Totale bevolking 17.811.291 Totaal aantal mannen 8.850.309 Totaal aantal vrouwen 8.960.982 Burgerlijke staat Ongehuwd 8.851.656 Gehuwd 6.709.548 Verweduwd 863.244 Gescheiden 1.386.843 Bevolkingsgroei tot 1 januari 2022 Bevolkingsgroei 220.619 Levendgeborenen 167.504 Overledenen 170.112 Geboorteoverschot −2.608 Immigranten 403.108 Emigranten 179.310 Migratiesaldo (incl. correcties) 223.798 De bevolking van Nederland passeerde half augustus 2024 de grens van achttien miljoen inwoners. De bevolking is in de laatste anderhalve eeuw meer dan vervijfvoudigd. Tot 2014 werd bevolkingsgroei voornamelijk veroorzaakt door natuurlijke aanwas, daarna door migratie.CBS Dashboard Bevolking/Bevolkingsgroei

Taal

Talen: Nederlands, Fries (Friesland), Nederlandse Gebarentaal, Papiaments (Bonaire), Engels (Saba en Sint Eustatius). Nedersaksisch is naast het Limburgs en het Fries een van de drie officiële streektalen in Nederland, maar heeft niet, zoals het Fries, de status van ‘tweede rijkstaal’. Alfabetisme (percentage van de bevolking van 15 jaar en ouder dat kan lezen en schrijven) totale bevolking: 99% (schatting 2000).

Religie

Volgens het CBS is de verdeling van de bevolking over de verschillende levensbeschouwelijke groeperingen als volgt.

+ Verdeling levensbeschouwelijke groeperingen in 2024 (CBS) Religie PercentageGeen kerkelijke gezindteRooms-katholiekProtestantsIslamAnder gezindten

Bevolkingsontwikkeling miniatuur|Bevolkingsgroei Nederland 1900 t/m 2006 (gebaseerd op gegevens van het CBS) miniatuur|Stand bevolking op 1 januari 2019Bevolking; kerncijfers

Kentallen Percentage bevolkingsgroei: 0,60% (2016) Netto migratie: 4,64 /1000 (2016) Onderscheid bevolking naar sekse (2001): zuigelingen: 1,04 m/v onder 15 jaar: 1,05 m/v 15-64 jaar: 1,03 m/v 65 jaar en ouder: 0,7 m/v Totale bevolking: 0,98 m/v (2001) Zuigelingensterfte: 3,6 sterftes op 1.000 levendgeborenen (2011) Levensverwachting pasgeborenen 1950, 1970, 1990, 2001, 2019 (jaren): bevolking: 71,5; 73,5; 77; 78,5; 82 mannen: 70,5; 71; 74, 75,5; 80,5 vrouwen: 72,5; 76,5; 80; 81,5; 83,5 Vruchtbaarheidscijfer: 4,5 (1900); 2,6 (1937); 4 (1946); 3 (1965); 2 (1973); 1,6 (1977); 1,57 kinderen/vrouw (2019)Geboorte; kerncijfers vruchtbaarheid, leeftijd moeder, regio, CBS, 29 juni 2020Gijs Beets, Twee kinderen als norm: Nederlandse gezinnen kiezen vaker voor de lusten van kinderen dan voor de lasten, Over Bevolking, deel 3, 2007 (via www.nidi.nl)

Factoren De belangrijkste factoren voor de bevolkingsontwikkeling van Nederland zijn: Geboorte Sterfte Menselijke migratie Relatievorming en -ontbinding (huwelijken, (geregistreerd) partnerschap)

Deze factoren hebben effect op de omvang en samenstelling van de bevolking, en zijn daarom van invloed op de groei van de bevolking. Relatievorming behoort tot een van de belangrijkste factoren, omdat de meeste kinderen immers binnen een relatie worden geboren. Hierdoor verandert de omvang en samenstelling van de bevolking, zoals de leeftijdsverdeling. De bevolkingsgroei is het aantal levendgeborenen minus het aantal overledenen (= geboorteoverschot) plus gevestigde personen minus vertrokken personen (= migratiesaldo) plus saldo correcties. De bevolking van Nederland groeit als de optelsom van het geboorteoverschot en het migratiesaldo positief is. Meer nakomelingen per inwoner zorgt dat de bevolking op termijn steeds sneller groeit (exponentiële groei), terwijl een hoger migratiesaldo leidt tot een relatief constant blijvende toename in de bevolkingsgroei.

