De vlag van Nederland staat symbool voor Nederland en de eenheid en de onafhankelijkheid van het gehele Koninkrijk der Nederlanden. Het rood-wit-blauw is zowel te land als ter zee in gebruik als civiele vlag, dienstvlag en oorlogsvlag.
De Nederlandse vlag is een horizontale driekleur in rood, wit en blauw. In de vlaginstructie van het Ministerie van Algemene Zaken worden de kleuren benoemd als helder vermiljoen, helder wit en kobaltblauw. In normblad 3055 zijn deze kleuren vastgesteld in Éclairage-coördinaten. Deze kleuren zijn niet direct in Pantone-codering om te zetten, zodat voor de laatste uiteenlopende waarden gebruikt worden.
Over de afmetingen van de vlag zijn geen voorschriften. In de niet-bekrachtigde Vlaggenwet van 1937 werd de verhouding tussen hoogte en lengte vastgesteld als 2:3, en over het algemeen wordt die verhouding nog steeds nagevolgd. De drie banen zijn even hoog.
Geschiedenis Nationale vlaggen Statenvlag (vóór 1572 tot 1795) thumb|De Statenvlag, voorheen ook wel de Hollandsche vlag genoemd. miniatuur|Detailopname van een gevecht tussen Hollandse en Spaanse schepen op het Haarlemmermeer, waarop zowel de Hollandsche vlag als de Prinsenvlag te zien is. Hendrik Cornelisz. Vroom, 1629 Er zijn in de loop der jaren veel theorieën geweest over het ontstaan van de Nederlandse vlag. Zo was er de theorie van de Fransman Dampmartin die beweerde dat de Nederlandse vlag door koning Hendrik IV van Frankrijk zou zijn geschonken. Deze theorie werd door Rijksarchivaris Johannes de Jonge ontkracht in zijn boek 'Over den oorsprong der Nederlandsche Vlag'. Hij meende op zijn beurt dat de kleuren ontleend zouden zijn aan het wapenschild van Willem van Oranje, en dat het ontstaan is aan het begin van de opstand. D.G. Muller was echter van mening dat de Hollandsche vlag al lang voor de opstand bestond. De vlag zou zijn ontstaan in de periode dat het Beierse huis aan de macht was in het graafschap Holland (1354–1433). De kleuren van de vlag zouden namelijk voortkomen uit die van het wapen van de graven van Holland, dat bestond uit het Beierse wapen gecarteleerd met het wapen van graafschap Holland. Dit wapen werd voor het eerst gevoerd door Willem V, wat uit de munten, die in opdracht van de graven voor Holland en Zeeland zijn geslagen, is gebleken.
Uit onderzoek van P.C. GuyotIn het tijdschrift Bijdragen voor de Vaderlandsche geschiedend en oudheidkunde Xe deel is gebleken dat de penningmeester van de graven van Holland in het jaar 1409–1410 een staatsiekleed aankocht, voor graaf Willem VI van Holland, van "12 ellen graauw laken en tot uitmonstering daarvan van 2 3/4de ellen rood wit en blaauw fluweel [...] Het staatsiekleed, Tabbairt genoemd, was graauw met bont gevoerd, en uitgemonsterd met de kleuren, rood, wit, blaauw."D.G. Muller, De oorsprong der Nederlandsche vlag, op nieuw geschiedkundig onderzocht en nagespoord. Amsterdam, 1862, p. 27.
Wat verder uit het onderzoek van Muller is gebleken, is dat er al vóór de opstand rood-wit-blauwe vlaggen gebruikt werden in Nederland. Het gebruik van de vlag was echter niet officieel vastgelegd. Aan het begin van de opstand werd naast de Statenvlag soms ook op de tweede plaats een oranje vlag of vaandel gebruikt. Doordat men bij het voortduren van de opstand meer en meer hoop is gaan vestigen op Willem van Oranje, hebben de geuzen in deze periode het rood uit de 'volksvlag' vervangen door oranje.
