Het boek Words and Things, An Examination of, and an Attack on Linguistic Philosophy is een in 1959 uitgegeven boek van de filosoof en antropoloog Ernest Gellner. Het boek bevat een kritiek op de toen dominante filosofische school, namelijk de ordinary language philosophy of linguïstische filosofie in de analytische filosofie. Het voorwoord van dit boek werd verzorgd door Bertrand Russell die Gellner bijviel in zijn kritiek. In 1979 publiceerde Gellner een nieuwe editie van dit boek waaraan een lange inleiding was toegevoegd. Het boek zorgde voor een controverse in de Britse academische wereld, voornamelijk ook omdat Gilbert Ryle, de redacteur van Mind en zelf voorstander van de linguïstische filosofie, een recensie van dit werk weigerde te publiceren, waarop Russell dit aanklaagde in The Times. Hierdoor kreeg het boek veel bekendheid en het werd zelfs beschreven als "the most discussed work of English philosophy since A. J. Ayer's Language, Truth and Logic"., "The Angry Young Philosopher", Commentary, 30, p. 178.
Het boek begint met een inleiding toegevoegd in 1979 waarin Gellner enkele kritieken verder verfijnt. Vervolgens bespreekt hij in de eerste vijf hoofdstukken de visie van de linguïstische filosofie en haar standpunten. In de volgende vijf hoofdstukken formuleert hij verschillende vormen van kritiek op deze stroming. De linguïstische filosofie stelde dat de taak van de filosofie was het alledaags gebruik van de taal te bestuderen en dat de traditionele filosofische problemen ontstonden door taalkundige verwarring omdat men de termen uit hun alledaagse context haalde. Gellner verwijt deze filosofie vooral dat zij afglijdt naar relativisme en conservatisme, maar ook dat zij zichzelf op verschillende punten tegenspreekt en ondergraaft.
Inhoud Inleiding van 1979 thumb|Ernest Gellner op het vierde seminar van de Social Science Research Council (SSRC) in New York Gellner begint de inleiding met de stelling dat het verleidelijke van de linguïstische filosofie is, dat ze één simpele oplossing heeft voor de volgens Gellner drie grote problemen van de moderniteit in de filosofie: Problem of validation: Kennis lijkt niet meer te funderen zonder te vervallen in een eindeloze regressie. Problem of enchantment: Onze traditionele visies op het leven, de mens en dergelijke worden bedreigd door de moderne wetenschap en technologie, die we echter op zich wel nodig hebben willen we onze huidige levensstandaard behouden. Problem of its own professionalisation: zonder enige grond van vaste kennis en rechtvaardiging, lijkt er geen duidelijke taak en methode voor de filosofie te zijn. De antwoorden van de linguïstische filosofie worden als volgt door Gellner samengevat: op het probleem van de fundering van kennis (1) antwoordt de linguïstische filosofie met "If you cannot beat them, disqualify them! If you cannot prove rival views to be false, then say that they are meaningless!"Gellner, E., p. 3. De rivaliserende theorieën worden door de linguïstische filosofie afgedaan als verkeerd taalgebruik en onzin. Zelf vertrekt ze van de alledaagse taal (ordinary language) die zij als een onproblematisch en juist fundament beschouwt. Gellner noemt deze techniek een "crypto-epistemologie" die elke vorm van kritiek uitsluit omdat de betekenis van de termen niet meer door een filosoof wordt bepaald, maar door het alledaags taalgebruik dat men dan ook moet "laten zoals het is".
