Situatie oktober 1941 Op 22 juni 1941 begon operatie Barbarossa, de Duitse aanval op de Sovjet-Unie. Heeresgruppe Nord, onder bevel van maarschalk Wilhelm von Leeb, had Leningrad als einddoel. Voor de verovering van de stad beschikte maarschalk von Leeb over het 16de Leger, het 18de Leger en Panzergruppe 4. In totaal telde zijn legergroep 562 000 soldaten, verdeeld over 20 infanteriedivisies, 3 pantserdivisies en twee gemotoriseerde divisies.

Aanvankelijk verliep de Duitse opmars vlot. De Sovjetverdediging stortte ineen en in enkele weken werden Litouwen, Letland en Estland veroverd. Na de verovering van de Baltische staten begon het Duitse offensief te vertragen. Eind juli 1941 bevond de Duitse voorhoede zich nog steeds 140 kilometer van Leningrad verwijderd. Op 6 augustus 1941 stuurde Adolf Hitler Panzergruppe 3, die tot Heeresgruppe Mitte behoorde, naar het noorden om de opmars opnieuw op gang te krijgen. Hij gaf bevel dat Leningrad voor de winter moest worden veroverd. Stavka, het opperbevel van het Rode Leger, stuurde generaal Zjoekov naar Leningrad om de verdediging te organiseren. Gesteund door de twee pantserkorpsen bereikte Heeresgruppe Nord na een moeizame strijd de zuidelijke rand van de stad.

Op 4 september 1941 begon de Duitse artillerie Leningrad te beschieten. De Führer veranderde opnieuw van gedachte. Maarschalk von Leeb moest de beide pantserkorpsen terug overdragen aan Heeresgruppe Mitte en hij kreeg bevel de stad uit te hongeren. Op 8 september bereikten de Duitsers de oever van het Ladogameer, waardoor de laatste verbinding over land werd afgesneden. Leningrad was omsingeld.

De Duitse greep op de stad was echter niet sterk. Ze hielden slechts het gebied tussen Sjlisselburg en Sinjavino bezet. Deze strook van slechts 15 kilometer werd al spoedig het doelwit van verschillende aanvallen.

Leningrad Front Het 54ste Leger verdedigde met zes zwakke infanteriedivisies een front van 35 kilometer van Lipka, aan de zuidelijke oever van het Ladogameer, tot aan de Maloesinskimoerassen. Hoewel afgesneden van de andere legers vormde het 54ste Leger een deel van het Leningradfront. Het kreeg zijn bevelen vanuit de belegerde stad en het moest zijn gevechtshandelingen afstemmen met de omsingelde legers. Ten zuiden van de Maloesinski moerassen bevonden zich de vier infanteriedivisies van het 4de Leger. Hun sector strekte zich uit tot aan Ptsjezva rivier. Ten zuiden van dit leger verdedigde het 52ste Leger een frontlijn van 80 kilometer tussen de monding van de Ptsjezva en Doebrovka. Beide legers stonden onder rechtstreeks bevel van Stavka, dat zich in Moskou bevond. Het front tussen Doebrovka en het Ilmenmeer werd verdedigd door de Novgorod Operationele Groep, die drie divisies telde en tot het Noordwestelijk Front behoorde.

Slagorde van het Rode Leger 54ste Leger (luitenant-generaal Michail Chozin)

4de Leger (luitenant-generaal Vsevolod Jakovlev) 285ste Infanteriedivisie 292ste Infanteriedivisie 311de Infanteriedivisie 27ste Cavaleriedivisie 119de Tankbataljon

52ste Leger (luitenant-generaal Nikolaj Klykov) 288ste Infanteriedivisie 267ste Infanteriedivisie

Novgorod Operationele Groep 305de Infanteriedivisie 180ste Infanteriedivisie 43ste Tankdivisie

