Het Kamp Batu Lintang (ook bekend als de Lintang Barakken en het Kuching krijgsgevangenenkamp) te Kuching op het eiland Borneo was een Japans interneringskamp tijdens de Tweede Wereldoorlog, waar Engelse officieren en manschappen maar ook veel soldaten van het Indische leger en Nederlandse burgers gevangen zaten.
Inleiding thumb|left|300px|Het Batu Lintangkamp vanuit de lucht gezien Het Kamp Batu Lintang was ongewoon voor een jappenkamp omdat er zowel geallieerde krijgsgevangenen als geïnterneerde burgers werden gehuisvest. Het was in functie vanaf maart 1942 tot de bevrijding van het kamp op 11 september 1945; de barakken waren oorspronkelijk gebouwd als Brits-Indische leger-barakken. Het oorspronkelijke terrein werd door de Japanners uitgebreid tot een oppervlakte van 20 hectare. Het aantal bewoners van het kamp varieerde vanwege transporten tussen diverse kampen op Borneo en als gevolg van het hoge sterftecijfer onder de gevangenen.
Het grootst aantal bewoners was omstreeks 3000 gevangenen maar dit aantal verminderde toen de omstandigheden slechter werden. Het leven in het kamp was hard; krijgsgevangenen en geïnterneerde burgers leden onder voedseltekorten, ziekten en uitputting en kregen geen medicijnen. Zij werden gedwongen te werk gesteld, mishandeld, kregen geen passende kleding en hadden erbarmelijke woningen. Van de 2000 Engelse krijgsgevangenen die in het kamp werden opgesloten, overleed twee derde aan uitputting en ziekten, moord met voorbedachten rade of mishandeling. Er was gedurende 2½ jaar (vanaf februari 1943 tot de bevrijding van het kamp) een radiozender operationeel, waardoor de gevangenen in de gelegenheid waren de krijgsverrichtingen te volgen. Ontdekking van de zender had waarschijnlijk de dood van allen die erbij betrokken waren tot gevolg gehad. De capitulatie van Japan vond plaats op 15 augustus 1945; het Batu Lintangkamp werd bevrijd op 11 september 1945 door de 9de Australische Divisie.
Toen het kamp bevrijd werd telde het 2024 inwoners, waaronder 1392 krijgsgevangenen, 395 mannelijke gedetineerden en 237 vrouwen en kinderen. Onder de papieren van de Japanners die in het kamp werden aangetroffen lagen twee executiebevelen. Beide documenten beschreven de aanbevolen wijze van executie van iedere krijgsgevangene en geïnterneerde in het kamp. Het eerste executiebevel, bedoeld voor 17 of 18 augustus, was niet uitgevoerd; het tweede zou de 15de september in werking treden. Aldus werd door de bevrijding van het kamp de moord op meer dan 2000 mannen, vrouwen en kinderen voorkomen.
Locatie en organisatie thumb|300px|Barakken in het kamp Kuching ligt ongeveer 35 kilometer vanaf de zee stroomopwaarts van de Sarawak-rivier. Het kamp was omstreeks 5 kilometer zuidoostelijk van genoemde plaats. De barakken werden begin 1941 door het gouvernement van Sarawak aangelegd, toen Engeland, in een overeenkomst met de raja van Sarawak, het tweede bataljon, vijftiende Punjab-regiment van het Brits-Indische leger daarheen zond om Sarawak tegen een Japanse aanval te beschermen. Het kamp was vrijwel afgebouwd in mei 1941. De Japanners vielen Borneo midden december 1941 aan, toen zij landden op de westkust bij Miri. De Japanse bezetting eindigde op 23 januari 1942 met de landing bij Balikpapan op de oostkust.
