thumb|300px|Wereldkaart uit 1482, gebaseerd op Ptolemaeus Het begin van de grote ontdekkingsreizen luidde een nieuwe ontwikkeling van de cartografie in. Tot in de 15e eeuw waren landkaarten gebaseerd op het klassieke werk van Ptolemeus (2e eeuw n.C.) en "atlassen" willekeurige verzamelingen van samengebonden kaarten. Een van de vroegste, mogelijk zelfs de eerste, atlas die dat predicaat daadwerkelijk verdient was de nautische atlas van Battista Agnese uit Genua. Hij vervaardigde tussen 1536 en 1564 handgetekende perkamenten wereldatlassen. De atlas bevat verschillende kaarten van de nieuwe werelddelen. Agnese had niet de gewoonte, zoals later gebruikelijk zou worden, om onbekende gedeeltes van de wereld te vullen met fantasievolle verwachtingen van nog te ontdekken land. Hij tekende de wereld zoals deze op dat moment bekend was. Van zijn atlassen zijn nog 71 exemplaren bewaard gebleven.Library of Congress: De portolan atlas van Battista Agnese
1500 - 1800 Nederlanden thumb|300px|Wereldkaart uit 1572 van Ortelius De eerste atlas, in de zin van een boek dat in een zekere oplage bij een uitgever verschijnt en kaarten van gelijk formaat bevat die speciaal voor die uitgave zijn vervaardigd, was het Theatrum Orbis Terrarum ( = wereldtoneel) van Abraham Ortelius (1527-1598), verschenen te Antwerpen in 1570, een folioatlas met 70 actuele kaarten die inhoudelijk op elkaar waren afgestemd. Er zijn 41 edities van bekend die tot 1612 in verschillende talen werden gepubliceerd. Een soortgelijke atlas was die van Gerard de Jode en Cornelis de Jode:Speculum Orbis Terrarum (= spiegel van de wereld, Antwerpen, 1578) met 36 kaarten (2de druk 1593, 52 kaarten).
De eerste die "atlas" als titel voor een dergelijk werk gebruikte, was de uit Rupelmonde in Vlaanderen afkomstige Gerardus Mercator (1512-1594, thans nog bekend van de gelijknamige projectie, 1569), die de kort na zijn dood uitgegeven Atlas, sive Cosmographicae Meditationes de Fabrica Mundi et Fabricati Figura (= atlas, of cosmografische verkenningen van de wereld en de gedaante daarvan) creëerde (Duisburg,1595, 106 kaarten, 2de druk, Düsseldorf, 1602).
De koperplaten werden in 1604 verkocht aan het bedrijf van de uit Vlaanderen afkomstige Jodocus (Josse) Hondius (1563-1612) te Amsterdam, die de atlas van Mercator in 1606 met 36 nieuwe kaarten uitbreidde; tot 1636 verschenen nieuwe, vermeerderde edities in verschillende talen. Succesvol was eveneens de door Hondius gepubliceerde beknopte editie van Mercators atlas, de Atlas Minor (= kleine atlas, Amsterdam 1607 en later). Amsterdam was in de wereld het middelpunt van de cartografie geworden.
De compagnon van Hondius, Johannes Janssonius uit Arnhem (1588-1664), gaf in 1638 de tweedelige Novus Atlas (= nieuwe atlas) uit, die in 1658 tot zes delen in vijf verschillende edities was uitgegroeid. Eveneens te Amsterdam gevestigd was het cartografische bedrijf gesticht door Willem Jansz. Blaeu (1571-1638) uit Alkmaar. Dit bedrijf hield zich eerst sinds 1629 met de uitgave van atlassen bezig, aanvankelijk met supplementen op de atlassen van Ortelius en Mercator. In 1634 verscheen bij Blaeu een tweedelige wereldatlas, Novus Atlas met 208 kaarten, die in 1655 een omvang van zes delen met 400 kaarten had aangenomen. Het hoogtepunt vormde evenwel de door Blaeus zoon Joan (1598-1673) geredigeerde Atlas Maior, in verschillende internationale edities in 9-12 delen met ca. 600 kaarten / platen vanaf 1662 verschenen.