Duitse opmars naar het oosten Begin oktober 1941 lanceerde Stavka het Eerste Sinjavo-offensief om de omsingeling van Leningrad te doorbreken. Hoewel het offensief mislukte, zorgde het voor onrust bij de Duitse legerleiding. Het Duitse opperbevel realiseerde zich dat de omsingeling van de stad niet sterk genoeg was. Maarschalk Wilhelm von Leeb, bevelhebber van Heeresgruppe Nord, kreeg de opdracht om de omsingeling van Leningrad te versterken, zodat het 16de Leger kon worden vrijgemaakt om de noordflank van Heeresgruppe Mitte te dekken tijdens de aanval op Moskou. Hij besloot tot een dubbele aanval over de Volchov. Het 39ste Gemotoriseerde Korps (generaal Schmidt), bestaande uit de 12de Pantserdivisie en de 20ste Gemotoriseerde divisie, vormde samen met de 21ste Infanteriedivisie en de 126ste Infanteriedivisie van het 1ste Legerkorps de belangrijkste aanvalsmacht. Vanuit Tsjoedovo moesten ze via Boedogosjtsj aanvallen in de richting van Tichvin, de stad bezetten en daarna verder naar de Svir oprukken om contact te maken met de Finnen. De linkerflank van deze aanval zou worden gedekt door de 11de infanteriedivisie, die vanuit Kirisji langs de oevers van de Volchhov naar het Ladogameer moest oprukken. Op de rechterflank moesten de 8ste Pantserdivsie en de 18e Gemotoriseerde Divisie Malaja Visjera veroveren en contact houden met de noordflank van Heersgruppe Mitte.

Op papier was het Duitse aanvalsplan ingenieus. Maarschalk von Leeb had rekening gehouden met het feit dat zijn plan kon falen en de aanvalsdoelen zodanig gekozen dat hij steeds kon terugvallen op een minder ambitieus einddoel. Als Schmidts korps de Svir niet kon bereiken, dan zou de verovering van het spoorwegstation van Tichvin voldoende zijn om de blokkade van Leningrad te verstevigen. Als ook dit doel niet werd bereikt, dan zou hij de aanval op zijn linkerflank versterken. Als de Duitse troepen de oevers van het Ladogameer bereikten, dan was het 54ste Leger omsingeld in een gelijkaardig bruggenhoofd zoals het 8ste Leger bij Oranienbaum.

Slagorde van de Wehrmacht thumb|Generaal der Pantsertroepen Rudolf Schmidt 39e Gemotoriseerde Korps (generaal der Pantsertroepen R.Schmidt) 18e Gemotoriseerde Divisie (Generaal der Infanterie F.Herrlein) 20e Gemotoriseerde Divisie (Generaal der Infanterie H.Zorn) 8e Pantserdivisie (majoor-generaal E.Brandenberger) 12e pantserdivisie (majoor-generaal J.Harpe)

1ste Legerkorps (generaal der Infanterie H. von Both) 11e Infanterie divisie (generaal der Infanterie H.von Böckmann) 21e Infanterie divisie (generaal der Infanterie O.Sponheimer) 126e Infanterie divisie (generaal der Infanterie P.Laux)

Aanval op Tichvin Op 16 oktober 1941 gingen de Duitsers in de aanval. Na een korte schermutseling staken de 21ste en 126ste Infanteriedivisie de Volchov over. Duitse genietroepen (Pioneersbataljons) legden twee zware pontonbruggen over de rivier. Enkele uren later werden beide divisies gevolgd door de 12de Pantserdivisie en de 20ste Gemotoriseerde divisie. Na vier dagen van hevige gevechten in de bossen en moerassen ten oosten van de rivier braken de Duitsers door de verdediging en dwongen de drie divisies van het 4e Leger tot een aftocht. Twee divisies trokken zich terug naar het zuidoosten en een derde divisie boog af naar het noorden. Op die manier ontstond een opening tussen het 4de leger en het 52e Leger, waarvan de Duitsers gebruik maakten. Op dat moment veranderde het weer. Regen en natte sneeuw veranderden de ondergrond in een modderpoel. De Raspoetitsa was begonnen. De Sovjetdivisies, die voornamelijk uit infanterie met Panje-wagens bestonden, hadden minder last van het terrein, dan de Duitse gemotoriseerde eenheden. thumb|Rapoetista

Stavka beval beide legers om een tegenaanval in te zetten om de opening terug te sluiten, maar de overvloedige sneeuwval en de modderige wegen vertraagden elke verplaatsing. Ook de communicatie tussen het hoofdkwartier en de troepen ter plaatse zorgde voor verwarring. Er was geen duidelijke bevelsstructuur. Generaal Klykov gaf orders aan eenheden die niet tot zijn leger behoorden. Instructies om bepaalde dorpen te verdedigen werden aan verkeerde eenheden gestuurd of enkele uren later herroepen. Eenheden kregen bevel stand te houden op een lijn, die ze reeds twee dagen daarvoor hadden opgegeven.

thumb|Modder Ondanks de Raspoetitsa rukte de Duitse aanvalsmacht verder op. De 12de Pantserdivisie en de 20ste Gemotoriseerde divisie naderden Boedogosjtsj, dat op 23 oktober in hun handen viel. Generaal Schmidt was gedwongen om een pauze in te lassen om zijn eenheden, die over een lengte van tientallen kilometers in de modder vastzaten, te hergroeperen en kans te geven hun voertuigen te herstellen. Ondertussen was de aanval van de Duitse linkervleugel enkele kilometers ten noorden van Kirisji vertraagd en ten slotte op 24 oktober tot volledig vastgelopen in de modder. Op de rechterflank had 18e Gemotoriseerde Divisie het 52ste Leger verdreven uit Malaja Visjera. De barre weersomstandigheden verhinderden de Duitsers om hun troepen te bevoorraden.