De eerste geallieerde gevangenen die in het kamp werden opgesloten midden maart 1942 waren ongeveer 340 Engelse en Indische soldaten. Gedurende het verloop van de oorlog werden er zowel krijgsgevangenen als geallieerde burgers gevangengezet. De lokale bevolking, waaronder etnische Chinezen, werden niet naar het kamp gezonden, hoewel enkelen van hen gevangengezet werden in de gevangenis van Kuching. De geallieerde burgergevangenen kwamen uit alle delen van Borneo: van Noord-Borneo (nu Sabah), uit Brunei, de Straits Settlements, van het eiland Labuan en uit Sarawak; al deze gebieden hadden onder Brits bestuur gestaan; ook waren er krijgsgevangenen uit Nederlands-Borneo, nu Kalimantan. De krijgsgevangenen kwamen onder meer van het vasteland van Maleisië en Java, maar ook uit Borneo. Veel van hen hadden al in doorgangskampen gezeten, zoals die op het eiland Berhala, voordat zij naar Batu Lintang getransporteerd werden. Het kamp werd officieel op 15 augustus 1942 geopend, toen er een herdenkingssteen aldaar werd geplaatst.
Naast het hoofdkamp Batu Lintang werd er voor de aanleg en het onderhoud van het vliegveld van Kuching dichtbij een subkamp opgericht, dat ook wel wordt aangeduid als Bukit Stabar (heuvel Stabar). Het vliegveld lag ongeveer 11 km ten zuiden van Kuching bij de plaats Batu Tujoh en een half uur van Batu Lintang Camp. Vanaf half augustus 1942 gaan per trein ongeveer 150 Nederlandse soldaten samen met honderden Britse krijgsgevangenen naar deze plaats voor de dagelijkse werkzaamheden. De Nederlandse officieren bleven met enige anderen in kamp Batu Lintang. Uiteindelijk verbleven vanaf ongeveer september bijna alle Nederlandse soldaten met ongeveer 50 Britse soldaten permanent bij het vliegveld tot 30 maart 1945.
Interne organisatie thumb|left|300px|Mishandelde krijgsgevangene na de bevrijding van het kamp De Japanse kampcommandant was luitenant-kolonel Tatsuji Suga; hij was tevens commandant van alle krijgsgevangenen- en interneringskampen op geheel Borneo; dat waren de kampen te Jesselton, Sandakan en korte tijd op het eiland Labuan; verder te Tarakan, Bandjermasin en Kandangan. Suga was hierdoor niet vaak aanwezig te Batu Lintang. Zijn tweede man was luitenant, later kapitein Nagata. De meeste kampbewakers waren Koreanen en enkele Taiwanezen. Er stonden een groot aantal gebouwen voor de administratie, winkels voor het personeel, huizen voor de bewakers en een kampziekenhuis.
Het gehele kamp werd afgesloten door een 8 kilometer lange prikkeldraadomheining. De geïnterneerden waren verdeeld in categorieën en verdeeld over verschillende afdelingen, die ieder ook weer omheind waren met prikkeldraad. Er bestonden 8 tot 10 afdelingen, hoewel de opzet daarvan wisselde gedurende de tijd dat het kamp in werking was. In het begin werden Engelse officieren bij militairen met een andere rang ingedeeld; later werden zij echter apart gehouden op twee speciale afdelingen; op een zeker moment werden Indonesische soldaten en Nederlandse officieren samen in een afdeling ingedeeld, terwijl zij gedurende een andere periode weer gescheiden werden. De Indiase krijgsgevangenen werden op verschillende locaties ingedeeld tijdens het bestaan van het kamp. Indelingen als deze werden beslist bij aankomst of vertrek van de verschillende gevangenen; Batu Lintang deed namelijk ook dienst als doorgangskamp. De Australische en Engelse soldaten die later vermoord zouden worden tijdens de dodenmarsen van Sandakan werden hier eerder tijdelijk vastgehouden. thumb|300px|Krijgsgevangenen gooien hun voedertroggen weg
Indeling van het kamp De belangrijkste groepen krijgsgevangenen waren Engelse officieren, Australische officieren en onderofficieren, officieren van het Indische leger en Engelse militairen van lagere rang, personeel van het Brits-Indische leger (2de en 15de Punjab-regiment) en soldaten van het Indische leger. Het Engelse en Australische personeel was na de verloren Slag om Singapore, voor het grootste gedeelte van Malaya en Singapore naar Borneo gezonden, terwijl de soldaten van het Indische leger en het Punjab-regiment gecapituleerd hadden na de Slag om Borneo, en vervolgens als krijgsgevangenen naar het Batu Lintangkamp waren gezonden. De burgergeïnterneerden bestonden voor het grootste gedeelte uit Nederlandse rooms-katholieke priesters, Engelse burgers (waaronder kinderen) en Engelse en Nederlandse nonnen.