Het antwoord van de linguïstische filosofie op de onttoveringsproblematiek (2) valt terug te vinden in het latere werk van Ludwig Wittgenstein, bijvoorbeeld Filosofische onderzoekingen, waarin de aandacht van Wittgenstein verschoof van de logica naar het dagelijks taalgebruik: taalspelen of "levensvormen" (forms of life) vinden hun rechtvaardiging in zichzelf en moeten niet extern gerechtvaardigd worden. Op deze wijze lost het niet enkel het eerste probleem op (het kan als fundament dienen), maar ook het probleem van de betovering: "The "late-Wittgenstein" theory of language [...] saved our rich old Lebenswelt whose practices and perceptions are built into our language, as well as validating our principles."Gellner, E., p. 12. De vrees en begoocheling, bijvoorbeeld geformuleerd door Max Weber als de "onttovering van de wereld" blijkt zo een valse angst te zijn. Externe zaken zoals wetenschap kunnen nooit onze culturele waarden ondergraven omdat deze zichzelf rechtvaardigen.
Het probleem van de filosofie zelf (3) wordt volgens de linguïstische filosofie eveneens in Wittgensteins filosofie opgelost: de taak van de filosoof is "the guardianship of conceptual table manners".Gellner, E., p. 14. De filosoof moet erop toezien dat men altijd en steeds zijn concepten op een correcte wijze gebruikt en dus niet hervalt in wat eerder beschreven werd als betekenisloze uitspraken. Op deze wijze was het dus eenvoudig en duidelijk vastgelegd wat de filosoof moest doen en werden ook de moderne principes van naturalisme, secularisme en egalitarisme gerespecteerd.
Het grote probleem met deze linguïstische filosofie is echter dat het leidt tot relativisme en conservatisme. Zo schrijft Gellner: "The philosophy [here] is in effect a Do-It-Yourself ideological kit, a carte blanche for the construction of any desired world, in which the proportions of naturalism and mysticism can be precisely what your particular taste requires. [...] You simply pick the contents of those particular kinds of discourse, "forms of life", "language games", which you happen to favour."Gellner, E., p. 20-21. Daarnaast wijst Gellner er ook op dat de linguïstische filosofie het bestaan van de geschiedenis, het veranderen van talige praktijken door de tijd heen, geheel lijkt te ontkennen en de huidige vorm van alledaags taalgebruik verabsoluteert. Het is volgens Gellner onmogelijk om kennis en normen te baseren op de heersende talige praktijken omdat deze slechts een van de vele vormen zijn, die op zich ook vaak veranderen. "The solution can only absolutise one particular set of conceptual habits, selected by taking an arbitrary cross-section of a society at a given point in time, and ignoring other times and places. The solution quite literally consists of pretending that history does not exist."Gellner, E., p. 24-25. De linguïstische filosofie hanteert dus volgens Gellner een verkeerde visie op de filosofie: ze moet niet "de dingen laten zijn zoals ze zijn", maar moet zich juist toeleggen op de verschuivingen van ideeën, concepten en gewoonten door de tijd heen.
Verder is de ordinary language philosophy ook niet te falsifiëren en dus nietszeggend. Stel men komt in contact met een filosofisch probleem: de eerste stelling van deze filosofie is dat dit dus eigenlijk een pseudoprobleem is en men hier te maken heeft met taalverwarring. De procedure die gevolgd moet worden is dan ook het bestuderen van de wijze waarop de filosoof sprak over het probleem en het contrasteren met hoe er in het alledaags taalgebruik over wordt gesproken. Wat echter als dat niet tot de gewenste resultaten leidt? Dan is er simpelweg nog een andere oplossing open voor de ordinary language philosophy: het probleem is eigenlijk geen filosofisch probleem. Het behoort tot een andere wetenschap, die misschien nog ontwikkeld moet worden. Kortom, op deze wijze klopt het plaatje altijd. Er is zo geen enkele mogelijke manier waarop de linguïstische filosofie fout zou kunnen zijn.
Deze keuze om een filosofisch probleem ofwel als een taalkundige misvatting ofwel als een wetenschappelijk probleem te benoemen, is een dogma van de linguïstische filosofie. Gellner stelt dat het inderdaad zo kan zijn dat filosofische problemen op taalkundige verwarring berusten, maar dit is hoogstens een van de vele mogelijkheden. Filosofen als Wittgenstein en John Austin daarentegen lijken te suggereren dat elk filosofisch probleem a priori een conceptuele verwarring is. Van zijn filosofische tegenstanders weet Wittgenstein dus al op voorhand dat ze het slachtoffer zijn van deze verwarring. De stelling dat hij geen eigen positieve theorie zou hebben (maar enkel de fouten van andere blootlegt) is dus foutief: hij heeft immers een metatheorie over de aard van (filosofische) problemen en hoe men deze moet oplossen.Gellner, E., p. 30.