Bij de marine in wording werd de prinsenvlag in gebruik genomen, bij de koopvaardij is de Statenvlag echter nooit vervangen geweest, zo ook zijn de vlaggen van de V.O.C. en de W.I.C. rood-wit-blauw. De geuzenvlag was niet officieel, net als de Hollandsche vlag in de beginjaren van de Republiek. De verandering van vlag bij de marine was dan ook niet tot stand gekomen door toedoen van een staatsbesluit. In 1664 beklaagden de Staten van Zeeland zich over het feit dat in een resolutie van de Staten-Generaal de naam Hollandsche vlag gebezigd werd. Hierop werd de officiële naam van de vlag Statenvlag of Staatsche vlag.J.C. de Jonge, Geschiedenis van het Nederlandse zeewesen, deel 1. 's-Gravenhage, 1833, p. 246D.G. Muller, De oorsprong der Nederlandsche vlag, op nieuw geschiedkundig onderzocht en nagespoord. Amsterdam, 1862, p. 74.
Prinsenvlag (1572–1653)
De vroegste voorbeelden van de driekleur stammen uit de 16e eeuw. De voorloper van deze vlag ontstond tijdens de Inname van Den Briel op 1 april 1572. De zogeheten Brielse Geus of Geuzenvlag werd onder andere tijdens een gevecht op een van de Spaanse schepen gehesen, nadat de vlag van Castilië en León werd neergehaald Ook werd de vlag gehesen op de toren van de Grote of Sint-Catharijnekerk na de inname. Deze vlag is een veelbanige banier in de livreikleuren van Willem van Oranje (wit en blauw), aangevuld met oranje. De eerste versie die genoemd wordt in 1572 is een veelbanige geuzenbanier in de livreikleuren van Willem van Oranje (wit en blauw), aangevuld met oranje. De oudst bekende gedateerde afbeelding met deze vlag komt uit 2 december 1575 en werd gemaakt door Jan van Hout, stadssecretaris van Leiden, in het album amicorum van Janus Dousa. Echter, een oranje-wit-blauwe vlag met drie banen zoals die later bekend zou worden werd toen nog niet gevoerd., De oorsprong der Nederlandsche vlag: op nieuw geschiedkundig onderzocht en ..., Amsterdam, 1862, p. 50 e.v. Een verslag over de inname spreekt van een vlag met "vendelen orangien, wit en blaauw"..
In juni 1572 werd voor het eerst een vermelding gemaakt van de prinsenvlag in een journaal. Dit geschiedde tijdens een tocht van de watergeus Adriaen van Swieten, waarbij het doel was om de gelegerde Spanjaarden bij Oudewater en Gouda te verrassen. Tijdens een tocht van Zwijndrecht richting Papendrecht riep het schip waarop Van Swieten zat richting een oorlogsschip:"Gij zult op Papendrecht eene Princenvlagge zien waaien." Echter was er toen nog geen sprake van een vaste driekleur; er bestonden prinsenvlaggen met drie, maar ook zes en zelfs negen banen. Ook werden de kleuren weleens door elkaar gehaald en pas tegen het einde van de 16e eeuw bestond er enige uniformiteit rondom de vlag. Bij de inname van Gouda op 21 juli van dat jaar werd tevens vermeld dat de watergeuzen vendelen "Orangien, wit en blau" vertoonden. Verder werd in een Franstalig stuk van Cleirac (een pleitbezorger voor zeezaken te Bordeaux) in de periode 1572 - 1580 een vermelding over de prinsenvlag gemaakt. Hier werden specifiek de kleuren oranje, wit en blauw benoemd. De tekst luidt als volgt:
Vertaald naar het Nederlands luidt de tekst als volgt:
Dit toont aan dat de vlaggen met veel strepen (zoals de prinsenvlag met zes of negen banen) uiteindelijk werd versimpeld tot de vlag met de huidige drie banen zodat ze makkelijker kon worden gezien door matrozen op zee. thumb|De Prinsenvlag met Generaliteitsleeuw erop, die vanaf 1596 moest worden gebruikt bij alle garnizoenen. Deze variant van de vlag was echter nooit populair en werd weinig gebruikt De eerste tekenen van verzet tegen het gebruik van de prinsenvlag begonnen zichtbaar te worden toen de Staten van Holland in 1596 besloot dat de banen van hun garnizoenen vanaf dan moesten bestaan uit het oranje-blanje-bleu (''...dat de vaandels der compagnieën van enig fatsoen gemaakt zullen worden als oranje, wit en blauw...") met de Generaliteitsleeuw op de witte baan. Op lokaal vlak besloot de Admiraliteit van Amsterdam in 1597 om hetzelfde te doen. Uiteindelijk werd de prinsenvlag in hetzelfde jaar door alle staten officieel vastgesteld in de Staten-Generaal van de Nederlanden.
