miniatuur|Ingang van De Poesje miniatuur|Repenstraat met links het Vleeshuis en rechts de Poesje De Poesje is de afkorting van “poesjenellentheater”, een Vlaams poppentheater in Antwerpen.
Omschrijving “De Poesje” (niet het) is geen handpoppen- maar een marionettentheater met stangpoppen.
Er zijn slechts enkele “Poesje”-theaters in Antwerpen, waarvan dat in de Repenstraat "De poesjenellen kelder" het meest bekende is, en de "Poesje van StAndries" de meeste vertoningen geeft. De Poesje van de Lange Wapper speelt regelmatig en houdt de traditie in ere. Andere theaters waar ook met stangpoppen wordt gespeeld worden niet "Poesje" genoemd (zoals Van Campen en 't Voske). Van Campen heeft anno 2016 de deuren gesloten.
Met "poesje" en "poesjenel" wordt ook de marionet zelf aangeduid. Ze worden ook wel "voddebalen" genoemd vanwege hun kledij gemaakt van vodden. De kop, onderarmen en onderbenen zijn van hout, de poppen zijn 50 à 60 centimeter hoog en worden met twee ijzeren stangen bewogen. Eén vastgemaakt aan de kop en een ander aan de rechterhand. De oudste poppen werden uit cederhout gekerfd, later uit eikenhout.
De stukken van de Poesje-theaters worden enkel in het Antwerps dialect gespeeld, en hun hoofdpersonage is "De Neus" (een pop met een grote neus), en het andere benoemde personage is Jan zonder vrees, alle overige personages hebben bijnamen als "Den Bult" (met bochel), "De Schele", Mie Vis, Jan Lawijt, Den Bronze (met rood haar) etc.
In 2024 werd beslist te stoppen met de Poesje van Sint Andries. De schavies werd feestelijk ontvangen op het stadhuis.
Geschiedenis De 16de eeuw Het Antwerpse poppenspel vond zijn oorsprong in Italië te Napels in de commedia dell'artetraditie. De Italiaanse schelmenfiguur Pulcinella was een pop die in zijn strijd tegen de Spaanse huursoldaten al gauw een soort van volksheld werd. Pulcinella had een grote neus en een bult op zijn rug. Zijn fysieke kenmerken sijpelden later door in twee verschillende Antwerpse poesjenellenfiguren: de Neus en de Bult. Een derde figuur, de schele, stotterende, maar spitsvondige Schele is een volledig Antwerpse creatie. "Poesje" is overigens een verbastering (via poesjenel) van Pulcinella.SCHEPENS, Piet, en VAN DE CASTEELE, Guy, "Poesje in Antwerpen", Uitgeverij Project, Antwerpen, 1988.
In de 16de eeuw werden er al poesjenellentheatervoorstellingen gehouden in Antwerpen. De Hertog van Parma schafte in 1585 de rederijkerskamers af in de stad, omdat deze “brandhaarden van hervormingsgedachten” waren. Prompt ontstonden er diverse poesjenellentheaters waar politici nog veel scherper belachelijk werden gemaakt. De Spaanse bezetters namen deze poppenspelen echter niet serieus en dus konden deze "poesjes" eeuwenlang rustig doen en zeggen wat ze wilden.
De 19de eeuw In de jaren 1820 bezocht de latere schrijver Hendrik Conscience als kind regelmatig voorstellingen in "De Poesje" in de Boomgaardstraat (tegenwoordig Bogaardestraat), in het Sint-Andrieskwartier. Hij zou er in zijn latere memoires, "De Geschiedenis mijner jeugd" met nostalgie op terugblikken. Sommige voorstellingen waren afgeronde verhalen, maar er werd ook in feuilletonvorm gewerkt waarbij elke voorstelling een vervolg kende.“De Poesje” was erg populair bij de gewone bevolking. Er werd in het gewone dialect gesproken, schuttingtaal was alomtegenwoordig en machthebbers werden meedogenloos belachelijk gemaakt. In 1839 leidde dit tot een verbod van de poesjenellentheaters in het Sint-Andrieskwartier. De buurt was in die tijd tamelijk onguur en advocaat Melchior J.C. Kramp vreesde dat de poppentheaters zouden bijdragen aan de verloedering van het Sint-Andrieskwartier en de openbare veiligheid bedreigden. Ook sommige gewone burgers steunden de beslissing, meestal uit angst voor hun huisbazen.
