Saichania is een geslacht van uitgestorven plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorend tot de Ankylosauria, dat tijdens het Laat-Krijt leefde in het gebied van het huidige Mongolië.
De eerste fossielen van het geslacht werden in 1970 in de Gobiwoestijn gevonden. Het dier kreeg in 1977 zijn naam, die zoiets als 'de schone' betekent, toen de typesoort Saichania chulsanensis benoemd werd. Het eerste fossiel bestond uit de voorkant van een skelet. Ook is er een schedel bekend waarvan men vroeger dacht dat die van Tarchia was, een nauwe verwant in de Ankylosaurinae. Daarnaast meende men twee volledige skeletten gevonden te hebben, maar de eerste daarvan is nog niet beschreven en de tweede bleek later van een andere soort te zijn. Onzeker is of de geslachten Tianzhenosaurus en Shanxia uit China in feite aan Saichania gelijk zijn. Alleen over de voorkant van het lichaam hebben de wetenschappers dus betrouwbare kennis.
Saichania werd minstens vijf meter lang en woog dan twee ton. De voorpoten waren kort maar zeer krachtig gebouwd en sterk gespierd. Ze ondersteunden een lage en brede romp. Daar werden de stukken plant verteerd die de snavel en kleine tandjes van de korte kop afbeten. Als verdediging tegen roofsauriërs was het lichaam van Saichania bedekt met beenplaten. Om die te ondersteunen waren wervels, schoudergordel, ribben en borstbeen uitzonderlijk hecht samengegroeid. Sommige beenplaten hadden hoge scherpe richels. Ook de kop was gepantserd met bultige beenschubben. Uitsteeksels in de vorm van hoorns stonden op de hoeken van het achterhoofd, de wangen en de zijden van de onderkaken. Misschien had Saichania een staartknots, net als de meeste Ankylosauridae. Zulke knotsen zijn wel aangetroffen in de vijfenzeventig miljoen jaar oude aardlagen waarin Saichania is gevonden, maar zonder een heel skelet kunnen we niet weten of die bij de voorkant horen.
Vondst en naamgeving In 1970 en 1971 groef een Pools-Mongoolse expeditie naar de Gobiwoestijn bij Chulsan fossielen op van een ankylosauriër. In 1977 werd op basis hiervan de typesoort Saichania chulsanensis benoemd en kort beschreven door Teresa Maryańska. De geslachtsnaam is afgeleid van saichan, 'schoon', 'mooi', in het Mongools, een verwijzing naar de gaafheid van het type-exemplaar. De soortaanduiding verwijst naar Chulsan. left|thumb|Tianzhenosaurus is mogelijk identiek aan Saichania. Het holotype GI SPS 100/151 is gevonden in een laag van de Barun Goyot-formatie die dateert uit het Laat-Campanien, ongeveer vijfenzeventig tot drieënzeventig miljoen jaar oud. Het bestaat uit een schedel en het voorste deel van de postcrania: een volledige reeks van zeven halswervels, tien voorste ruggenwervels, ribben, een borstbeen, de volledige schoudergordel, een linkervoorpoot, beide halsbergen en veel van de bedekkende osteodermen. Het exemplaar is in verband gevonden, op de buik liggend. Maryańska wees nog een specimen aan de soort toe, ZPAL MgD-I/114 bestaande uit een fragment van een schedeldak plus osteodermen, maar daarvan wordt tegenwoordig betwijfeld of het om Saichania gaat daar dit exemplaar uit een andere formatie afkomstig is. Het is onbeschreven zodat het moeilijk is vast te stellen om wat voor dier het gaat en kon in 2009 niet worden gelokaliseerd. Uit dezelfde formatie zijn PIN 3142/251, een nog onbeschreven skelet met schedel en tentoongestelde staartknots, en MPC 100/1305, een skelet zonder schedel, toegewezen. Dit laatste, een jong dier van ongeveer 2,8 meter lang, is in 2011 beschreven. In 2014 concludeerde Victoria Megan Arbour echter dat dit exemplaar een ander taxon betrof, mogelijk Pinacosaurus. De beschrijvers uit 2011 waren op een dwaalspoor gebracht doordat het exemplaar opgesteld was met een schedel die een afgietsel was van het holotype van Saichania. Dit was ze niet opgevallen daar ze meenden dat dit cranium authentiek was. De meeste opstellingen die onder de noemer Saichania in musea te zien zijn, betreffen deze combinatie die dus een zeer misleidend beeld geeft van het dier.
