thumb|Spotprent van Hand Baldung Grien: Heksen (Hexen beim Schadenszauber) - houtsnede 1508thumb|Spotprent over hekserij uit 1865 Opvattingen over heksen en hekserij in Europa kennen een lange geschiedenis. De termen heks en hekserij worden meestal geassocieerd met sprookjes of met de heksenvervolgingen die Europa van de 15e tot de 18e eeuw teisterden. Dit artikel geeft een overzicht van de ontwikkeling van de opvattingen die leidden tot stereotiepe voorstellingen van 'heksen'. De literatuur, specialistische historische en antropologische studies laten zien dat opvattingen omtrent hekserij evolueren.
Stereotypes: een overzicht Wat wordt of werd in Europa verstaan onder een "heks"? De beeldvorming die leidde tot stereotiepe opvattingen heeft een lange geschiedenis. Honderden boeken verschenen over het onderwerp, en ook nu is consensus onder academici zoals historici, sociologen en antropologen ver te zoeken. Vragen die in dat verband gesteld worden zijn:
Waren er mensen die zichzelf als heksen beschouwden? Als dat zo was, wat deden ze dan of geloofden ze te doen? Waren ze georganiseerd en hielden ze vergaderingen? Wat te denken over die covens en sabbats? Waar en wanneer begonnen de grote heksenvervolgingen? En wie begon het en om welke redenen? Om hoeveel geëxecuteerden ging het?
Auteurs benaderden deze vragen op verschillende wijze en bepaalden zo de beeldvorming over de (Europese) heks.
De heks in de tijd van de heksenvervolgingen Het meest stereotiepe beeld van de heks dateert uit de tijd van de heksenvervolgingen van de 16e en 17e eeuw. Talrijke documenten en beschrijvingen van processen schetsen het volgende beeld:
Een heks is een menselijk wezen, gewoonlijk een vrouw, soms een man of kind, die aan de duivel gebonden was door een pact en zijn dienaar werd. Typisch ging het om een oudere, eenzame vrouw die door haar buren was verstoten. De duivel verscheen aan haar in de gedaante van een man en ontlokte in ruil voor geld, angst of seks, de belofte van gehoorzaamheid. Een heks was in staat tot maleficium, het veroorzaken van schade door occulte krachten. Ze kon vee ziek maken, mannen impotent maken, plotse dood veroorzaken, hagelstormen en regens oproepen. Van heksen werd gezegd dat ze baby’s doodden en opaten omdat het hen bovennatuurlijke kracht zou schenken, dat ze van dat vlees zalven bereidden en middelen om anderen te doden. Regelmatig vergaderden heksen om godslasterlijke rituelen uit te voeren. Eerst stonden die bijeenkomsten bekend als ‘synagogen’, later als sabbats’, een verwijzing naar de joodse sabbat. Grotere sabbats werden drie of vier keer per jaar gehouden en daar kwamen heksen vanuit alle hoeken van het land naartoe. Sabbats verliepen ‘s nachts en werden voor de ochtend beëindigd. Heksen kozen daarvoor kerkhoven uit, kruispunten van wegen, of een plaats aan de voet van een galg. Om de grote afstanden naar de plaats van de sabbat te overbruggen, vlogen de heksen ernaartoe. Ze smeerden zich in met vliegzalf en vlogen het raam van hun slaapkamer uit, al dan niet op een demonische ram, geit, varken of zwart paard. Voor hetzelfde doel werden stokken, schoppen en bezems gebruikt. Tijdens de sabbat zetelde de duivel op een ebbenhouten troon in de gedaante van een monsterlijk hybride wezen, half man, half geit: een afschuwelijke zwarte man met hoorns, vlammende ogen, een geitensik, de poten van een geit, vaak afgebeeld met vogelklauwen in plaats van met handen. Het ritueel op de sabbat, de duivelverering, was antichristelijk. De heksen moesten voor de duivel neerknielen en hem ‘Heer’ noemen. De hele dienst’ was een parodie op de christelijke eucharistie, evenals het kussen van de duivel op de linkervoet, de anus en het geslachtsdeel. Na de ceremonie eindigde de sabbat in een orgie, waarbij eerst een maaltijd werd geserveerd met weerzinwerkende substanties zoals rotte vis, bedorven vlees en babyvlees. De heksen vormden een kring rond een heks in het midden (gebukt, met een kaars in haar anus) en dansten op het geluid van drums, trompetten en fluiten. Langzaamaan werd de dans extatischer en ontaardde het feest in sodomie en incest waarbij alles toegelaten was. De duivel zelf copuleerde met iedereen. Bij het naar huis sturen van zijn onderdanen gaf de duivel hen de opdracht mee om zo veel mogelijk maleficium uit te oefenen tegen de christenen.
