miniatuur|Projet d'Opéra, ontwerp van Étienne-Louis Boullée uit 1781. miniatuur|Altes Museum, Berlijn (interieurschets Karl Friedrich Schinkel, 1829). Neoclassicistische architectuur is een architectuurstijl die, in lijn met de bredere kunststroming van het neoclassicisme, een terugkeer naar de idealen van de oude Griekse en Romeinse bouwkunst voorstond. Het neoclassicisme in de bouwkunst ontstond enerzijds als een reactie op de zwierige vormen van de barok- en rococo-architectuur, anderzijds als een voortzetting van de classiciserende tendensen in de bouwkunst van de tweede helft van de 18e eeuw (Lodewijk XVI-stijl). De stroming beleefde in Europa een hoogtepunt tussen ca. 1770 en 1840. In veel landen, ook buiten Europa, vond de stijl ook later in de 19e, en zelfs in de 20e eeuw nog navolging. Sommige architecten ontleenden hun klassieke beeldtaal op een indirecte manier aan voorbeelden uit de renaissance of het werk van de Italiaanse architect Andrea Palladio; deze varianten worden meestal aangeduid als neorenaissance en neopalladianisme. In Duitstalige landen (en in Oost-Europa) wordt meestal gesproken over Klassizismus, waar elders de term neoclassicisme wordt gebruikt.

Zuid-Europa De Griekse koning Otto I was, evenals zijn vader Ludwig I van Beieren, een groot liefhebber van de klassieke architectuur. In zijn opdracht bouwde de Duitse architect Friedrich von Gärtner in Athene het koninklijk paleis, thans het Parlement van Griekenland. De van oorsprong Deense architect Theophil Hansen ontwierp in de Griekse hoofdstad een laat-neoclassicistisch ensemble, bestaande uit de Universiteit van Athene, de Nationale Academie en de Nationale Bibliotheek. Hansen, die ook in Wenen actief was, was ook de architect van het Zappeion, dat overeenkomsten vertoont met het Oostenrijkse Parlement.

In Napels waren Stefano Gasse en Leopoldo Laperuta de leidende neoclassicistische architecten. Eerstgenoemde bouwde er een tweetal tempeltjes en de sterrenwacht van Capodimonte; laatstgenoemde bouwde in Napels het Palazzo della Prefettura en de Basilica di San Francesco di Paola. Andere Italiaanse bouwmeesters waren vooral in Rome werkzaam: Luigi Poletti, Cosimo Morelli en Giuseppe Valadier. De laatste restaureerde een aantal klassieke Romeinse monumenten, waaronder het Colosseum, de Boog van Titus en de Tempel van Portunus. In Genua was de architect Carlo Barabino van belang. Hij bouwde er de Opera (Teatro Carlo Felice) en de façade van de San Sirokerk, en maakte diverse stadsuitbreidingsplannen, waaronder het ontwerp van de monumentale begraafplaats Staglieno. In de provincie Verona is de Dom van Cologna Veneta neoclassicistisch. Meerdere Italiaanse architecten waren in deze periode in Rusland werkzaam (zie hieronder).

In Spanje en Portugal zijn relatief weinig neoklassieke bouwwerken te vinden. De Italiaan Francesco Sabatini werkte een groot deel van zijn leven in Madrid. Zijn kerken en paleizen bewegen zich tussen late barok, neoclassicisme en neorenaissance. Juan de Villanueva ontwierp in Madrid het stadhuis, de botanische tuinen en het Prado-museum. De architect Torcuato Benjumeda was vooral werkzaam in Andalusië, met name in Cádiz.

Frankrijk De Fransman Ange-Jacques Gabriel was met zijn ontwerpen voor de Place de la Concorde en de École Militaire in Parijs, en de Koninklijke Opera en het Petit Trianon in Versailles een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Lodewijk XVI-stijl in Frankrijk en was daarmee tevens een wegbereider van het neoclassicisme. Ook het werk van de 18e-eeuwse architectuurtheoretici Étienne-Louis Boullée en Claude-Nicolas Ledoux wordt gezien als belangrijk voor de ontwikkeling van het neoclassicisme in Europa. Van de eerste zijn maar heel weinig ontwerpen gerealiseerd; de laatste beoogde met zijn Koninklijke zoutziederij van Arc-et-Senans een idealistische en visionaire stad te scheppen. Enkele invloedrijke gebouwen uit deze tijd zijn het Panthéon van Jacques-Germain Soufflot, het Théâtre de l'Odéon van Charles De Wailly en het Grand Théâtre de Bordeaux van Victor Louis. De belangrijkste neoclassicistische bouwmeesters in het vroeg-19e-eeuwse Parijs waren Pierre-Alexandre Vignon (Église de la Madeleine), Jean Chalgrin (diverse gebouwen in Versailles, Arc de Triomphe) en Alexandre-Théodore Brongniart (Beurs van Parijs, Père-Lachaise). Een laat voorbeeld van Frans neoclassicisme is het Paleis van Justitie van Lyon, dat spottend « les 24 colonnes » wordt genoemd.

