De Belgische Revolutie, Belgische Omwenteling of Belgische Opstand is de gewapende opstand in 1830 tegen koning Willem I der Nederlanden die tot afscheiding van de zuidelijke provincies leidde en tot de onafhankelijkheid van België. Na de Franse Revolutie en de val van Napoleon hadden toenmalige grootmachten zoals de Duitse staten en het Verenigd Koninkrijk een bufferzone gecreëerd door de Belgische gebieden toe te wijzen aan het nieuwe Nederlandse koninkrijk. Dit was gebeurd zonder binnenlandse inspraak.

Naam

Na eeuwenlang goeddeels in onbruik te zijn geweest, duikt eind achttiende eeuw de oude, historische benaming 'Belgen' (door Julius Caesar gebruikt) opnieuw op: de Verenigde Nederlandse Staten, die worden uitgeroepen na de Brabantse Omwenteling, worden in het Frans les États belgiques unis genoemd. Ook in de napoleontische tijd werd het woord België gebruikt, nu om het gebied van de Zuidelijke Nederlanden aan te duiden, waar de bevolking katholiek was en Frans, Waals of een Nederlands dialect sprak. In 1830 scheidden de Belgen zich af van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden om een nieuwe, onafhankelijke staat te gaan vormen, die dan de naam 'België' kreeg.

Europese crisis De crisis in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden moet gezien worden binnen de Europese weerstand tegen de autoritaire restauratieregimes van na het Congres van Wenen in 1815. Na de Julirevolutie van 1830 in Frankrijk kwamen de Polen in opstand tegen de Russen, de Italianen tegen de Oostenrijkers en de Ieren tegen de Engelsen (de Tithe War van 1831 tot 1836).

Willem I Willem I had, zoals alle Europese leiders van na 1815, een autoritaire regeerstijl. Zo voortvarend als hij de economie stimuleerde, zo conservatief was zijn politiek. De economie stimuleerde hij met de oprichting van de Generale Maatschappij, die de ontluikende industriële revolutie in de Zuidelijke Nederlanden ondersteunde. Zijn conservatieve politiek bleek uit de ondervertegenwoordiging van Zuid-Nederlanders in het bestuur en de legerleiding, hoewel ze een groter deel van de bevolking en het leger uitmaakten. De gehate landelijke belastingen en dienstplicht, ingevoerd door de Fransen, bleef hij behouden.

Het zogenaamde Taalbesluit, dat in 1823 het Nederlands langzamerhand als ambtstaal in de provincies West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen, Antwerpen en Limburg invoerde, zorgde voor enige weerstand in het zuiden, waar Wallonië, de kerkelijke leiders, de adel en de bourgeoisie in Vlaanderen Frans spraken. De katholieken – de meerderheid van de bevolking – eisten enerzijds vrijheid van onderwijs en godsdienst, terwijl de nieuw-liberalen anderzijds bezwaren hadden tegen de repressieve regeerstijl van Willem I.

Dit leidde tot het unionisme (tussen katholieken en liberalen) en toen dit samengaan, geleid door jonge intellectuelen, aan kracht won, werd de afscheiding een serieus alternatief. In 1829 verhevigde de oppositie van de Zuid-Nederlandse parlementsleden in de Staten-Generaal. Vooral het Franstalige deel van de burgerij uitte zijn ongenoegen met 'patriottische banketten' en 'petities' naar Den Haag. Het strafrechtelijk beteugelen van de oppositie maakte dat 'martelaars' zoals Louis de Potter nationale bekendheid kregen en in sommige kringen tot het heldendom opklommen.

Portici Een opvoering van de opera De Stomme van Portici (La Muette de Portici) van Daniel Auber op 25 augustus 1830 in Brussel was de aanleiding tot georganiseerde rellen van Fransgezinde separatisten en volksrumoer, die door de burgerij met een inderhaast gevormde burgerwacht in bedwang werden gehouden. Het Voorlopig Bewind van de Zuidelijke Nederlanden riep op 4 oktober 1830 de onafhankelijkheid uit. Het regeringsleger reageerde op de kleine troepenmacht die de nieuwe Belgen in Brussel verzamelden, maar was niet voorbereid op een guerrillaoorlog in de middeleeuwse stadsstraten. Na gevechten her en der raakte het grotendeels Franstalige leger in ontbinding en werd het uit de zuidelijke provincies verdreven als het niet overliep naar de Belgische zijde. Een Nationaal Congres werd verkozen, een staatsvorm – de constitutionele monarchie – werd gekozen, een naar de normen van de tijd liberale grondwet werd uitgevaardigd en een koning werd gekozen die aan de mogendheden vertrouwen kon geven.