Heksen werden dus in de opvatting van de heksenvervolgers in de vroegmoderne tijd beschouwd als een groep die regelmatig samenkwam met de bedoeling de christelijke leer ten schande te zetten. Maleficium zelf beoefenden ze individueel. Heksen waren voor hen een sekte van duivelaanbidders.
De heks als lid van een religieuze sekte Het idee dat er vroeger een sekte, een groep van heksen bestond met een eigen religie zou lang invloed uitoefenen op de heksentheorie. Ook toen er in de 19e eeuw serieus onderzoek werd aangevangen bleven deze onderzoekers beargumenteren dat er werkelijk sprake zou zijn geweest van een sekte die door de autoriteiten in de 15e, 16e en 17e eeuw (en soms in vroegere perioden) vervolgd werd. Dit was in vergelijking met de opvattingen over de heks in de 18e eeuw een hele verandering. Weinig erudiete personen geloofden hierin. Een verschil met de 16e-eeuwse opvattingen, was dat 19e-eeuwse onderzoekers niet langer geloofden dat heksen al die dingen deden die van heksen in de 16e eeuw geloofd werden. Er werd niet over het 'vliegen van heksen' naar de 'sabbats' gesproken, en ook niet dat de 'duivel' zich bij die gelegenheden incarneerde en heerschappij uitoefende over de heksen. Wat wel overeind bleef in hun visie was dat heksen in groepen georganiseerd waren en leiders hadden, dat ze een religieuze cultus hadden die onchristelijk (of voorchristelijk) was, en dat ze daarvoor af en toe 's nachts verzamelden op afgelegen plaatsen om niet ontdekt te worden. Daar voerden ze dan hun rituelen uit. Deze visie, die aan belangrijke universiteiten in Europa en Noord-Amerika werd aangehangen, stelde dat het 16e-eeuwse beeld van de heks zoals weergegeven in de documenten van heksenrechtspraak een verwrongen voorstelling bood van de 'echte' heksencultus en van vergaderingen die werkelijk hadden plaatsgevonden. Zelfs nu zijn er nog intellectuelen die geloven dat er werkelijk een georganiseerde heksencultus bestond.
Als 'stichter' of inspirator van deze school die overtuigd is van het werkelijke bestaan van georganiseerde heksengroepen, wordt soms de Italiaanse geestelijke Girolamo Tartarotti-Serbati genoemd, die in 1749 Del Congresso delle Lamie publiceerde. Ook de grote Duitse folklorist Jacob Grimm wordt genoemd, omwille van enkele passages in zijn Deutsche Mythologie uit 1835. Maar uiteindelijk trokken deze twee slechts de aandacht op het feit dat volksgeloof uit voorchristelijke tijden had bijgedragen aan het stereotype van de heks. Geen van beide stelde dat de heksenvervolging zich richtte tegen een antichristelijke sekte.
De eerste moderne onderzoeker die deze visie naar voor bracht was Karl Ernst Jarcke.
Karl Ernst Jarcke en natuurreligie thumb|140 px|Karl (Carl) Ernst Jarcke, lithografie van Josef Kriehuber, 1834 Karl Ernst Jarcke, professor aan de universiteit van Berlijn, argumenteerde na het bestuderen van documenten in verband met een 17e-eeuws Duits heksenproces dat hekserij bovenal een natuurreligie was die eens de religie was geweest van alle heidense Duitsers. Na de vestiging van het christendom was deze religie onder het volk blijven bestaan met haar sacramenten en ceremonieën, maar in een gewijzigde vorm. De kerk veroordeelde deze religie als duivelverering. Tot de kern van dit heidense geloof behoorden volgens Jarcke 'geheime kunsten om de natuur te beïnvloeden', waarbij volgens de kerk beroep werd gedaan op de duivel. Stilaan begon ook onder het volk de overtuiging te heersen dat dergelijke praktijken als een dienst aan de duivel waren te beschouwen. Een initiatie in die kunsten kreeg zo mettertijd de betekenis van bewust kiezen voor het kwaad en het uitoefenen van maleficia.
