Cheops is een episch gedicht in 212 versregels van de Nederlandse dichter J.H. Leopold, dat voor het eerst werd gepubliceerd in De Nieuwe Gids van januari 1915. De ziel van farao Cheops is opgenomen in het hiernamaals en neemt tijdens een ommegang het heelal waar als een uit talloze sterrenstelsels bestaand geheel waaraan geen overkoepelend ordeningsprincipe ten grondslag ligt. Daarop keert hij terug naar de orde en samenhang van de grafkelder van zijn vertrouwde piramide. Meteen vanaf de publicatie werd het werk bewonderd om zijn woordkeuze en zinsbouw, de filosofische thematiek en om zijn mysterieuze sfeer. Cheops wordt algemeen beschouwd als een hoogtepunt in Leopolds oeuvre en is een van de hoogst gewaardeerde gedichten uit de Nederlandse poëzie.Sötemann en Van Vliet (1983), 107 De uiterst zorgvuldige vormgeving stempelt het tot een symbolistisch gedicht, maar het aldus gepresenteerde gefragmenteerde wereldbeeld, de twijfel en de wanorde zijn juist de uitdrukking van 'een nieuw, modernistisch levensgevoel.'Bel (2015), 566

Het gedicht, in een metrum van rijmloze vijfvoetige jambes oftewel blank vers, bestaat uit zeven strofen van verschillende lengte, dus vrij vers, waarvan de eerste vier in een onstuimige, wervelende stijl de ruimtereis beschrijven en de overige drie op veel regelmatiger en strakker wijze het uit- en inwendige van de piramide, tot de grafkamer en de mummie van de farao aan toe. Het gedicht werd van meet af aan gelezen als een voorstelling van Leopolds eigen eenzelvige lotsbestemming. Latere onderzoekers hebben ook een poëticale strekking onderkend en veel aandacht gewijd aan de verwerking van klassieke bronnen als Herodotus over de piramide en vooral het epicurisme, de filosofie van Epicurus, die voornamelijk is overgeleverd in het geschrift De nature rerum van Lucretius. Aan deze filosofie beantwoordt de ruimte in het gedicht; de van eenheid en samenhang doortrokken piramide kent daarentegen een stoïstische architectuur.

Tijdens het leven van Leopold was Cheops al opmerkelijk beroemd voor een werk dat slechts in bibliofiele uitgaven met kleine oplagen verschenen was. Onder meer J.C. Bloem, Hendrik Marsman en Martinus Nijhoff uitten hun grote bewondering. Jonge modernisten herkenden hun literaire en wereldbeschouwelijke opvattingen in de concrete beschrijving en de anti-metafysische strekking van de Cheops. Na de dood van de dichter is het gedicht vrijwel steeds in druk geweest, doorgaans als onderdeel van een bloemlezing uit of volledige editie van Leopolds werk. Cheops is intensief bestudeerd: er zijn veel publicaties aan gewijd, waaronder een aantal omvangrijke. Nog in 1993 entte Lucebert een gedicht op het werk.

Samenvatting Na de dood van 'de koning' Cheops wordt diens ziel opgenomen in een nieuwe orde, namelijk 'het groot gevolg' dat in de hemelen de niet nader geïdentificeerde 'onontwijde Openenden, de Hooge Heerschers' op afstand vergezelt. Cheops gaat op in de menigte en moet zijn individuele persoonlijkheid terugdringen. Tijdens een ommegang ondergaat hij de weergaloze schoonheid van de hemel, waar hij ziet hoe het zwevende 'wereldstof' neerslaat en door botsing en werveling nieuwe hemellichamen vormt. De samenhang behelst een 'onvoldongen worsteling' van krachten die zich uitvieren in de balans met anderen, waaronder 'bulderende zonnen' en 'enkelsterren' die eenzaam een 'labyrinth van kronkelwegen' doorlopen. Het planetenstelsel is op één evenaar georiënteerd, waarbij elke sfeer zijn eigen licht heeft. Aan de randen is een 'tintelmist' waar te nemen, terwijl uit de verten kometen en meteoorgesteente het centrum doorstuiven, van richting veranderen en hun weg door het bodemloze niets vervolgen.