Ook in Amsterdam gevestigd was Frederik de Wit (1630-1706), die gold als een van de belangrijkste uitgevers van kaarten in de 2de helft van de 17e eeuw. Zijn atlassen zijn meestal ongedateerd en dragen slechts de titel Atlas of Atlas Maior en bevatten in de oudere edities ook kaarten van Janssonius of Blaeu. Bekend is zijn zeeatlas Orbis Maritimus ofte Zee-atlas met 27 kaarten. De uitgave van zeeatlassen was overigens al van eerdere datum: reeds in 1584/85 was bij Plantijn te Leiden de Spieghel der Zeevaerdt (2 delen met elk 23 kaarten) van Lucas Jansz. Waghenaer (1533-1606) verschenen. Ook bij anderen verschenen zeeatlassen, bijvoorbeeld bij Blaeu: Het Licht der Zee-Vaert (1608, 42 kaarten) en Zeespiegel (1623, met 111 kaarten), bij Pieter Goos (1615-1675) te Amsterdam: Zeespiegel (2 dln., 21 edities in drie talen tussen 1650 en 1678) en Zee-atlas ofte Waterweereld (1666, 40 kaarten) en bij Johannes van Keulen (1654-1715): Groote Nieuwe Zee-atlas (Amsterdam, 1680, met ca. 150 kaarten). Kaarten
Frankrijk thumb|300px|left|Kaart door Guillaume Delisle. Uitgegeven door Covens en Mortier. Met het einde van de Gouden Eeuw kwam ook een einde aan de leidende positie van de Nederlandse cartografie. Bestaande werken werden wel herdrukt maar steeds minder geactualiseerd. De Nederlandse hegemonie werd door Frankrijk overgenomen, dat vooraan ging op het terrein van wetenschap en kunst. Reeds in 1652 hadden Nicolas Sanson (1600-1667) en Pierre Mariette (1603-1657) een atlas het licht doen zien, in 1658 opgevolgd door de Cartes générales de toutes les parties du monde (Parijs, 1658, 113 kaarten, tot 1676 6 latere edities), die de Nederlandse atlassen aan betrouwbaarheid en actualiteit overtroffen. Door de toepassing van driehoeksmeting werd de nauwkeurigheid van de kaarten zeer vergroot. Een eerste voorbeeld daarvan zijn de atlassen van Nicolas de Fer (1646-1720), die zijn Atlas curieux ou le monde dressé (Parijs, 1699, twee delen met 295 kaarten en figuren) baseerde op de nieuwste landmeetkundige gegevens van de Académie des sciences en die bovendien nog kritisch liet toetsen door astronomen.
De Atlas Nouveau van Guillaume Delisle (1675-1726), die in 1730 in Amsterdam werd uitgegeven, telde 56 kaarten; in latere edities vermeerderd tot 138; Delisle onderhield contacten over de gehele wereld, onder meer met de Russische tsaar Peter de Grote, om origineel materiaal voor zijn kaarten te verzamelen.
De beroemde cartograaf Jean Baptiste Bourguignon d'Anville (1697-1782) maakte niet alleen gebruik van recente geodetische gegevens, maar verwerkte ook, na strenge toetsing, berichten van ontdekkingsreizigers. Bekend is zijn Atlas général (1780, met 46 bladkaarten en figuren).
Rigobert Bonne (1727-1794), die nog bekendheid geniet door de naar hem genoemde kaartprojectie, deed van zich spreken met de Atlas moderne ou collection de cartes sur toutes les parties du globe terrestre (Parijs, 1771) en de met Nicolas Desmarest (1725-1815) samengestelde 3-delige atlas bij de door Panckouke bewerkte nieuwe editie (Parijs, 1787/88) van de beroemde encyclopedie van Diderot en d'Alembert.
Overigens stelde Max Eckert-Greifendorff, dat "kaarten destijds niet zozeer als voortbrengselen van wetenschap als wel als kunstwerken, als schilderij of prent ("pictura") werden beschouwd, waarvan de randversieringen belangrijker waren dan de eigenlijke inhoud. Eerst tegen het einde van de 18e eeuw wordt de cartografie belangrijker bevonden dan de bijzaken en raakt de uitdrukking pictura op de achtergrond." Zo gaf in Frankrijk De Verlichting aanleiding tot het verschijnen van school- en zakatlassen, die van alle franje waren ontdaan, maar wetenschappelijk gefundeerd waren, bijvoorbeeld de Atlas moderne ou collection des cartes van De La Croix (Parijs, ca. 1762, met 37 kaarten en tekst). Maar ook de Franse cartografie raakte in verval en was in de 19e eeuw onbeduidend geworden.