La Sorcière van Jules Michelet 140 px|thumb|De Franse historicus Jules Michelet, schilderij van Thomas Couture (1815-1879) Ook van enige invloed op de beeldvorming rond de Europese heks was het boek 'La Sorcière'La Sorcière van Jules Michelet: originele Franse tekst is te downloaden op deze website van de historicus Jules Michelet uit 1862. Hij verdedigde daarin de stelling dat hekserij voortgekomen was uit protest van middeleeuwse lijfeigenen tegen de verstikkende sociale orde. Volgens hem hielden ze geheime nachtelijke bijeenkomsten waarop heidense dansen werden uitgevoerd en satires opgevoerd over heren en priesters. Dit zou al vanaf de 12e en 13e eeuw hebben plaatsgevonden. Michelet noemt de sabbat de 'zwarte mis', met als middelpunt niet de duivel, maar een vrouw "met het gezicht als Medea" en een tragische, diepe blik die geboren was uit lijden. Deze romantische figuur was de priesteres van de cultus, waarvan Michelet zegt dat ze het hele gebeuren van de sabbat heeft uitgevonden en georganiseerd. Een grote houten figuur met hoorns en een geërecteerde penis stelt in de ceremonie Satan voor, 'de grote lijfeigene in opstand'. De priesteres copuleert tijdens het ritueel ook met Satan en ontvangt zo zijn geest. Michelets visie week dus op een aantal punten af van het 'traditionele' 16e-eeuwse verhaal. Nieuwe elementen zijn de theorie van de opstand der lijfeigenen, de figuur van priesteres, de zwarte mis die op de rug van een vrouw wordt gevierd. We vinden in Michelets werk ook verwijzingen naar een vruchtbaarheidscultus die een goede oogst wilde verzekeren. Het is een romantische visie op hekserij die twee onderdrukte groepen, vrouwen en lijfeigenen, wilde rehabiliteren.
The Golden Bough van James Frazer thumb|The Golden Bough, schilderij van William Turner The Golden Bough (De Gouden Tak) van James Frazer werd voor het eerst gepubliceerd in 1890. Het is een antropologisch werk dat een sterke invloed uitoefende op zowel intellectuelen als kunstenaars die geïnspireerd werden door Frazers theorieën over vruchtbaarheidscultussen. Het werd heruitgegeven in 12 delen die tussen 1907 en 1915 verschenen. Heel wat gebruiken en rituelen werden nu zoals Frazer deed geïnterpreteerd als magische handelingen die bedoeld waren om bijvoorbeeld het groeien van gewassen en het kweken van dieren te garanderen. Deze theorie werd ook toegepast op de Europese hekserij en dan met name in het werk van Margaret Murray.
The Witch-Cult in Western Europe van Margaret Murray
Een ander invloedrijk boek dat bijdroeg aan de beeldvorming rondom de heks was The Witch-Cult in Western Europe uit 1921. Hierin ontwikkelde de Britse egyptologe en antropologe Margaret Murray voor het eerst haar controversiële letterlijke interpretatie van de verslagen over heksenprocessen tijdens de Renaissance. Dit werk is van belang omdat het een bronnenboek is over de heksenprocessen, met uitgebreide citaten uit de originele documenten in het oorspronkelijke Elizabethaanse Engels, Frans en Duits. De namen van honderden beschuldigde heksen worden gegeven in een appendix. Het hoofdgedeelte van dit werk wil laten zien dat het consistente verhaal over een bestaande sekte het bewijs is van een brede, ondergrondse heidense religie die in Europa bestond tot in de Renaissance.
Moderne opvattingen Evans-Pritchard over de functie van hekserij in gemeenschappen Totdat Evans-Pritchards klassieke werk over de Azande verscheen werd er nog geen echt onderscheid gemaakt tussen hekserij en tovenarij (Engels: withcraft and sorcery). Evenmin werden hekserij en zwarte magie als aparte disciplines beschouwd.Max Marwick: Witccraft and Sorcery, p. 55