Vanaf 1950 was het relatieve geboorteoverschot (dit is het geboorteoverschot per duizend van de gemiddelde bevolking) nog 15,2, op 1 januari 2018 was dit nog maar 1,1. Dit betekent dat het verschil tussen het aantal levendgeborenen en het aantal overleden steeds kleiner wordt. Dat het aantal positief was, kwam omdat er nog altijd meer kinderen worden geboren dan dat er personen overlijden. In 2022 overleden er meer mensen dan er geboren werden, voor het eerst sinds 1900.

Geboorte Honderd jaar geleden was het aantal levendgeborenen even hoog als in de eerste decennia van de 21e eeuw: 168 duizend. De bevolking was echter veel kleiner en grote gezinnen waren gangbaar. Het aantal levendgeborenen schommelde in de afgelopen honderd jaar tussen 160 en 250 duizend, met uitzondering van de babyboom die in 1946 begon met 284 duizend levend geboren kinderen; een klassieke geboortegolf, zoals vaker na oorlogen. Was het gemiddeld kindertal per vrouw in 1900 4,5. In 2017 was dit 1,66 gemiddeld per vrouw, dus een enorme daling van het geboortecijfer. Vanaf 1950 neemt het aantal levendgeborenenGeboorte; kerncijfers, vanaf 1950, CBS sterk af. Werden in 1950 nog 229.718 kinderen geboren, in 2018 waren het er 169.836, een daling van 26%. Uit onderstaande grafiek blijkt dat meer jongetjes dan meisjes worden geboren, wat overigens de natuurlijke toestand is; door riskanter gedrag en meer aandoeningen is hun sterfte hoger, zodat meisjes al voor de vruchtbare leeftijd in de meerderheid zijn.

Doordat jonge vrouwen emanciperen en meer deelnemen aan het arbeidsproces, worden het stichten van een gezin en een eventueel huwelijk uitgesteld. Jonge vrouwen zijn beter opgeleid en daarom willen ze hun opleiding te gelde maken. Ook economische factoren spelen een rol. Een van de factoren is de overspannen woningmarkt. Voor het stichten van een gezin vindt men een aantrekkelijke woning noodzakelijk, maar de prijzen van woningen maken dit niet makkelijk. Daarnaast heeft de arbeidsmarkt hier ook een rol in. Vaste banen zijn lastig te vinden. De combinatie moederschap, opleiding en werkWelke gevolgen heeft ouderschap voor werk en economische zelfstandigheid blijkt lastig; zo besteden vrouwen nog steeds beduidend meer tijd aan hun jonge gezin dan mannen. Was de gemiddelde leeftijd van vrouwen bij het krijgen van een eerste kind in 1970 24,3 jaar, in 2017 is deze leeftijd gestegen naar 29,8 jaar. En er is een groeiende groep die alleenstaand blijft gedurende de vroege volwassenheid.How Millennials, Gen Z Are Lowering Birth Rates Around the World, Newsweek, Apr 09 2025, Steeds meer 30-jarigen wonen nog bij ouders en zonder partner, NOS.nl, 17 Juni 2025

Sterfte In 1950 stierven 75 929 personen, waarvan 39 121 mannen en 36 808 vrouwen. In 2017 waren dat 150 214 personen, waarvan 72 661 mannen en 77 553 vrouwen. De gemiddelde leeftijd van mannen bij overlijden in 1950 was 70,29 jaar, terwijl dit in 2018 80,16 jaar is. Voor vrouwen was de gemiddelde leeftijd bij overlijden in 1950 72,58 jaar, in 2018 83,33 jaar. Uit onderzoek van het CBS blijkt dat in de wintermaanden vooral 80-plussersMeer sterfgevallen in wintermaanden, CBS overlijden. Dit als gevolg dat griepepidemieën in deze periode vaker voorkomen, en doordat ouderen hiervoor meer vatbaar blijken te zijn.

Vanaf 2007 sterven er meer mensen aan nieuwvormingen (kanker)Kanker oorzaak bij 31% van de sterfgevallen, CBS dan de jaren er voor. In de jaren hiervoor was de voornaamste doodsoorzaak hart- en vaatziekten.Doodsoorzaken, CBS Vanaf 1997 sterven er meer vrouwen dan mannen. Deze trend zet zich tot op heden door. Dit wordt veroorzaakt doordat er meer vrouwen aan hart- en vaatziekten en longkanker overlijden. Uit recent onderzoek naar trends in sterftestatistieken is gebleken dat door roken de sterfte door longkanker onder vrouwelijke babyboomers is toegenomen. Zo wordt er voor de komende jaren in de berekeningen voor de sterfteprognoseOnderzoek naar trends in sterftestatistieken, CBS rekening gehouden dat het aantal sterfgevallen door longkanker onder 70-jarige vrouwen zal toenemen.