Dat stelsel blijkt niet het enige te zijn; er bestaan nog tal van andere 'werelden naar andren zin gezet', met onderdelen die zwenken en verward krioelen krachtens een 'uit eigen wezen voortgekomen wet.' thumb|Een van de precies gepolijste lemen stenen die oorspronkelijk de buitenkant van de piramide bedekte, thans in het British Museum Geheel doordrongen van de aard van het universum met haar diepte, haar 'verlaten zwoegen' en haar 'barre ledigheid', 'ging de ziel des ouden faraohs/ zich gaarne wenden, zonderde zich af/ en keerde zich tot het vertrouwdere'. Hij richt zijn blik naar de aarde, waar zich als een op het 'oeverland' afgezet 'kristal' de driehoekvlakken der piramide bevinden, de zijden gepolijst en geslepen. Het geheel is 'bezonnen en doordacht' opgetrokken en getuigt van 'een eendracht en een samenhang en innerlijk verband, of zij ontstond uit ééne oorzaak'. Aan het monument is destijds door honderdduizenden gebouwd, onderworpen aan de wil en almacht van de meedogenloze despoot. Goedkeurend beschouwt Cheops de perfectie waarmee de voegen en plinten zijn afgewerkt en treedt dan langs de sluitsteen binnen, door de galerijen en gewelven, langs versperringen begeeft hij zich naar de grafkamer, alwaar de sarcofaag, zijn 'doodswieg', nog altijd de vorstelijke mummie bevat. Aan de wand staan beelden van zijn onderdanen en op hoofdhoogte bevindt zich het 'heilig letterschrift' dat bestaat uit begroetingen, machtsverkondigingen en lofspraken aangaande de 'roem des godenzoons'. De oude Cheops vestigt zijn aandacht op deze schildering; de farao is 'geboeid door de symbolen/ van het voormalige en hij hangt er in.' thumb|De grote galerij in de piramide van Cheops.

Achtergrond Naar de dichter zelf tegenover een bewonderaarster heeft onthuld, ontstond het idee voor het gedicht 'op school, terwijl ik voor de klasse stond en de jeugd in de schoonheden van Herodotus en speciaal in de bouw van de piramiden inwijdde. Toen kwam de leidende gedachte of eigenlijk het gezicht bij mij op en de verdere détails volgden bij de uitwerking van zelf uit het gegeven.'Brief van Leopold aan Martha van Vloten, 14 september 1918, geciteerd in Sötemann en Van Vliet (1983), 105 De bedoelde passage bij Herodotus is te vinden in diens Historiën II, 124-125. Leopoldkenners Johan Polak en J.F. Staal noemen drie manieren waarop het gedicht Herodotus volgt.Een Nederlandse vertaling van de betreffende passage van Herodotus is opgenomen in Polak en Staal (1953), 59-60 Ten eerste de dwangarbeid waarmee de bouw van de piramide georganiseerd werd (het 'fel bewind,/ dat zijn vermeten en zijn netten wierp/ over de nameloozen'). Ten tweede de schaal van deze dwangarbeid: volgens Herodotus werden steeds honderdduizend man per kwartaal te werk gesteld ('de torenstapeling/ van duizenden op duizenden getild/ door honderdduizenden, getuigenis/ van onbedwongen almacht').Polak en Staal (1953), 60-61 Ten derde de bouwtechniek, waarbij natuursteen zodanig werd gepolijst dat de blokken zo naadloos mogelijk aan elkaar pasten ('de nauwgesloten voegen' en 'de richtigheid van stand der plinten').

Aan het begin van de twintigste eeuw verdiepte Leopold zich in de stoïcist Marcus Aurelius, over wie hij in 1903, 1904 en 1907 wetenschappelijke artikelen publiceerde. De bekroning hiervan is de Aurelius-editie die hij in 1908 verzorgde voor de Oxfordse Clarendon Press.J.H. Leopold, 'Stoïsche wijsheid'. J.H. Leopold, Verzameld werk. Deel I. Brusse/Van Oorschot, 488-529 Vervolgens verlegde hij zijn aandacht naar Epicurus, over wie hij in 1909, 1910, en 1915 publiceerde. De publicatie uit 1910 betreft een vertaling van aan Epicurus gerelateerde geschriften, Uit den tuin van Epicurus.Van Halsema (1975), 152 en 154J.H. Leopold, 'Uit den tuin van Epicurus.' J.H. Leopold, Verzameld werk. Deel II, Brusse/Van Oorschot, 531-591. Gearchiveerd op 4 februari 2022. Deze wetenschappelijke en filosofische arbeid aan klassieke auteurs had sterke invloed op zijn dichterlijke productie in de periode van 1900 tot 1915. Daarom staat deze periode, de middelste van de drie perioden waarin men Leopolds werk onderverdeelt, bekend als zijn 'klassieke periode'.Bel (2015), 213 Cheops vormt hiervan de afsluiting.