Aanloop thumb|De Verenigde Provinciën en de Zuidelijke Nederlanden waren in 1815 samengevoegd tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden onder koning Willem I, met het groothertogdom Luxemburg in personele unieminiatuur|De prins van Oranje raakt gewond tijdens de Slag bij Waterloo op 18 juni 1815. Als bevelhebber van een Nederlands-Belgisch legeronderdeel vocht hij mee tegen Napoleon. De Verenigde Provinciën in het Noorden en de Koninklijke of Spaanse Nederlanden, later Oostenrijkse Nederlanden of ook nog Zuidelijke Nederlanden in het zuiden, hadden sinds 1579 elk hun eigen ontwikkeling doorgemaakt. Vanaf 1810 hadden beide deel uitgemaakt van het Franse Keizerrijk onder Napoleon Bonaparte, totdat vanaf 1813 de Franse troepen zich terug begonnen te trekken.

In 1790 hadden de Zuid-Nederlandse gewesten (op Luxemburg na) kortstondig de Verenigde Nederlandse Staten uitgeroepen, uit ontevredenheid over het beleid van de Oostenrijkse keizer Jozef II. Omdat een keizerlijk leger dreigde, heeft het bestuur nog onderhandeld met de Nederlandse Republiek om zich daarbij aan te sluiten. Door een Pruisische en Oostenrijkse interventie kwam aan de Verenigde Nederlandse Staten al in december van hetzelfde jaar een einde. In 1795 werden de Zuidelijke Nederlanden veroverd door Frankrijk en ingelijfd. Op de Boerenkrijg na had in de Franse tijd in de Belgische departementen een streven naar autonomie vrijwel volledig ontbroken, maar na de terugtrekking van de Fransen kwam dit idee wederom op; er was niet veel animo voor een vereniging met het Noorden, en ook aansluiting bij Frankrijk was weinig populair, terwijl Oostenrijk de oude erflanden niet terug wilde. Het waren de internationale druk en het streven van Willem I die leidden tot de vereniging van Noord en Zuid.

Nog vóór de veldslag in Waterloo in 1815 had Groot-Brittannië, dat de eigen veiligheid gewaarborgd wist door een machtsevenwicht op het Europese vasteland, de andere grootmachten Oostenrijk, Pruisen en Rusland ervan kunnen overtuigen de Nederlanden weer samen te voegen om aldus een dam op te werpen tegen Frankrijk en de Duitse Bond. Op 9 maart 1814, in het Verdrag van Chaumont, werd bepaald dat Nederland een onafhankelijke staat zou worden, met een verder uit te breiden grondgebied. Vervolgens werd met de Acht Artikelen van Londen besloten tot de vereniging van Noord- en Zuid-Nederland. Dit werd bevestigd op het Congres van Wenen (september 1814 – juni 1815). Op 16 maart 1815 stelde Willem I zichzelf aan als koning van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (Royaume Uni des Pays-Bas of Royaume Uni des Belgiques). In het zuiden was er aanvankelijk sprake van aarzeling, maar de Honderd Dagen van Napoleon trokken de Belgen over de streep om zich aan te sluiten bij het Verenigd Koninkrijk, hoewel dit niet door iedereen met gejuich werd begroet. Adellijke families waren verdeeld over de steun aan Frankrijk of aan Nederland; tijdens de slag stonden officieren uit dezelfde familie tegenover elkaar. Een legercommandant weigerde zich tijdens en na de slag onder Nederlands bevel te laten plaatsen. Toch berichtten kranten over het enthousiasme onder de Belgische troepen.

