Het filosofisch behaviorisme (ook logisch behaviorisme of analytisch behaviorisme) is de filosofische stroming binnen het behaviorisme. Het filosofisch behaviorisme stelt dat de zogenaamde mentale toestanden niet meer dan beschrijvingen zijn van iemands gepredisponeerd gedrag, en geen eigen werkelijkheid bezitten. Wat iemand gelooft en de concepten die hij aanhangt is, met andere woorden, niet meer dan een respons (reactie) op ondergane prikkels. Het gevolg van deze opvatting is dat de geest zijn status als zelfstandige entiteit verliest. Dit behaviorisme wordt gezien als een mogelijke oplossing voor het zogeheten lichaam-geestprobleem. Als vertegenwoordigers van deze stroming worden Gilbert RyleZie , The Concept of Mind, Chicago: University of Chicago Press, 2002., en Ludwig Wittgenstein genoemd. Ook personen als Alan Turing, Behaviorism, Internet Encyclopedia of Philosophy, geraadpleegd op 9 februari 2012. en filosofen als Rudolf Carnap, Carl Hempel, W. V. O. Quine worden hiermee geassocieerd. Meer recentelijk heeft ook Daniel Dennett, "The Message is: There is no Medium", Tufts University. Bezocht 24-01-2012. zich geprofileerd als een soort behaviorist.

Inhoud Het filosofisch behaviorisme is vooral een reactie tegen het dualisme van René Descartes. Het filosofisch behaviorisme verwerpt het cartesiaanse idee van de "geest", als zijnde een zelfstandige substantie, die onafhankelijk van het lichaam zou bestaan. Daarbij zouden, volgens Descartes, affecten als overtuigingen en pijn, eigenschappen of bepaalde toestanden van die substantie zijn. Filosofische behavioristen wijten dit - volgens hen foute - beeld aan een verkeerd of naïef gebruik van de taal.

Filosofisch behaviorisme verdedigt de stelling dat elke uitspraak over een interne of privéwereld bij individuen, vertaalbaar is in een uitspraak over openbaar waarneembaar gedrag, en er dus ook toe moet gereduceerd worden.Heil, J., Philosophy of Mind - a comtemporary introduction, p. 60. Belangrijk is hierbij dat gedrag niet alleen beweging, maar ook talig gedrag omvat, gesproken uitingen als reactie op een situatie. Wanneer een persoon bijvoorbeeld zegt "ik heb pijn", is deze uitspraak vertaalbaar in een uitspraak over zijn gedrag: hij zal zijn hand terugtrekken, een pijnkreet slaken, weglopen van de veroorzaker van de pijn,... Als deze gedragingen niet aanwezig zijn, heeft de persoon volgens de behaviorist geen pijn. Dit lijkt misschien moeilijk te verdedigen omdat er subtielere vormen van gevoelens en innerlijke toestanden zouden bestaan, maar filosofische behavioristen zullen stellen dat zelfs deze op een bepaalde manier in het gedrag af te lezen zijn. Er bestaan ook zwakkere vormen van filosofisch behaviorisme, waarbij men vertaalbaarheid vervangt door een zwakkere vorm als "semantische correlatie", en men laat hier neurale en andere fysische termen toe bij de beschrijvingen en de karakterisering van het mentale.

