start=25:16|eind=30:30|thumb|Fragment uit een Amerikaanse propagandafilm uit 1943 over de aanval op Nederland
Met de Duitse aanval op Nederland in 1940 begon op 10 mei voor Nederland de Tweede Wereldoorlog. Duitsland viel gelijktijdig ook Luxemburg en België binnen, als onderdeel van Fall Gelb. Aan de Peel-Raamstelling en op de Grebbeberg kon het Nederlandse leger geen stand houden. Een Duitse aanval op Den Haag door parachutisten werd afgeslagen. Als extra drukmiddel besloot het Duitse opperbevel daarom tot een bombardement op Rotterdam, op 14 mei 1940. Mede vanwege de Duitse dreiging met verdere bombardementen, op de steden Utrecht, Amsterdam, Den Haag en Haarlem, capituleerde in de nacht van woensdag 15 mei de Nederlandse land- en luchtmacht.
Opperbevelhebber generaal Henri Winkelman tekende de Nederlandse capitulatie. Aan Duitse zijde was generaal Georg von Küchler de hoogste officier. De capitulatie gold niet voor de provincie Zeeland, waar Franse, Belgische en Nederlandse troepen nog enkele dagen streden, totdat op 17 mei 1940, na het bombardement op Middelburg, de strijd in Zeeland ook werd opgegeven. De hieropvolgende Duitse bezetting van Nederland zou vijf jaar gaan duren met uitzondering van een groot deel van Brabant, Eindhoven werd bijvoorbeeld op 18 september 1944 bevrijd daarna stagneerde dit door het mislukken van operatie market garden. Frankrijk capituleerde na de evacuatie van Britse en Franse soldaten uit Duinkerken naar Engeland in 1940, die ternauwernood aan een Duitse omsingeling en gevangenneming ontsnapten. De Duitse militaire bezetting van continentaal West-Europa was daarmee een feit.
Strategische redenen In de Eerste Wereldoorlog had het Duitse Keizerrijk geprobeerd het Schlieffenplan uit te voeren: via een omtrekkende beweging door België Frankrijk aanvallen. Er bestaat onder militaire historici verschil van mening waarom dit mislukte. Volgens sommigen was het plan te ambitieus, andere historici menen dat het Duitse leger in de Eerste Wereldoorlog te weinig mobiel was voor een dergelijk plan. Hitler meende dat ook de beperkte lengte van de Duits-Belgische grens destijds een knelpunt was voor het doortrekkende Duitse leger. Hij besloot daarom dat ditmaal ook Nederlands Zuid-Limburg bij de Duitse aanval op Frankrijk betrokken moest worden, tegen de Nederlandse neutraliteit in. Hij ging daarbij voorbij aan het feit dat buiten Europa het nog neutrale Nederlands-Indië een belangrijke bron van olie was voor de Japanse oorlog tegen China.De latere, gezamenlijke olieboycot met Engeland en de Verenigde Staten bracht Japan tot zijn aanval op Pearl Harbor en de verovering van Nederlands-Indië. Bovendien werd de snelle Duitse verovering van Nederland, België en Frankrijk door Japan als teken van zwakte van deze laatste drie landen beschouwd.
In het kader van de Duitse aanval op Frankrijk was de bezetting van Nederland slechts een nevenoperatie. Dat Duitsland een tamelijk forse legermacht tegen Nederland inzette, was om te voorkomen dat een omvangrijke Britse interventiemacht in Nederland zou landen en vervolgens het Duitse Ruhrgebied zou bedreigen. Bovendien wilde de Luftwaffe vanuit een bezet Nederland Engeland bombarderen. Dat Adolf Hitler van plan was om de Lage Landen te nazificeren, en het bij een "Groot-Duits Rijk" of een "Groot-Germaans Rijk" wilde inlijven, was ten tijde van de aanval nog niet duidelijk. Aanvankelijk werd dan ook een Duits militair bestuur in Nederland ingesteld, dat op 29 mei 1940 werd vervangen door een Duits civiel bestuur.
Verloop van de aanval Het aanvalsplan Het algemene Duitse aanvalsplan was verdeeld over drie legergroepen. Legergroep C onder Von Leeb bleef gelegerd tegenover de Franse Maginotlinie. Legergroep B onder Von Bock bestond uit twee legers. Küchlers 18e leger, waaronder een pantserdivisie en luchtlandingssteun, zou Nederland aanvallen. Reichenaus 6e leger, met twee pantserdivisies, zou over de Belgische vlakte oprukken. Het sterkst was Legergroep A onder Von Rundstedt. Deze legergroep bestond uit Kluges 4e leger, Lists 12e leger, Busch' 16e leger, en Von Weichs' 2e leger. Deze legergroep telde anderhalf miljoen man en 1200 tanks. Het Franse leger telde 2.200.000 man.