Dit vermindert de bekende gegevens over de soort aanzienlijk. Arbours onderzoek maakte dat echter ten dele goed doordat ze eerder gevonden specimina weer als Saichania identificeerde. Specimen PIN 3142/250, eerder aan Tarchia toegewezen en de belangrijkste bron van informatie over die soort vormend, zou vrijwel zeker een exemplaar van Saichania vertegenwoordigen. Dit zou het bereik in de tijd van Saichania vergroten want dit specimen stamt uit de latere Nemegtformatie die rond de tweeënzeventig miljoen jaar oud is. Ook zouden Tianzhenosaurus youngi Pang & Cheng 1998 en Shanxia tianzhenensis Barrett, You, Upchurch & Burton 1998 jongere synoniemen van Saichania zijn, iets wat al eerder gesuggereerd was door Robert Sullivan. Arbour kon althans geen diagnostische verschillen ontdekken tussen de holotypen van de drie taxa. Indien deze identificatie correct is, zou toch vrij veel van het achterlichaam bekend zijn. Het zou ook betekenen dat het meeste wat in de literatuur over Tarchia vermeld wordt en vrijwel alle illustraties van die soort, in feite op Saichania betrekking hebben. In 2017 echter werd PIN 3142/250 door Paul Penkalski benoemd als de aparte soort Tarchia teresae.
Beschrijving Grootte, algemene bouw en onderscheidende kenmerken thumb|Afgietsel van de schedel van het holotype thumb|Afgietsel van de schedel van PIN 3142/250, volgens Arbour van hetzelfde taxon Saichania is een vrij forse ankylosauriër. Maryańska schatte de lengte zelfs op zeven meter maar later onderzoek wijst op een wat minder aanzienlijke omvang. Bij ankylosauriërs neemt de staart minder dan de helft van de lichaamslengte voor zijn rekening. In 2010 schatte Gregory S. Paul de lichaamslengte op 5,2 meter, het gewicht op twee ton. Van een achterlijf met staart, specimen ZPAL MgD I/113, eerder aan Dyoplosaurus giganteus toegewezen, suggereerde Arbour in 2014 dat het weleens van een zeer groot exemplaar van Saichania zou kunnen zijn geweest, hoewel dit door een gebrek aan overlappend materiaal niet bewezen kon worden. In dit geval werd Saichania juist veel langer dan gedacht want het vertegenwoordigt een van de grootste ankylosauriërs die ooit zijn gevonden, zo'n negen meter lang.
Saichania heeft een extreem brede en afgeplatte romp die op zeer stevige maar erg korte ledematen staat. De nek is erg kort en breed. Ook de kop is breed met vergroeide beenderen. Het skelet is zeer zwaar gebouwd. left|thumb|De rechterzijkant van specimen PIN 3142/250 Maryańska gaf in 1977 een diagnose die meteen diende als korte beschrijving. De buitenste neusgaten, aan het uiterste einde van de kop geplaatst, zijn groot en ovaal, ieder doormidden gedeeld door een horizontaal beenschot. Dit schot scheidt de grote bovenste ovale doorgang naar de neusholte van een kleinere opening, meer naar het midden gelegen, die toegang biedt tot een luchtholte in de praemaxilla. De praemaxillae die de voorste snuit vormen, zijn relatief smal. De bovensnavel is zo ongeveer even breed als de horizontale afstand tussen de achterste maxillaire tanden. Ze zijn bedekt door welgevormde aangegroeide huidverbeningen. Aan het achtereind van de schedel is de knobbel die de verbinding vormt met de nek, de condylus occipitalis, matig bol en vrij sterk naar beneden gericht. Het schedeldak overhangt het achterhoofd. De exoccipitalia van het bovenste achterhoofd zijn laag en de bovenste delen ervan staan haaks op het schedeldak; onderaan zijn ze sterk naar voren gebogen. Het quadratum helt naar achteren, wat de bovenkant van het kaakgewricht onder het midden van de oogkas brengt. De oogkassen zijn vooraan en achteraan gesloten door verbeend kraakbeen. Er is één zenuwkanaal voor de negende tot en met twaalfde hersenzenuw. Op het pterygoïde van het verhemelte is een epipterygoïde aanwezig. De interne vleugels van de bovenkaaksbeenderen die het voorste verhemelte vormen, zijn goed ontwikkeld. Het hoofdlichaam van het bovenkaaksbeen raakt over een kleine lengte de opening tussen deze maxilla en het verhemeltebeen. In de voorste nek zijn de atlas en de draaier vergroeid. Aan de onderste zijkant van de romp liggen uitgebreide verbeende kraakbeenplaten tussen de ribben. De ledematen zijn massief gebouwd. De voorpoot is sterk naar achteren gebogen. De hand is vijfvingerig.