Rond 1630 volgde de allereerste verandering in het gebruik van de primaire vlag binnen de Republiek. De kleuren van de prinsenvlag werden door het nu staatsgezinde Graafschap Holland vervangen door het rood-wit-blauw van de statenvlag. Desondanks bleef de naam 'prinsenvlag' in gebruik en behielden de sjerpen van de krijgsmachten de kleur oranje. Volgens de Rotterdamse schrijver L. Jonker Czn. kwam dit vanwege een veranderde bereidingswijze van de gebruikte verfstof. Deze verandering zorgde ervoor dat de kleur van de bovenste baan van oranje naar rood werd veranderd, zij het toevallig en ongewild. Dit werd algemeen aanvaard vanaf 1664 of mogelijk eerder. Een aantal uitzonderingen op deze regel gold voor een aantal bijzondere vlaggen, zoals die voor de naaste omgeving van de stadhouder waar kosten geen rol speelden.
Bij het aanbreken van het Eerste Stadhouderloze Tijdperk in 1650 was de prinsenvlag nog altijd vrij geliefd onder het Nederlandse volk. Toen prins Willem II van Oranje vroegtijdig overleed in hetzelfde jaar, kwam hier enige verandering in. De macht van de prinsgezinden nam als gevolg van zijn overlijden af en dat van de staatsgezinden en regenten nam toe. Uiteindelijk kregen de staatsgezinden het voor het zeggen in het land, met als gevolg dat de prinsenvlag en het gebruik ervan werd beperkt en dat de statenvlag in deze periode prominent werd. Dit werd mede gedaan om het nieuwe Engelse bewind van Oliver Cromwell tegemoet te komen, wiens land na de onthoofding van Karel I van Engeland (de schoonvader van Willem II van Oranje) in 1649 een republiek was geworden. De prinsgezinden wilden de Stuarts weer aan de macht helpen en hoopten hiermee de belangen van de Oranjes te kunnen behartigen. De staatsgezinden wilden vooral de vrede bewaren, aangezien oorlog slecht zou zijn voor de handel. Ze vonden vrede het beste middel om hun invloed en gezag te handhaven en te vergroten. Omdat de Oranjes sterk verwant waren aan de Stuarts en hen ook hadden gesteund tijdens de Engelse Burgeroorlog, waren zij niet geliefd bij het nieuwe bewind. De prinsenvlag werd in 1652 in het gewest Holland verboden en in 1653 werd de vlag bij de marine vervangen door de Hollandsche of "Staatsche Vlag". Dit baseerde de Nederlandse politicus en geschiedschrijver Johannes Cornelis de Jonge onder andere op het werk van Lieuwe van Aitzema, een geschiedschrijver uit die tijd. Het verbod en vervanging van de prinsenvlag was naar besluit van de Staten-Generaal van de Nederlanden onder leiding van raadpensionaris Johan de Witt, die destijds voor Dordrecht in de Staten-Generaal zat. De toenmalige voorzitter van de Staten-Generaal, een passievolle orangist, trachtte dit nog tegen te houden door zijn voorstel niet een keer in stemming te brengen, maar dit mocht uiteindelijk niet baten. Rond deze periode werd de statenvlag ook onofficieel de vlag van de Republiek.J.C. de Jonge, Geschiedenis van het Nederlandse zeewesen, deel 1. 's-Gravenhage, 1833, p. 242-247