Voor de aanval op Nederland werden ingezet: generaal Von Küchlers 18e leger, versterkt met de 9e Pantserdivisie, een SS-divisie en een SS-regiment. Dit leger was verdeeld in twee korpsen plus een versterkte cavaleriedivisie. Het 10e Legerkorps, twee infanteriedivisies versterkt met twee SS-regimenten, had tot taak door Gelderland de Nederlandse hoofdverdediging bij de Grebbelinie aan te vallen.
Het 26e Legerkorps (twee infanteriedivisies, twee reserve-infanteriedivisies, twee SS-regimenten en een pantserdivisie), zou door Noord-Brabant aanvallen en met de infanteriedivisies door de Peel-Raamstelling breken, waarna het met de 9e Pantserdivisie voorop over de Moerdijkbrug naar Den Haag zou oprukken. Generaal Student zou met de 7. Fliegerdivision (parachutisten en luchtlandingstroepen) de Moerdijkbruggen en de bruggen bij Dordrecht en Rotterdam bezetten. Generaal Von Sponeck landde met de 22e Infanteriedivisie bij Den Haag.Deze beide divisies vormden tezamen het Luftlandekorps, een legerkorps ter sterkte van 19.000 man, waarvan 4.500 parachutisten van de 7. Fliegerdivision en 14.500 man infanterie van de 22e Luchtlandingsdivisie (zie: Jong, Dr. L. de (1969), blz. 299). De 7. Fliegerdivision kon niet op volle sterkte worden ingezet op de as Moerdijk-Rotterdam. 500 parachutisten waren bestemd voor het Belgische strijdtoneel en een kleine 1000 werden uitgeleend aan de 22e Infanteriedivisie voor de aanval op Den Haag, in ruil waarvoor een van de drie regimenten van de 22e Infanteriedivisie beschikbaar was gesteld aan de 7. Fliegerdivision voor de operaties op de as Moerdijk-Rotterdam. De 1e cavaleriedivisie zou Noord-Nederland (Groningen, Friesland) voor haar rekening nemen.
Het Duitse 6e Leger (vier legerkorpsen) nam tevens deel aan de slagen langs de Maas en de Peel-Raamstelling en boog daarna geleidelijk aan af naar België.
Spionage Voorafgaand aan de Duitse inval voerde het Duitse Rijk de spionage fors op. Ten gevolge hiervan kon bijvoorbeeld bij de inval de commandant van de 207e Infanteriedivisie beschikken over een gedetailleerde kaart van de Grebbeberg, met mijnenvelden, commandoposten, kazematten en inundaties. Ook de commandanten van de Slag om Den Haag beschikten over uitmuntende kaarten van de stad, compleet met locaties van het Koninklijk Huis en de voornaamste verdedigingsposten.
De Duitse kapitein Kriebel kwam op 23 februari 1940 per trein in Den Haag aan en verkende per auto de Grebbeberg. Majoor Mantey en Generaal-Majoor Zickwolf, de commandant van de Duitse 227e divisie, bezochten Nederland. De Duitsers verkenden de Grebbelinie vanop de uitkijktoren in Ouwehands Dierenpark. Toen minister-president De Geer op de spionage gewezen werd, achtte hij de economische betekenis van de openstelling van de toren belangrijker dan mogelijke risico's voor de staatsveiligheid.Het Schandaal van de Grebbeberg [De Slag om de Grebbeberg]. Gearchiveerd op 7 juni 2023.
Ook op andere plaatsen gaven economische motieven vaak de doorslag. Zo werden bij de Grebbelinie en bij andere stellingen verzoeken tot het kappen van bomen afgewezen, omdat dit tot hoge schadeclaims van boeren zou kunnen leiden.
Vooravond In augustus 1939 werd Nederland gemobiliseerd. Op vitale punten waren bunkers gebouwd; daarmee was Nederland voldoende voorbereid, meende men. Men realiseerde zich niet dat de gemobiliseerde troepen sinds de mobilisatie vooral de eigen stellingen hadden gebouwd. Ze waren als grondwerker actief geweest, maar niet getraind als soldaat.