Motto Alleen de Zilverdisteluitgave van 1916 is van een motto voorzien, waarschijnlijk op verzoek van P.N. van Eyck, want op 18 mei 1916 schreef de dichter hem: 'Als kort motto zou kunnen dienen:......et inexpugnabile seclum. Is dit overeenkomstig Uw wensch, dan heb ik geen bezwaar'.Geciteerd bij Sötemann en Van Vliet (1983), 104

Het is niet gelukt een bron voor het motto aan te wijzen, waarschijnlijk is het van Leopolds eigen makelij. Over de juiste interpretatie bestaat onzekerheid, omdat seclum zowel 'tijd' als 'wereld' kan betekenen. Van Eyck stelde als vertaling 'de onverslaanbre tijd' voor, J.C. Kamerbeek dacht op grond van de betekenis 'wereld' dat het ging om het benadrukken van wereldse waarden door de farao. Leopoldkenner J.D.F. van Halsema brengt het motto in verband met Epicurus' filosofie over het ontstaan en vergaan van werelden, die in de tijd ontstaan en met de tijd weer moeten vergaan.Van Halsema (1975), 158

In navolging van Ida GerhardtBrief van Gerhardt aan Dirk Kroon van september 1983, geciteerd in Kroon 1983, 330 wijst ook classicus Rudi van der Paardt erop dat sprake is van het einde van een vers, gezien de puntjes. Het is dus het einde van een dactylische hexameter en dat wijst naar Lucretius, bij wie het woord s(a)eclum herhaaldelijk het slot van de hexameter vormt. Aldus attendeert het motto de lezer op een bron.Van der Paardt (1991), 138 Het motto is ook op het poëticale niveau van het gedicht van toepassing. De onverslaanbare wereld uit het motto is de piramide, niet alleen een onneembare vesting tegen de buitenwereld, maar ook een wereld waaruit de maker niet kan ontsnappen.Van der Paardt (1991), 142

Structuur Symbolistische dichters gaan niet uit van een vastliggende vorm als het sonnet, maar gaan uit van wat hun inspiratie brengt. Dit resulteert vaak in een keuze voor het vrije vers, dus een gedicht zonder regelmatige strofenbouw, metrum en eindrijmRaat (2010), 180 waarvan ritme de essentie uitmaakt. Toch is het resultaat niet ongebonden maar een toonbeeld van precisie. Een vereiste is functionaliteit van de vorm, dat wil zeggen dat die suggestief, iconisch en ritmisch moet zijn.Van den Bergh en Pröpper (1986), 151

Het metrum van het gedicht is een vijfvoetige (pentameter) jambe zonder eindrijm.Kramer (1952), 50Minderaa (1964), 81 Ter illustratie kan niet de openingsregel ('Na zijn ontvangst, na te zijn opgenomen') dienen, omdat die met elf lettergrepen een lettergreep te lang is en het woord 'te' de accentverdeling doorbreekt. Wel regelmatig is de regel waarin de wending van het gedicht inzet (vs. 105):

˘ / ˘ / ˘ / ˘ / ˘ / dan ging de ziel des ou- den Pha- ra- ohs

Alleen de laatste vier regels vertonen eindrijm, de overige 208 zijn rijmloos. Wanneer men deze laatste vier niet meerekent, valt de omslag, het zich gaarne afwenden van de farao, precies in het midden.Polak en Staal (1953), 61-62Van der Paardt (1991), 140 Van der Paardt signaleert 'nogal opvallende verbale parallellen' tussen beide helften op.

Van Eyck ziet in de twee delen geen tegenstelling maar juist een hogere eenheid omdat de reis van Cheops vanuit de ruimte als bestemming zijn eigen mummie heeft. Nadat Cheops de ruimte van alle kanten heeft bekeken doet hij hetzelfde met de buitenkant en het inwendige van de piramide, tot hij ook alle facetten van zijn eigen mummie bekeken heeft. Van Eyck vergelijkt de reis van Cheops en dus de bouw van het gedicht met 'een benedenwaarts gerichte trechterspiraal'.Van Eyck (1924), 36

Letterkundige Garmt Stuiveling ontwaart een ontwikkeling in het oordeel van de farao over de kosmos. Na aanvankelijke bewondering neemt hij de kosmos steeds kritischer waar en ten slotte doorziet hij die als 'zinledige beweging'.Stuiveling (1982), 340 Essayist Martien J.G. de Jong beschouwt de slechts acht regels tellende vierde strofe een veralgemeniserende samenvatting van het voorafgaande biedt, waarbij de 'uit eigen wezen voortgekomen wet', een wetmatigheid die aan de gehele kosmos ten grondslag ligt, de farao boven de pet gaat.De Jong (1966), 96