miniatuur|Overledenen naar geslacht vanaf 1950Overledenen naar geslacht vanaf 1950, CBS

Zuigelingensterfte De sterfte van zuigelingen neemt vanaf 1900 sterk af. Stierven er in 1900 nog 155 kinderen van de 1000 levendgeborenen, in 1939 was dit aantal gedaald tot 34. De zuigelingensterfte gedurende de oorlogsjaren neemt toe en laat in 1945 een piek zien van 80, om vervolgens te dalen tot 3,6 per 1000 levendgeboren kinderen. Deze dalingZuigelingensterfte en geboorten, de 19e en begin 20e eeuw wordt onder andere veroorzaakt doordat de levensomstandigheden verbeteren door betere voeding voor moeder en kind, hygiëne, zwangerschapsbegeleiding en verbetering van de gezondheidszorg. Er sterven meer jongens dan meisjes. In 1950 stierven 3535 jongetjes tegen 2591 meisjes, in 2017 waren de aantallen respectievelijk 347 en 260.Zuigelingensterfte naar geslacht, CBS

Binnen Europa scoort Nederland hoog als het om babysterfte gaat. Vermoedelijke redenen zijn het op latere leeftijd kinderen krijgen, het hogere aantal meerlingzwangerschappen en het hoge aantal rokende vrouwen.

miniatuur|Zuigelingensterfte vanaf 1900Zuigelingensterfte vanaf 1900, CBS

Migratie Het relatieve migratieoverschot (dit is het migratieoverschot per duizend van de gemiddelde bevolking) toont vanaf 1950 een grillig beeld. Sommige jaren kenmerken zich door een negatief relatief migratieoverschot, omdat in deze jaren meer personen uit Nederland vertrokken dan zich hier vestigden. Voorbeelden hiervan zijn de jaren 50 van de twintigste eeuw toen veel Nederlanders naar de zogenaamde emigratielanden vertrokken zoals Canada, Australië, Nieuw-Zeeland en Zuid-Afrika. 1952 kende het hoogste negatieve migratieoverschot ooit, namelijk −4,6. De jaren 2004 tot en met 2008 kenden ook een negatief migratieoverschot; veel Nederlanders zochten hun heil vooral in andere Europese landen, zoals Duitsland, Frankrijk en Spanje. Na 2015 nam het positieve migratieoverschot sterk toe.

miniatuur|Migratiesaldo vanaf 1950Bevolking; kerncijfers, CBS

Immigratie

Perioden met relatief weinig en relatief veel immigranten kenmerken de geschiedenis van Nederland. In 1900 kwamen 28 000 immigranten naar Nederland, wat in 2021 ruim 250 000 bedroeg.Hoeveel immigranten komen naar Nederland?, CBS

De motieven om naar Nederland te komen zijn verschillend. Deze zijn werk (=arbeidsmigrant, vaak als kenniswerker, onderzoeker, of als EU/EFTA-onderdaan (overige)), asiel of als vluchteling (=asielmigrant), studie en als nareiziger (=gezinsmigrant). Gezinshereniging volgt vaak op arbeidsmigratie en asiel en levert het hoogste aantal verblijfsvergunningen op. In 2018 was dit aantalVerblijfsvergunningen naar motief, CBS 34 035.

De meeste immigranten komen uit de Europese lidstaten, vroeger vooral Duitsers en Belgen, veelal in de grensstreek. Vanaf de jaren 70 groeit ook de toestroom van Engelse migranten,Migranten in Nederland, 1948-2000. Een kwantitatieve analyse van sekseverschillen; p23; juni 2009; Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis 6(2); Corrie Van Eijl die veelal woonachtig zijn in de Randstad, vaak met Nederlandse partner en vaak actief in de financiële sector. Vanaf 2008 blijken vooral PolenBijna 180 duizend banen vervuld door Polen, CBS naar Nederland te komen. De reden is werk.

Uit recent onderzoek van het CBS blijkt dat bijna 60 procent van de arbeidsmigrantenBijna 60% arbeidsmigranten binnen 6 jaar weg, CBS binnen 6 jaar weer vertrekken. Vaak is de reden van vertrek een verbetering van de economische situatie in het land van herkomst.

De dekolonisatie zorgde vanaf eind jaren 40 voor de migratiegolf van Indische Nederlanders en ook de onafhankelijk van Suriname zorgde voor een omvangrijke migratiebeweging vanaf de jaren 70.Cultuur en migratie in Nederland. Veranderingen van het alledaagse 1950-2000; 2005; Hester Dibbits, Isabel Hoving, Marlou Schrove; Sdu Uitgevers Vanaf eind jaren tachtig immigreren steeds meer Antillianen naar Nederland.