In de periode 1937 tot mei 1940 wist het ministerie van Oorlog nog een aanzienlijke uitbreiding van de materiële sterkte van het leger te bewerkstelligen. Zo werd met name modern 47 mm antitankgeschut (380 stuks van het "Kanon van 4.7" van de Oostenrijkse producent Böhler) en modern luchtafweergeschut (vooral de Oerlikon 20 mm en de Bofors 40L60, maar ook de 37 mm FLAK 37) aangeschaft, en werden 39 relatief moderne pantserwagens (vooral de M36, M38 en M39) in de bewapening opgenomen. Het leger had echter een groot tekort aan moderne artillerie, aan voldoende en moderne machinegeweren, aan voldoende mortieren en vooral aan verbindingsmiddelen. Hierdoor kon men de helft van het leger niet in divisieverband opstellen omdat de artillerie daarvoor ontbrak. Het bewapeningsniveau was dat van een leger uit 1900. Ook de Militaire Luchtvaart (de luchtmacht) kreeg nog een zeventigtal moderne toestellen (Fokker T.V, Fokker G.I en Fokker D.XXI) in de laatste jaren voor de oorlog. De uitgaven werden echter beperkt gehouden en tevens ondervond men veel problemen met het onderbrengen van de opdrachten omdat de hele wereld aan het herbewapenen was en Nederland maar weinig eigen defensie-industrie bezat. Grondstoffen waren daarnaast ook vaak schaars.
Sommige wapenorders werden geplaatst bij Krupp in Duitsland. Hoewel de Duitse regering deze orders aanvankelijk had goedgekeurd, werden de wapens (achteraf om voor de hand liggende redenen) nooit geleverd en hielden de Duitsers de Nederlanders voortdurend aan het lijntje. Uiteindelijk, toen het te laat was om nog bij andere landen wapens te bestellen, werden de Nederlandse orders door de Duitse regering geannuleerd.
Privé-initiatieven kwamen ook van de grond: onder andere in Leeuwarden, Delft en Den Haag werd op privé- of bedrijfsinitiatief luchtafweergeschut in Zwitserland aangekocht en geplaatst. Deze onderdelen werden door de Vrijwillige Luchtafweer Dienst bezet.
Op 9 november werden in het Venlo-incident twee Britse geheime agenten op Nederlands grondgebied gevangengenomen door de Gestapo en naar Duitsland afgevoerd. Hierbij kwam de Nederlandse luitenant Dirk Klop om het leven.
De GS IIIA informeerde de Nederlandse politieke en militaire beleidsmakers begin november 1939 dat Adolf Hitler op 12 november 1939 een aanval op Nederland plande. Aan de hand van de berichten van de GS IIIA werden een aantal maatregelen genomen om voorbereid te zijn op een eventuele Duitse aanval. De informatie van de GS IIIA was onder meer gebaseerd op de inlichtingen van majoor Bert Sas, de Nederlandse militaire attaché in Berlijn, maar ook op informatie uit andere bronnen.
Op 10 januari 1940 maakte een Duits militair vliegtuigje een noodlanding bij Maasmechelen in België. De Duitse inzittenden probeerden in paniek papieren te verbranden; deze papieren bevatten het plan Fall Gelb, het Duits offensief tegen Frankrijk, België en Nederland. De GS IIIA ontving deze informatie. Men nam de dreiging wederom ernstig en informeerde de beleidsmakers. Hoewel er sprake was van enige scepsis bij de beleidsmakers werden wederom maatregelen genomen om de Duitse dreiging het hoofd te kunnen bieden.
De inlichtingenbron van majoor Sas was kolonel Hans Oster, werkzaam bij de Duitse contraspionagedienst Abwehr. Toen Hitler de planning van Fall Gelb wijzigde, gaf Oster verschillende malen nieuwe data door. Achteraf bleek dat de informatie van majoor Sas en kolonel Oster telkens correct was. Hoewel het beeld bestaat dat er collectief werd getwijfeld aan de informatie van Sas, blijkt uit recent onderzoek dat Sas ernstig werd genomen. Verder is gebleken dat de GS IIIA over een uitgebreid netwerk van agenten en informanten beschikte en daarnaast ook nog op andere wijze aan inlichtingen kwam (SIGINT, marechaussee, OSINT). Het contact van majoor Sas was een belangrijke informant maar niet de enige die de GS IIIA informeerde over de Duitse aanvalsdata.