I. Over de linguïstische filosofie In het eerste hoofdstuk van dit boek probeert Gellner de kern van de linguïstische filosofie bloot te leggen. De vertrekpunten van deze filosofie kunnen worden opgesplitst in drie deeltheorieën: Theory of philosophy: de traditionele filosofie is een product van taalmisbruik, en toekomstige goede filosofie bestaat erin die fouten te analyseren. Gellner beschrijft dit als een therapeutische vorm van euthanasie van de filosofie: filosofie in haar vroegere vorm moet sterven, maar niet door deze louter te verbieden.Gellner, E., p. 42. De nieuwe filosoof moet stap voor stap laten zien waarom de vroegere filosofen fout zaten. Verder moet hij er ook op toezien dat de mens in de toekomst niet opnieuw vervalt tot het eerder beschreven foutieve taalgebruik (the Night Watchman theory of philosophy). Theory of the world and of language: volgens de linguïstische filosofie is de wereld wat deze is en niet iets geheel anders. De mens bevindt zich in deze wereld en gebruikt taal om over deze wereld met anderen te communiceren. Oude filosofische vragen of bepaalde begrippen, zoals schoonheid of goedheid, toegeschreven aan iets in deze wereld, zijn zinloos. Zulke begrippen kunnen alleen zinvol gebruikt worden in ons dagelijks taalgebruik en komen ook enkel toe aan dat soort taalgebruik. De fout die de oude filosofie maakte was deze concepten buiten het kader waarbinnen ze zinvol zijn te gebruiken. Men kan enkel vragen stellen binnen zo'n kader, maar niet over het kader zelf. Taal is geen afspiegeling van de werkelijkheid (Mirror theory of meaning), maar bestaat slechts uit een reeks activiteiten (taalhandelingen) binnen die wereld. Theory of mind: Gellner stelt dat de linguïstische filosofie ook een theorie over de menselijke geest bevat. Hij verwijst voornamelijk naar het werk van Gilbert Ryle, en met name diens The Concept of Mind (1949). De menselijke geest is bij Ryle geen afzonderlijk gegeven dat radicaal verschilt van lichamelijke handelingen. De geest komt overeen met de dingen die we doen: het resultaat is een vorm van filosofisch behaviorisme. Gellner zegt dat de ordinary language philosophy in feite zowel "koude" entiteiten (zoals proposities, universalia, ...) en "warme" entiteiten (zoals innerlijke sensaties en mentale toestanden) reduceert tot activiteiten van de mens. Er is geen privéwereld in ons hoofd waar een ander mens ooit bij kan komen.
II. Over de taal In het tweede hoofdstuk gaat Gellner in op wat de linguïstische filosofie te zeggen heeft over wat taal is en belangrijker wat het volgens haar niet is. Zo is de taal geen "spiegel van de werkelijkheid" (mirror of reality). Dit was volgens de linguïstische filosofie de grootste fout van de vroegere filosofie. De taal is geen spiegel en kan dat ook niet zijn, maar is daarentegen altijd een reeks activiteiten die mensen kunnen verrichten. De taal maakt dus deel uit van de wereld en is er geen afspiegeling van. Gellner wijst bijvoorbeeld op de centrale notie van een "taalspel": woorden of uitspraken verkrijgen hun betekenis door hun specifiek gebruik in een bepaalde context, dus binnen het zogenaamde "taalspel" waarin ze opereren. Binnen zo'n spel moet men dan ook de regels volgen, want anders speelt men dat spel niet meer.
Daarnaast duidt Gellner hier ook de vier fundamenten van de linguïstische filosofie aan:Gellner, E., p. 51-78.