Beleid De beide landsdelen hadden maar weinig gemeen, zeker wat het Franstalige gebied en de elite in het zuiden betrof. De culturele verschillen tussen het noorden en het zuiden waren steeds groter geworden sinds de scheiding in de zestiende eeuw. Het zuiden was katholiek en Franstalig gedomineerd, het noorden Nederlandstalig en protestants gedomineerd. De verschillen mogen echter ook niet overdreven worden, zeker wat betreft Vlaanderen. Zowel in het noorden als in het zuiden waren zowel de landbouw als de handel dominant en beide gebieden waren Nederlandstalig. Ondanks de dominantie van de protestantse provincie Holland, was een bijna even grote groep katholiek in het noorden. Willem I was in dit opzicht gewend om te heersen over verschillende religies. In de eerste jaren werd nog gevreesd voor het uiteenvallen van de nieuwe staat. Men wilde erkenning van het katholieke karakter van het zuiden en ook de verplichting mee te moeten betalen aan de enorme staatsschuld van het noorden wekte weerstand op. Het zuiden had een schuld van slechts 26 miljoen gulden, terwijl dit voor het noorden 1726,5 miljoen gulden was, voor een derde rentegevend. Deze lage schuld van het zuiden was mede het gevolg van de overheersing door vreemde mogendheden in het verleden, die de schulden in de eigen begroting dienden op te nemen.

Er waren nog verschillende andere vlakken waarop de Zuid-Nederlandse gewesten zich achtergesteld voelden. De Tweede Kamer bestond uit 110 leden: 55 voor de Zuidelijke Nederlanden met 3,5 miljoen inwoners en evenveel voor de Noordelijke provincies met 2 miljoen inwoners. De meeste staatsinstellingen waren in het Noorden gevestigd, terwijl de staatsambten ongelijk verdeeld waren: slechts één minister op vier kwam uit de zuidelijke provincies. Dit was niet helemaal een bewuste discriminatie, maar was gedeeltelijk te wijten aan de opstelling van de katholieke bisschoppen die hun gelovigen op straffe van excommunicatie verboden hadden om een overheidsbetrekking aan te nemen. Dit heeft vermoedelijk veel te maken gehad met de angst voor protestantse dominantie en de Franstalige gerichtheid van de katholieke leiders. De richtlijn dateerde reeds van 1815 en werd uitgevaardigd door de Gentse bisschop van Franse afkomst Maurice de Broglie. Hierdoor kreeg het nieuwe bewind niet de kans om zijn godsdienstige tolerantie ten opzichte van de katholieken te tonen. Willem I wilde nochtans de grondwet aanpassen, zodat zijn opvolger katholiek kon zijn. In 1817 versoepelde aartsbisschop De Méan de houding van de Kerk en kon men voortaan, onder een bepaald voorbehoud, de eed afleggen en overheidsfuncties aanvaarden. Dit veranderde nochtans weinig aan de top, die een protestantse en Nederlandstalige dominantie afwees.

Het contingent, opgelegd aan de Zuidelijke Nederlanden bij de rekrutering van dienstplichtigen voor het leger, was onevenredig groot. Het Belgische aandeel in het officierenkorps was echter beperkt: slechts één officier op zes kwam uit de zuidelijke provinciën en dan nog vooral in de lagere rangen en bij de infanterie en de cavalerie. Het aantal officieren uit het zuiden was echter minimaal bij de artillerie en de genie, waarvoor een gespecialiseerde opleiding nodig was. Aldus werd een meerderheid van de soldaten uit het zuiden bevolen door officieren uit het noorden. Het niet invoeren van de persvrijheid en van de vrijheid van vereniging (handhaven van de Wet le Chapelier) werd door de intellectuelen als een bijkomend middel tot controle uit het Noorden ervaren. Deze situatie kan verklaard worden door de sterke tegenwerking vanuit de Franstalige elite. Willem I had geen zuivering uitgevoerd tegen de samenwerking met het napoleontische regime. Het nog steeds dominante Franstalige officierenkorps was een onberekenbare factor in het streven naar eenheid en stabiliteit.

In 1825 leek de staat dan echter toch gevestigd. De gevolgde politiek wist dit in de jaren daarna echter weer ongedaan te maken. Vanaf 1828 uitte dit zich in een diepe gezagscrisis, al leek dit aanvankelijk nog niet noodzakelijk te leiden tot het uiteenvallen van de staat.

Grondwet