Geschiedenis en vertegenwoordigers Descartes' dualisme

thumb|180px|Het is vooral het dualisme van René Descartes waarop Ryle en de meeste behavioristen reageren. Om het filosofisch behaviorisme correct te begrijpen moet men teruggaan op de voorgaande positie in de filosofie van de geest waarop het reageert: het Cartesiaans dualisme. Descartes stelde dat de geest een immateriële substantie is. De essentiële eigenschap bij uitstek van dit immateriële is het bewustzijn (penser). Dit contrasteert Descartes met het lichaam (en de externe wereld) dat net een materiële substantie is, met als essentiële eigenschap uitgebreidheid.Armstrong, D., The Mind-Body Problem. An Opinionated Introduction, p. 9. Het probleem is nu dat het niet duidelijk is hoe deze twee totaal verschillende zaken met elkaar kunnen interageren. Als oplossing stelt Descartes een interactionisme voor: het lichaam en de geest kunnen op elkaar inwerken ondanks hun verschillende aard. Er zijn echter problemen met deze stellingArmstrong, D., The Mind-Body Problem. An Opinionated Introduction, p. 19.: de plaats van de interactie: waar vindt deze interactie tussen deze twee verschillende substanties plaats. Descartes wees de pijnappelklier aan als plaats waar deze interactie plaatsvond, maar dit leek in werkelijkheid niet juist te zijn. geslotenheid universum: de link van het mentale naar het fysische is ook problematisch. Als het mentale iets geheel immaterieels is, wil dit zeggen dat het de geslotenheid van het universum (en het behoud van energie) zou doorbreken als het toch wil interageren: de "kracht" van een intentie (want dat is de oorzaak van een beweging volgens Descartes) komt erbij. aard van de causaliteit: zelfs ongeacht de vorige problemen, blijft het nog maar de vraag hoe überhaupt iets mentaals op iets fysisch kan inwerken. Het is niet duidelijk hoe iets mentaals in contact kan komen met iets fysisch.

Omdat vele filosofen van mening zijn dat Descartes' dualisme geen adequate oplossing biedt, vloeit hier dus het klassieke lichaam-geestprobleem uit voort. Tijdgenoten als Gottfried Leibniz en Nicolas Malebranche formuleerden al alternatieve oplossingen op het lichaam-geestprobleem. Zo stelde Leibniz de oplossing van het parallellisme voor, en Malebranche het Occasionalisme. Ook deze oplossingen kregen niet echt veel aanhang en waren onbevredigend, grotendeels vanwege de idee van materialisme dat vele filosofen aanhangen. Alles moet volgens het materialisme uiteindelijk materieel zijn, en hiermee wordt dus enige vorm van spirituele of idealistische substanties of eigenschappen verworpen.

De opkomst van het behaviorisme

thumb|180px|right|B.F. Skinner, wellicht de bekendste psychologische behaviorist, en een inspiratiebron voor sommige filosofische behavioristen. In de psychologie ontwikkelde het behaviorisme zich als een reactie tegen de ontoereikendheid van het introspectionisme, "Physicalism", In The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Winter 2005 Edition), Edward N. Zalta (ed.). Gearchiveerd op 25 april 2023. dat zich baseerde op dit Cartesiaans dualisme. Zo publiceerde John Watson in 1913 zijn manifest Psychology as the behaviorist views it,: Psychology as the behaviorist views it. Psychological Review, 1913, 20, 158-177. waarin hij pleitte dat introspectieve verslagen van iemands eigen mentale leven geen onderwerp kunnen zijn van grondig en accuraat onderzoek en niet veralgemeenbaar zijn. Zonder mogelijkheid tot generalisatie en de mogelijkheid tot onderzoek door derden, argumenteerden de behavioristen, is wetenschap niet mogelijk. De uitweg voor de psychologie was de afwijzing van de idee van een intern mentaal leven (en mede ook een ontologisch onafhankelijke geest) en het verleggen van de klemtoon naar de beschrijving van observeerbaar gedrag. In de plaats stelde Watson gedrag en experimenteel onderzoek, met nadruk op observeerbaarheid en objectiviteit, centraal. Dit klassieke behaviorisme wordt ook wel S-R behaviorisme genoemd (stimulus - respons) en was daarbij een erg mechanistisch behaviorisme dat op zoek ging naar hoe stimuli gedrag konden uitlokken en hoe dat beïnvloed kon worden.