Engeland Christopher Saxton was de grondlegger van de Engelse atlassen, in 1579 publiceerde hij de "Atlas of the Counties of England and Wales" het bevatte 35 kaarten. In 1612 bracht John Speed de atlas "The Theatre of the Empire of Great Britaine" uit. Deze werd opgevolgd door de atlas "Prospect Of the Most Famous Parts of the World" die in 1627 op de markt kwam. De bekendste Engelse atlassen uit de 18e eeuw waren New and Compleat Atlas (1720, 27 kaarten) van Moll, New General Atlas (1721, 48 bladkaarten en figuren) van Senex, General Atlas (1770) en New Universal Atlas (1790) van Kitchin, General Atlas of the four grand quarters of the World (1778) van Faden, e.a. Ze halen echter niet de kwaliteit van de Franse atlassen in die periode.
Duitsland De wetenschappelijke waarde van de atlassen, die in de 18e eeuw in Duitsland verschenen, was beperkt. De bekendste cartograaf en uitgever was Johann Baptist Homann (1664-1724) uit Neurenberg, die in die periode verscheidene grote atlassen uitgaf, zoals Grosser Atlas über die ganze Welt uit 1716 met 126 kaarten. Zijn erfgenamen breidden het fonds verder uit, zoals met een driedelige Atlas geographicus maior (1740), die echter ook werk van derden bevatte. Een leerling van Homann, Mattias Seutter (1678-1756) uit Augsburg bracht diverse atlassen op de markt, zoals in 1720 een folioatlas in twee uitvoeringen, waarvan de uitgebreidste Atlas Geographicus 46 kaarten telde en meermalen werd herdrukt. In het algemeen is Seutters werk weinig origineel.
Oostenrijk Eerst tegen het einde van de 18e eeuw is er in Oostenrijk sprake van een eigen atlascultuur. Als bekendste werken kunnen gelden de Allgemeiner Grosser Atlas van Schrämbl (Wenen, 1786 en later, 133 kaarten) en de vermoedelijk uitgebreidste atlas aller tijden Schauplatz der fünf Theile der Welt, uitgegeven door F.J.J. von Reilly (Wenen, 1789 en later, met 830 bladkaarten en afbeeldingen, niet geheel voltooid).
1800 - 2000 Duitsland thumb|Nederland en België in Stielers Handatlas 1891. In de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw werd door de Duitse atlascartografie een dominante positie ingenomen. De productie van atlassen in Duitsland was tot ca. 1870 voornamelijk in Thüringen (Weimar, Gotha, Hildburghausen) geconcentreerd. Nadien voltrokken deze bezigheden zich met de vestiging van uitgeverijen als Velhagen & Klasing, Wagner & Debes en Bibliographisches Institut aldaar voornamelijk in boekhandelsstad Leipzig. Dat zou zo blijven tot 1945.
De kaarten waren vaak van de hand van een selecte groep graveurs (in het Duits "Stecher"), die als kleine zelfstandigen werkten waarbij het beroep van vader op zoon overging. Ze werkten voor verschillende uitgeverijen of waren zelf uitgever. Dit is er de oorzaak van dat men in de atlassen uit die tijd steeds weer op dezelfde persoonsnamen stuit. Als techniek werd oorspronkelijk koperdruk gebruikt omdat dit de beste resultaten opleverde. Gaandeweg de 19e eeuw werd deze techniek vervangen door lithografie. De lithografie heeft onder andere als voordeel dat ook machinale kleurendruk mogelijk is. Als een van de weinige bezigde Bibliographisches Institut, Hildburghausen, later Leipzig (zie onder) aanvankelijk de hardere "Stahlstich" die grotere oplagen toelaat. (In Engeland en Schotland werd de staalgravure, ook na de uitvinding van het galvaniseren van koperplaten rond 1840, overigens nog langere tijd toegepast.)
De belangrijkste atlas in de eerste helft van de 19e eeuw in Duitsland was de in 1807 voltooide Allgemeiner Hand-Atlas der ganzen Erde... uitgegeven door het Landes-Industrie-Comptoir c.q. Geographisches Institut (1791-1905) te Weimar. De latere titel van deze atlas was: Grosser Handatlas des Himmels und der Erde. In de periode 1820-45 gaf vooral C.F. Weiland (1782-1847) gestalte aan dit ca. 60×40 cm metende werk, van 1845-55 H. Kiepert (zie verderop) en ten slotte Carl en Adolf Gräf. De laatste editie verscheen vanaf 1880 als 49e druk.
Sinds 1815 verscheen bij uitgeverij Hinrichs in Leipzig de populaire Neuer Atlas der ganzen Erde, een kruising tussen een schoolatlas en een wereldatlas (die grens was vroeger minder scherp), als aanvulling op de aardrijkskundeboeken van Christian Gottfried Daniel Stein (1771-1830), vandaar dat sommige edities zijn uitgerust met de rugtitel Stein's Hand-Atlas. De laatstbekende druk, de 35e, verscheen in 1878.