In 1862 ontstond in de Repenstraat, nabij het Vleeshuis echter een nieuw "Poesje", wellicht de bekendste Poesje in Vlaanderen. (Jarenlang stond er "1848" als stichtingsdatum boven "De Poesje", maar dit is een fout.) Hier mocht Charles Janssens wel voorstellingen geven, al moest hij het stadsbestuur beloven enkel voor "kleine jongens" te spelen. Deze poesjenellenkelder werd meteen een uitermate populair volksvermaak en trok al spoedig een groter en volwassener publiek aan. Omdat er geen klachten kwamen, liet de politie deze “Poesje” rustig zijn gang gaan. De voorstellingen vonden plaats in de kelder van herberg "In het Duifken", uitgebaat door herbergierster "Madam Warm Joke" of "Jo Garnot". Toen zij een café-chantant kocht en naar de Beenhouwersstraat verhuisde, verkocht ze het hele poesjenellentheater aan Leopold Pasmans. Pol Pasmans was een poppenspeler die geregeld voorstellingen gaf in de kelder van een café onder de Kaasstraat. Omdat zijn voorstellingen regelmatig verstoord werden door een orgel in het café, besloot hij naar de Repenstraat te verhuizen. Hier zou hij decennialang instaan als directeur van “De Poesje”. Omdat hij eigenlijk schoorsteenveger was kreeg hij de bijnaam "de schavies". Deze eretitel zou later overgaan op zijn opvolgers en is thans nog steeds de bijnaam van alle poesjenellenpoppenspelers.
Pasmans' "De Poesje" werd spoedig de belangrijkste en enige poesjenellenkelder van Antwerpen. Hij kocht al zijn concurrenten op en noemde de kelder vanaf 1894: "DE Poesje". Pasmans weigerde echter vrouwen toe te laten en maakte hier zelfs een regel van. In de loop der jaren ondervond het poppentheater echter alsnog concurrentie van echte theaters met acteurs, zoals "De Vlomse Comedie" en de café chantants. Noodgedwongen begon Pasmans hierop privévertoningen te geven voor gezelschappen en verenigingen, een traditie die tegenwoordig nog steeds geldt.
Eind 19de eeuw kreeg "De Poesje" steeds meer aandacht van de burgerij, schrijvers, intellectuelen en andere prominenten. Tijdens de wereldtentoonstelling van 1894 in Antwerpen werden er een tijdje voorstellingen gegeven in de wijk Oud-Antwerpen. Zelfs koning Leopold II kwam op bezoek, waarna Pasmans het opschrift boven de kelder een tijd in "Keuninklijke Poesje" veranderde. Er werden voor de gelegenheid ook enkele nieuwe stukken bedacht (omdat alle poppenspelers analfabeet waren, werden de stukken in die tijd nog niet opgeschreven, maar allemaal mondeling overgeleverd). "De Poesje" werd op deze manier enkel nog bezocht door de burgerij en rijke mensen, wat de spelers zelf wel ten goede kwam, maar ze verloren hun oorspronkelijke publiek.
De 20ste eeuw miniatuur|Naar de Poesje door Jos De Swerts In 1904 overleed Pasmans en nam zijn schoonzoon Gust Deschamps de voorstellingen over. Doordat de volkswijken gesaneerd werden en de buurt leegstroomde werd "De Poesje" steeds duurder. In 1914 en 1920 werden twee aanvragen voor subsidie afgewezen en noodgedwongen werden de teksten op vraag van de bezoekers wat meer aangepast. Eind jaren '20 moest “De Poesje” noodgedwongen sluiten.
In 1930 werd Deschamps' huis en poesjenellenkelder overgekocht door een vzw, bestaande uit verzekeringsmakelaars, bankiers, beheerders, een nijveraar en een architect. Ze konden meteen optreden op de Wereldtentoonstelling van 1930 in Antwerpen. Toch ontstond er weer ruzie toen een van de spelers, Pol van Bogaert, wou opstappen, het theater tot brandhout verwerken en de poppen weggeven aan de kinderen uit de buurt. Dankzij de tussenkomst van zijn schoonbroer, Jef Van Campen, en de financiële hulp van journalist Jan De Schuyter werd het theater echter van de ondergang gered. Al in 1932 gaf Van Bogaert weer vertoningen in een kelder op de Sint-Niklaasplaats. Nu telde Antwerpen opnieuw twee poesjenellenkelders, één in de Repenstraat ("De Poesje") en één op de Sint-Niklaasplaats ("Poppenschouwburg Van Campen").
