype dat de oorspronkelijke ophanging had. Door de late levering komt er niets van een plan uit 1935 om in 1936 150 exemplaren in dienst te nemen tegen een prijs van 90 miljoen frank.
Een curiositeit is dat sommige voertuigen geleverd werden in wel het meest bonte camouflagepatroon waarvan ooit enige tank werd voorzien. Officieel waren zestien camouflagetinten vastgelegd, waaruit dan een keuze van drie of hoogstens vier moest worden gemaakt: een lichte, middeldonkere en donkere toon. Renault interpreteerde dit voorschrift, teneinde zo veel mogelijk restpartijtjes verf te kunnen gebruiken, echter creatief alsof het ook vier tinten met twee tonen per tint mocht omvatten en zo werden de Char D2's vanaf eind 1936 afgewerkt in vlakken van acht kleuren: bruin, okergeel, zeegroen, paars, beige, appelgroen, lila en hemelsblauw — alles afgegrensd met dunne zwarte contourlijnen.
Beschrijving De Char D2 is in wezen een verbeterde Char D1 (zoals de Char D genoemd werd nadat zijn nakomeling ingevoerd was). Door de andere toren is hij iets hoger, 2666 mm. De lengte zonder staart is 5,46 m, de breedte door een wat lichtere en smallere rupsband van 35 cm een tikkie minder: 2223 mm. Het loopwerk lijkt op het eerste gezicht identiek, maar verschilt doordat de steunwielen, aangevuld door een extra spanwiel, wat hoger geplaatst zijn om alle resonantie te voorkomen. De zijplaat die de drie verticale springveren afdekt, heeft nu zes in plaats van acht panelen en is voorzien van moddervangers onder ieder steunwiel. Boven de rupsbanden bevinden zich nu spatborden met daarop grote schuine voorraadkisten die de illusie geven dat ze deel uitmaken van het pantser.
Hoewel bij het tweede en derde prototype de romp voor een groot deel gelast was en bijna perfect afgeschuind om het afketsingseffect te verbeteren, gebruikt Renault bij de productie-exemplaren op de meeste plaatsen toch lichte boutconstructies, waarbij dunne hoekplaten de hoofdplaten met platte bouten verbinden, vooral aan de zijkanten en om het wat rechtere stuk met het vizier van de chauffeur/mecanicien links en het luik van de radioseiner rechts op de romp aan te brengen. De pantserequivalentie van de 40 mm platen is daardoor slechts zo'n 50 mm, terwijl een 65 mm mogelijk was geweest. De antenne van de ER52 of ER52 bis zit rechts op de romp; twee exemplaren, met serienummers 2016 en 2049, hebben een extra ER51 langegolfradio met een tweede antenne links; ze worden gebruikt als commandotank.
In het motorcompartiment bevindt zich een V-6 150 pk motor met 9,5 liter cilinderinhoud die toch maar een maximumsnelheid van 23 km/u oplevert, want het gewicht ligt op 19.750 kilo. Vier benzinetanks met tezamen 352 liter maken een rijbereik mogelijk van 100 kilometer. De klimhoek is 50%, het klimvermogen 80 cm, het waadvermogen 120 cm en het officiële overschrijdingvermogen is vreemd genoeg lager dan bij de Char D1: 210 cm.
De eenmans-APX1 toren draagt een SA 34 47 mm kanon met 120 granaten en een niet-coaxiale 7,5 mm Reibel mitrailleuse; zo'n wapen is ook star aangebracht in de rechtervoorkant. De negenhoekige rondom afgeschuinde toren heeft een dikte van 40 mm bij de wanden en 26 mm op het dak. De commandant in de toren moet zelf richten en laden; de seiner heeft echter mede als taak hem munitie aan te reiken.
Verlengde productie en operationele geschiedenis In april 1937 ontving het 507e RCC (Régiment de Chars de Combat) te Metz als eerste eenheid de Char D2. Nadat voldoende bemanningen waren getraind, werden in juli drie tankcompagnies opgericht die dat jaar meededen aan de parade op Quatorze Juillet. Op 1 oktober 1937 schakelde het eerste bataljon van het regiment officieel volledig over op de Char D2, met een toewijzing van 45 tanks; de vijf overige tanks worden gebruikt voor de centrale rijinstructie. Alle tanks krijgen op 26 juni 1938 een persoonlijke naam en worden vernoemd naar historische Franse overwinningen. Commandant is vanaf 5 september 1937 Charles de Gaulle, als luitenant-kolonel tot 25 december, daarna als kolonel. Hoewel een hele verbetering ten opzichte van de Char D1 stemde het nieuwe materieel niet onverdeeld gelukkig. Er waren veel problemen met het onderhoud en een lage inzetbaarheid was het gevolg.