In 2014 stelde Arbour een herziene diagnose op. De osteodermen op de kop zijn sterk bol. Uniek voor de Ankylosaurinae zijn de eerste en tweede halswervel, de atlas en draaier, vergroeid tot één element, een syncervicale. De bovenkant van het opperarmbeen is zeer breed, gelijk aan zeventig procent van de totale lengte van het bot. Tussen de ribben van de borstkas bevinden zich verbeningen van het intercostale kraakbeen. De halsbergen hebben niet alleen een onderliggende beenband maar de opliggende osteodermen worden aangevuld door platen die de zijdelingse ruimte tussen de osteodermen bedekken en van buiten bezien geheel aan het oog onttrekken.
Verder gaf Arbour een vergelijkende diagnose die de verschillen aanduidde met bepaalde relevante verwanten wat een unieke combinatie van op zich niet unieke kenmerken opleverde. De caputegulae, koptegeltjes, van de neusbeenderen hebben in het midden een enkelvoudige centrale plaat, anders dan Minotaurasaurus die er vier heeft. Ze steken ook minder naar bezijden uit en zijn ruwer. Anders dan bij Minotaurasaurus en Zaraapelta zijn de snuitwanden niet bedekt met kleine osteodermen maar met een grote flapvormige plaat vooraan en een plaat op het traanbeen achteraan. Een ander verschil met die taxa is dat de plaat van het prefrontale kleiner is en minder zijwaarts uitsteekt. Nog een onderscheid ligt hem in het continu doorlopen van de voorste en achterste supraorbitale platen boven de oogkas, die dus niet ieder een aparte punt vormen. Anders dan bij Tarchia is er geen extra osteoderm op de achterkant van het postorbitale. De hoorns op de squamosa zijn piramidevormig en groter en breder dan bij Tarchia. Deze hoorns hebben een eenvormig oppervlak, dat niet geplooid is zoals bij Zaraapelta. De plaat op de achterste onderkaak beslaat ongeveer de helft van de kaaklengte en is daarmee overlangs korter dan die van Minotaurasaurus. Bij dit alles moet bedacht worden dat Arbour Minotaurasaurus een jonger synoniem van Tarchia acht.
Skelet Schedel thumb|De achterkant van de schedel van specimen 3142/250. De snuit wijst naar rechts; linksboven zijn het achterhoofdsgat en de achterhoofdsknobbel te zien Saichania heeft een brede schedel — 455 millimeter lang en achtenveertig centimeter breed bij het holotype — waarbij vooral de rijen hoog bollende osteodermen op de snuit opvallen. Het patroon daarvan verschilt wat tussen het holotype en specimen 3142/250 maar Arbour verklaarde dat uit individuele variatie. Beide schedels hebben bepaalde basiskenmerken gemeen zoals de piramidevormige squamosale hoorns op de achterhoeken, opvallende osteodermen op de achterrand van het schedeldak, en de plaatvormige osteodermen op de zijkant van de snuit. Er zijn ook verschillen in de rest van de schedel: PIN 3142/250 heeft een langere snuit, de squamosale hoorn is lager, het quadratum en de processus paroccipitalis zijn op het achterhoofd niet vergroeid, de oogkas is meer achterwaarts geplaatst, er bevinden zich geen osteodermen achter de oogkas, de wanghoorn steekt meer naar achter, het neusgat is meer zijwaarts geopend, de processus basipterigoidei op de onderste hersenpan vormen overlangs korte en duidelijk gescheiden bultjes in plaats van een ruwe doorlopende zone. Arbour erkende dat dit mogelijk zou kunnen duiden op een soortonderscheid en wees 3142/250 slechts onder voorbehoud toe. left|thumb|In iedere vestibule van de neusopening bevinden zich twee boven elkaar gelegen neusgaten