België en Nederland miniatuur|rechtop=1.1|Het Koningsplein in Brussel, kort na de herbouw door Barré, Guimard & Montoyer. Centraal de Sint-Jacobskerk, nog zonder koepel (ets F. Lorent, 1778) In de Zuidelijke Nederlanden waren de laat-18e-eeuwse bouwwerken van Laurent-Benoît Dewez (onder andere het Kasteel van Seneffe) van grote invloed op de ontwikkeling van het neoclassicisme. De Fransman Charles De Wailly bouwde in deze periode het Kasteel van Laken en een theater bij het Kasteel van Seneffe. Ook in het onafhankelijk geworden Koninkrijk België droegen een aantal architecten, waaronder Pierre Bruno Bourla, Tieleman Franciscus Suys en Lodewijk Roelandt, het klassieke idioom een warm hart toe. De stijl is vooral zichtbaar op het Martelarenplein en in het regeringsdistrict van de Belgische hoofdstad. Ook elders getuigen imposante bouwwerken van de populariteit van het neoclassicisme in het jonge koninkrijk, zoals de Gentse Opera, de aula van de universiteit en het Oud Gerechtsgebouw in dezelfde stad, de Bourlaschouwburg in Antwerpen, de Opera van Luik en het Casino van Spa. De Koninklijke Muntschouwburg in Brussel van Joseph Poelaert kan gezien worden als een laat voorbeeld van deze stijl.

miniatuur|rechtop=1.1|Paviljoen Welgelegen in Haarlem, door een onbekende architect, 1785-89 In Nederland verrezen naar verhouding weinig bouwwerken in neoklassieke stijl. De Beurs van Zocher op de Dam in Amsterdam werd al rond 1900 gesloopt. Het Stadhuis van Groningen en het gebouw Felix Meritis in Amsterdam, beide ontworpen door Jacob Otten Husly, zijn zeldzame voorbeelden van vroeg neoclassicisme in Nederland. Het Paviljoen Welgelegen in Haarlem geldt als een puur voorbeeld van de stijl. Van het Paleis Soestdijk zijn alleen de later gebouwde zijvleugels neoclassicistisch. De Paleizen van Justitie van Amsterdam, Zwolle en Leeuwarden, alsmede het Stadhuis van Utrecht behoren eveneens tot deze stijl. Voorbeelden van kleinere neoclassicistische bouwwerken en monumenten zijn: het Vaalsbroek Mausoleum en de Obelisk van Vaals (Moretti, ca. 1790), de Graftombe van Nellesteyn in Leersum (Zocher jr, 1818) en de grafmonumenten van de families Macpherson-van Meeuwen (1846), De Stuers (1861), Hartog van Banda (1873), Carré (1891) en Bentinck (1927).

Zowel in Nederland als in België kunnen de meeste kerken uit de eerste helft van de 19e eeuw - in Nederland meestal aangeduid als waterstaatskerken - tot de neoclassicistische architectuur gerekend worden. De Mozes en Aäronkerk in Amsterdam is hiervan een voorbeeld.

Midden-Europa In Duitsland omhelsde Friedrich Wilhelm von Erdmannsdorff als een der eersten het neoclassicisme (aanvankelijk nog aangeduid als Lodewijk XVI-stijl). In het Parklandschap Dessau-Wörlitz zijn verschillende gebouwen van zijn hand te vinden. De jonggestorven Friedrich Gilly wordt gezien als een van de wegbereiders van het pure neoclassicisme in Duitsland. Berlijn, München en in mindere mate Kassel en Hannover waren de centra van de nieuwe architectuurstroming.