Stavka besefte de ernst van de situatie en ze schraapte alle versterkingen bijeen. Uit de verdediging van Leningrad haalde ze de 191ste divisie en stuurde deze eenheid naar Sitomlia, een dorpje halverwege tussen Boedogosjtsj en Tichvin. De 44ste divisie werd door de lucht naar Tichvin gestuurd om de verdediging te versterken. Bovendien werden de 92ste Infanteriedivisie en de 60ste Tankdivisie uit de strategische reserve gehaald en onder bevel van het 52ste Leger geplaatst. thumb|Opmars door het woud De Sovjetcommandanten ter plaatse waren echter nog niet in staat om grootscheepse troepenbewegingen te coördineren. De versterkingen werden beetje bij beetje ingezet aan het front. Op 27 oktober slaagde het 4de Leger er niet in om de Duitse 12de Pantserdivisie bij Sitomlia terug te drijven. Hun ongecoördineerde aanvallen dwongen generaal Schmidt wel zijn opmars te staken en zijn divisies te hergroeperen. Hij had nog maar de halve afstand tot Tichvin afgelegd.

Op de zuidelijke flank wist het versterkte 52ste Leger stand te houden tegen de Duitse 18e Gemotoriseerde Divisie en de 8ste Pantserdivisie. Aan de oevers van de Malaja Vishere kwam de opmars op 27 oktober tot stilstand. Generaal Schmidt besloot de centrale opmars te versterken en hij begon de beide divisies naar het noorden te verschuiven om de aanval bij Sitomlia te versterken.

Op 26 oktober was het duidelijk dat het Duitse offensief zijn kracht had verloren en bijna volledig was vastgelopen. Maarschalk von Leeb wilde dat het Duitse 9e Leger van Heeresgruppe Mitte een aanval naar het noorden inzette om zijn troepen te ontlasten. Adolf Hitler weigerde en hij beval maarschalk von Leeb de aanval te hernemen.

De Sovjets hadden van de adempauze in het Duitse offensief gebruikgemaakt om hun troepen te hergroeperen. Het 4de Leger zette op 1 november een nieuwe tegenaanval in op de 12de pantserdivisie. Vanuit het noorden vielen de 191ste infanteriedivisie, versterkt door een regiment van de 44ste divisie en een regiment van de 60ste Tankdivisie de Duitse stellingen aan. Vanuit het zuiden vielen de 4de divisie en de twee andere tankregimenten aan. Haastig groeven de Duitsers zich in rond Sitomlia. Dankzij de massale luchtsteun en hun automatische wapens sloegen de Duitsers de aanvallen af.

Op 5 november daalde de temperatuur tot ver beneden het vriespunt. De grond verhardde en dit gaf de Duitse tanks de kans om hun opmars te hervatten. De 12de Pantserdivisie, versterkt door elementen van 8ste Pantserdivisie en 18e Gemotoriseerde Divisie, baande zich een weg naar Tichvin, dat op 8 november in hun handen viel. thumb|Duitse opmars loopt vast

Ondertussen daalde de temperatuur verder tot -30°C. De Duitse gemechaniseerde strijdkrachten waren niet voorzien op dit winterweer. Motoren moesten voortdurend blijven draaien, want anders bevroor de olie. Al na enkele dagen hadden de meeste voertuigen geen brandstof meer. Het smeervet in de wapens bevroor, waardoor de wapens blokkeerden. Elke aanraking van metalen onderdelen van wapens of voertuigen betekende een vrieswonde. Lichaamsdelen, die werden blootgesteld aan de koude, bevroren in enkele minuten. De paarden, afkomstig uit Duitsland, Frankrijk en Nederland, stierven massaal. De dieren waren niet bestand tegen de Russische winter. Zonder brandstof en paarden konden de Duitse eenheden zich niet langer verplaatsen. Ze waren verplicht om de dorpjes waarin ze zich bevonden tot het uiterste te verdedigen, want elke verplaatsing in de barre weersomstandigheden was onmogelijk. thumb|Infanterie in de sneeuw

Duitse opmars loopt vast