In 1941 overleed Pol Van Bogaert en nam zijn helper, Corneel Van Cakenberghe, bijgenaamd "Neel", de “Poesje” in de Repenstraat over. Hij werkte al sinds zijn 15de voor het gezelschap. Tijdens de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog werden de vaste vertoningen gestaakt, maar na de oorlog openden beide Poesjenellenkelders alweer de deuren. Ze kregen veel bijval, maar in 1956 werd de Poesje in de Repenstraat verkocht aan het stadsbestuur.
In 1962 besloot het Antwerpse stadsbestuur om beide Poesjenellentheaters te heropenen. Eén dag voor de première op 23 november 1962 viel Van Cakenberghe tijdens zijn werk in de haven in een 9 meter diep laadruim. Hij werd zwaargewond in het ziekenhuis opgenomen, maar zijn zoon, Henri, kon het werk voorlopig van hem overnemen. Een jaar later stond Neel alweer achter de schermen, zij het voorlopig op krukken. Het gezelschap van Corneel Van Cakenberghe en dat van Ward Smets ("Nonkel Ward") zouden voortaan afwisselend voorstellingen geven. Het voordeel aan deze situatie was dat er altijd wel één poesjenellentheater vertoningen kon geven. Het nadeel was dat door artistieke meningsverschillen deze regeling al in 1966 ten einde kwam.
Op 11 oktober 1981 ontving Corneel Van Cakenberghe uit handen van Minister van Cultuur Rika De Backer een gouden medaille voor zijn verdiensten. Hij bleef tot in zijn laatste dagen bij het gezelschap betrokken en overleed in 1984. Twee jaar eerder nam zijn zoon Henri (Rik) Van Cakenberghe de leiding over De Poesje over. Omdat de eeuwenoude kelder door verbouwingswerken in de buurt rond het Vleeshuis dreigde in te storten liet de overheid het gebouw enkele maanden renoveren. In 1987, ter gelegenheid van het 125-jarig jubileum, werden de poppen zelf ook opgeknapt.
De zoon van Neel, Robert Van Cakenberghe, speelde al van zijn 12 jaar regelmatig mee in de kelder van de Repenstraat. Stilaan nam hij de leiding over tot in de 21e eeuw.
In 2019 was het erg stil geworden in de Antwerpse Poesje. Door de Corona-pandemie mochten de voorstellingen niet langer plaatsvinden. Nadien werd asbest aangetroffen in de kelder en bleek er een stabiliteitsprobleem. De stad zorgde voor de nodige ingrepen om de eeuwenoude kelder weer toegankelijk te maken zonder het specifieke karakter van het historische monument te schaden.
Begin 2024 werd de kelder vrijgegeven en ging Robert Van Cakenberghe op zoek naar nieuwe schaviezen om het stuk volkskundig erfgoed weer te reanimeren. Behalve zijn echtgenote Nora en zijn trouwe vriend Ben Vermeulen was er niemand meer overgebleven van de oorspronkelijke spelersgroep. Zo kwam hij terecht bij Ben Bervoets van kinderpoppentheater 'Klein maar moedig' die jarenlang ook in de poppenschouwburg Van Campen speelde en samen met zijn vader en Jan Gillis, die voordien ook bij Van Campen speelden, ook poesjenellentheater voor volwassenen speelt in de kelder van het Fakkeltheater. Ben, Jan, Ben's zus Marianne en Glenn Pellis van de Antwerpse zanggroep 'De Pikkedieven' engageerden zich om met Robert de Poesje van de Reep weer tot leven te brengen en op 11 januari 2025 werd de eerste voorstelling een feit. Uit de oudste poesjenellenkelder van onze stad klonken weer lachsalvo's zoals het eeuwenlang traditie was.
Poesjenellentheater "Poppenschouwburg Van Campen" Jozef-Judocus Van Campen (5 september 1882- 17 december 1965) was decorateur. Hij was zeer begaafd in schilderen, decoreren, restaureren en musiceren. Van Campen was geïnteresseerd geraakt in poppenspel dankzij Pol Van Bogaert, die in “De Poesje” in de Repenstraat speelde. Van Bogaert en Van Campen hadden elkaar kort na de Eerste Wereldoorlog leren kennen. Pol huwde later met Pauline Van Campen, de zus van Jozef-Judocus.