In de Pruisische hoofdstad Berlijn waren Carl Gotthard Langhans, Karl Friedrich Schinkel en Friedrich August Stüler de toonaangevende architecten. De Brandenburger Tor van Langhans, de Neue Wache, het Altes Museum en het Konzerthaus Berlin van Schinkel en de Alte Nationalgalerie en het Neues Museum van Stüler behoren tot de bekendste gebouwen van Berlijn. In het Koninkrijk Beieren was koning Ludwig I een groot liefhebber van klassieke kunst en architectuur. Friedrich von Gärtner en Leo von Klenze bouwden niet alleen in de Beierse hoofdstad (onder andere langs de Ludwigsstrasse en aan de Königsplatz), maar ook elders in Beieren en Duitsland. Georg Ludwig Friedrich Laves was de belangrijkste neoclassicistische bouwmeester in het Keurvorstendom, later Koninkrijk Hannover. Laves ontwierp er onder meer de Opera van Hannover, het Leine Schloss en de Waterlooplatz (met erezuil). In het Keurvorstendom Kassel heerste eind 18e eeuw een vooruitstrevende geest. Het Fridericianum van Simon Louis du Ry is een der oudste musea ter wereld en een van de eerste neoclassicistische bouwwerken in Duitsland. Het Schloss Wilhelmshöhe van dezelfde architect is thans eveneens een museum.

De van oorsprong Deense architect Theophil Hansen was de bouwmeester van enkele monumentale laat-classicistische bouwwerken in Wenen, onder andere het Oostenrijks Parlement, de Beurs en de Wiener Musikverein. De Hongaar József Hild ontwierp de basiliek van Esztergom en delen van de Sint-Stefanusbasiliek in Boedapest. Mihály Pollack ontwierp de neoclassicistische façade van het Hongaars Nationaal Museum.

Noord-Europa De Franse architect Nicolas-Henri Jardin werkte zeventien jaar in Denemarken en introduceerde het neoclassicisme in de Scandinavische landen. In Kopenhagen en omgeving leidde hij onder meer de bouw of verbouw van de paleizen Christiansborg, Fredensborg, Bernstorff en Marienlyst. De Deen Christian Frederik Hansen bouwde aan het begin van de 19e eeuw in Kopenhagen onder andere de voorganger van het huidige Christiansborg-paleis, het Paleis van Justitie en enkele kerken in puur neoclassicistische stijl.

De in Kopenhagen geboren Christian Heinrich Grosch was voornamelijk actief in Oslo en bouwde er onder andere de Beurs, de Noorse Bank, het hoofdgebouw van de Universiteit van Oslo en het Cristianiatheater (thans Nationaltheatret). De Koninklijke Opera van Stockholm en het Rijksdaggebouw in dezelfde stad zijn laat-19e-eeuwse voorbeelden van neoclassicisme in Zweden.

In Helsinki bouwde de van oorsprong Duitse architect Carl Ludvig Engel een indrukwekkend oeuvre van neoclassicistische bouwwerken op, waaronder het Regeringspaleis, het Presidentiële Paleis, de Ministeries van Defensie en Buitenlandse Zaken, de Nationale Bibliotheek van Finland, het Stadhuis van Helsinki, een aantal gebouwen van de Universiteit van Helsinki en enkele kerken (waaronder de Lutherse Dom).

Oost-Europa In het Pools-Litouwse Gemenebest getuigen laat-classicistische gebouwen als het Łazienkipaleis en het Królikarnia in Warschau van Frans-Italiaanse invloeden. Enkele gebouwen op het landgoed Natolin duiden op Duitse invloeden. De Italiaan Antonio Corazzi ontwierp onder andere het Staszicpaleis en het Teatr Wielki in Warschau. Andere belangrijke neoclassicistische bouwwerken in Polen zijn de Tempel van de Sibille in Puławyen de Alexanderkerk in Warschau. De Pools-Litouwse neoclassicistische architect Laurynas Gucevičius bouwde vooral in Vilnius, onder andere de kathedraal, het presidentiële paleis en het Verkiai Paleis (thans Litouwse Academie van Wetenschappen).

In Rusland vonden eind 18e, begin 19e eeuw een groot aantal buitenlandse architecten emplooi. Catherina de Grote haalde de Italiaanse bouwmeester Giacomo Quarenghi naar Sint-Petersburg, die er onder andere het gebouw van de Russische Academie van Wetenschappen, het Hermitage Theater en de keizerlijke manege bouwde. Verder ontwierp Quarenghi het Catharinapaleis in Moskou, het Alexanderpaleis in Tsarskoje Selo en was hij mede-architect van het Pella Paleis (door Catharina's zoon gesloopt). Ook de Schot Charles Cameron kreeg van de tsarina alle ruimte om imposante bouwwerken neer te zetten, zoals het Pavlovsk Paleis nabij Sint-Petersburg (samen met Carlo Rossi en anderen), het Alexanderpaleis in Tsarskoje Selo en - samen met Starov - de Sofiakathedraal in Poesjkin.