Een reactie op problemen die zich stelde in het klassiek behaviorisme, resulteerde in de jaren 30 in het "neobehaviorisme". Deze zouden zich laten inspireren door het logisch positivisme, een stroming waarin het filosofisch behaviorisme mede werd ontwikkeld.: A history of psychology: original sources and contemporary research. New York: McGraw-Hill, 1988. . Hoofdstuk over het neobehaviorisme, aangevuld met teksten van Tolman, Hull en Skinner.: Behaviorism tutorial. Athabasca University, 2005. Dit toont de wisselwerking tussen het behaviorisme in de psychologie en de filosofie aan: waar het filosofisch behaviorisme (mede) ontstond door het klassiek behaviorisme, zou zij op haar beurt nieuwe impulsen geven aan het behaviorisme zelf.

Hiernaast kwam rond het jaar 1945 ook nog het radicaal behaviorisme op, onder impuls van B.F. Skinner.: The operational analysis of psychological terms. Psychological Review, 1945, 52, 270-277. Hierbij richtte behavioristen zoals Skinner zich meer op operante conditionering, in tegenstelling tot de klassieke conditionering van Ivan Pavlov. Het ging hierbij om gedrag dat werd beïnvloed door de consequenties ervan (in de vorm van een bekrachtiging). Belangrijker is dat hierbij ook taal (of verbaal gedrag) gezien wordt als een vorm van operant gedrag, en zo komt het dus dichter bij het filosofisch behaviorisme. In principe was het radicaal behaviorisme niet de hoofdstroming van het behaviorisme, maar doordat vanaf de jaren 70 de cognitieve psychologie opkwam, en veel van het behaviorisme verdreef, was het vooral het radicaal behaviorisme dat overeind bleef staan bij de groep hedendaagse behavioristen.

Voorlopers Het filosofisch behaviorisme ontstond net als het behaviorisme uit de meer functionalistische psychologie, die zich afzette tegen het structuralistisch introspectionisme. Dit functionalisme werd vooral vertegenwoordigd door personen als William James en John Dewey. Tegenover de structuralistische opvatting die de inhoud van ervaringen verwerkelijkt, plaatsen personen als Dewey een meer functionalistische opvatting van mentale toestanden., “The Reflex Arc Concept in Psychology.”, Psychological Review, 3, 1896, p. 357-370. Ook James verwierp een dergelijke substantiële opvatting van het mentale., “Does `Consciousness’ Exist?” Journal of Philosophy, Psychology, and Scientific Methods 1, 1912, p. 477-491. Gearchiveerd op 25 maart 2023. Het zou echter pas Bertrand Russell zijn die als een van de eerste de filosofische waarde van het werk van John Watsons behaviorisme zou inzien. Hoewel Russell zelf geen behaviorist was of zich zo profileerde, stond hij er wel positief tegenover en achtte het van belang dat het zich verder zou ontwikkelen., Philosophy, New York, W. W. Norton, 1927, p. 73. Hij zag heil in een combinatie van behaviorisme en de nieuwe analytische filosofie die toen opkwam.

Het filosofisch behaviorisme Gelijklopend met de ontwikkelingen in de psychologie ontstond dus ook een filosofisch behaviorisme. Het behaviorisme zou in de filosofie van de geest gedurende het grootste deel van de 20e eeuw dominant blijven, in het bijzonder de eerste helft, "Mind-Body Problem", Oxford Companion to Philosophy, In: Ted Honderich (ed.). Oxford, Oxford University Press. 1995.. Deze stroming wordt gekenmerkt door een streng verificationisme, die algemeen alle onverifieerbare beweringen over het interne mentale leven afwijst als betekenisloos. Maar wat zijn mentale toestanden dan als het geen interne toestanden zijn waarvan men introspectief verklaringen van kan afleggen? Het antwoord van de behavioristen is dat mentale toestanden niet bestaan, maar in feite slechts beschrijvingen zijn van gedrag of disposities tot bepaald gedrag, gemaakt door externe derden in een poging om het gedrag van anderen te verklaren of voorspellen. Logisch positivisme