Iedere afdeling had zijn eigen "kampmeester" (of "kampmeesteres", bij de vrouwenafdeling). De kampmeester was verantwoordelijk voor de contacten tussen de geïnterneerden en de Japanse kampbewakers. Iedere afdeling bestond uit een aantal langgerekte gebouwen, ongeveer 30 meter lang, waarbinnen 30-100 mensen gehuisvest werden. Aan het hoofd van deze mensen stond de barakmeester. De kamp- en barakmeesters werden door kolonel Suga benoemd. Nederlandse soldaten beneden de rang van onderofficier en ongeveer 50 Engelse soldaten waren in een aparte afdeling bij het vliegveld van kampong Batu Tujoh (ook bekend als Bukit Stabah), dicht bij Kuching, ondergebracht. Batu Lintang had ook gebieden waar veel rubberbomen groeiden, omdat daar ooit een plantage was geweest; dit was vrijwel de enige plaats waar enige schaduw te vinden was.
Afdelingen thumb|left|300px|Krijgsgevangene in de kleding van het kamp De omstandigheden waaronder men moest leven in de afdelingen waren slecht. Iedere persoon kreeg een kleine ruimte binnen de barak, waarin geslapen werd, enige persoonlijke bezittingen bewaard konden worden en waar men at. Engelse officieren en onderofficieren hadden de minst slechte afdeling omdat aldaar een stuk land was dat bewerkt kon worden. Op 5 februari 1943 werden zij overgeplaatst naar een andere afdeling. Luitenant-kolonel M.C. Russell voerde hier het bewind tot zijn dood op 5 juni 1943, waarna hij opgevolgd werd door luitenant-kolonel T.C. Whimster. Deze afdeling telde in september 1944 134 man. Het gebied was 1 hectare groot en had 0,6 hectare aan bewerkbare grond ter beschikking. Toen het kamp bevrijd werd telde het 178 Australische officieren en onderofficieren, die waren ondergebracht in een gebied waar geen land was dat gebruikt kon worden voor voedselproductie. De officier die daar het bewind voerde was luitenant-kolonel A.W. Walsh. Australische militairen van lagere rang waren ondergebracht in het kamp te Sandakan. Nederlandse officieren en onderofficeren hadden geen bewerkbare grond en het beheer over deze afdeling werd gevoerd door luitenant-kolonel Mars.
Engelse soldaten van mindere rang werden in overvolle barakken gehuisvest zonder keukens, licht, water en sanitaire voorzieningen. Zij hadden geen bewerkbare grond. Aanvankelijk werd deze afdeling bewoond door 1.500 krijgsgevangenen; later kwamen er meer bewoners totdat de bevolking 2000 zielen telde. Aan het einde van de oorlog was dit aantal echter teruggelopen tot ongeveer 750. De officier die de verantwoordelijkheid over deze afdeling had was sergeant-majoor (later tweede luitenant) S.T. Sutherland. Van de soldaten uit het Brits-Indische leger werden de soldaten van het 2de en 15de Punjab-Regiment geïnterneerd in het Batu Lintangkamp. Deze krijgsgevangenen werden gehuisvest in twee hutten en hadden geen bewerkbare grond. Indonesische soldaten uit het Indische leger werden gehuisvest in een kleine afdeling, dicht bij het Britse equivalent daarvan.
Rooms-katholieke priesters, broeders en andere leden van de kerk, de meesten van Nederlandse of Ierse nationaliteit, bewoonden een aparte afdeling en hadden een groot stuk land dat ze konden bewerken. In totaal woonden hier 110 mensen, waaronder 44 kapucijnen, 5 montfortanen, 22 Broeders van Huijbergen en 30 missionarissen van Mill Hill. In 1943 waren er ongeveer 250 mannelijke burgerlijke geïnterneerden (waaronder niet inbegrepen rooms-katholiek missiepersoneel) op een aparte afdeling. Vanaf juli 1942 tot 14 november 1944 was de kampmeester aldaar C.D. Le Gros Clark (de broer van Wilfrid Le Gros Clark, de voormalige secretaris van het gouvernement van Sarawak). Luitenant-kolonel W.C.C. Adams was een tijd assistent-kampmeester en fungeerde later als de opvolger van Le Gros Clark.