De zondeval is een theologisch concept in het christendom dat stelt dat zonde in de wereld kwam met de gebeurtenissen in het verhaal in Genesis 3, over de schending van Adam en Eva (de eerste mensen) van Gods verbod van de boom van de kennis van goed en kwaad te eten (Genesis 2:17), de "oerzonde". Volgens het theologische concept van de erfzonde hebben alle mensen de zonde vervolgens van Adam en Eva geërfd.

Het verhaal in Genesis 3 thumb|160px|"De zondeval", detail van het Weense Laatste Oordeel-drieluik door Jheronimus Bosch Het verhaal van de zondeval volgt op het tweede scheppingsverhaal in Genesis 2:4b-25, over de schepping van Adam en zijn vrouw en hun overplaatsing naar de Hof van Eden, en is daarmee op verschillende manieren verbonden. Zo zijn daar de "boom van de kennis van goed en kwaad" (Genesis 2:9,17 en indirect in Genesis 3:5,22), de "boom in het midden van de tuin" (Genesis 2:9 en 3:3), de "levensboom" (Genesis 2:9 en 3:22,24), Gods verbod dat de dood aankondigt (Genesis 2:17 en 3:1-6,11,17) en menselijke naaktheid Genesis 2:25 en 3:7,10,11). De introductie van de slang als verleider van de vrouw (Genesis 3:1-6) markeert echter het begin van een nieuw verhaal, eindigend met de verdrijving uit de Hof van Eden (Genesis 3:23-24). Het verhaal zelf is als volgt:

Ergens na de schepping van de eerste mensen werd de eerste vrouw door de slang verleid om een vrucht van de boom "in het midden van de tuin" te eten, terwijl God dit eerder verboden had. God had hen gewaarschuwd dat als ze van deze vruchten zouden eten, zij zouden sterven. De slang beweerde dat als zij van de vruchten van die boom zouden eten, zij helemaal niet zouden sterven, maar integendeel hun ogen zouden opengaan, zij als goden zouden zijn en kennis zouden hebben van goed en kwaad.

De vruchten kregen een grote aantrekkingskracht op de vrouw: de "vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken". De vrouw plukte daarop een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man en die at er ook van. Hun ogen werden hierdoor geopend en zij merkten dat zij naakt waren. Daarom regen ze vijgenbladeren aan elkaar en maakten er lendenschorten van.

Toen de man en vrouw God in de koelte van de avondwind in de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich. God vermoedde dat zij hadden gegeten van de verborgen vruchten en vroeg de man of dit klopte. De man gaf de vrouw de schuld en de vrouw vervolgens de slang.

God vervloekte hierop de slang. Tegen de vrouw zei hij dat haar zwangerschap een zware last zou worden en baren hard zwoegen. Zij zou haar man begeren, maar de man zou over haar heersen. De man zou zijn hele leven moeten zwoegen om uit de akker voedsel te produceren. "Zweten zul je voor je brood, totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen: stof ben je, tot stof keer je terug."

Receptie Hebreeuwse Bijbel De Hebreeuwse Bijbel kent vrijwel geen verwijzingen naar het verhaal in Genesis 3. Hoewel de Hebreeuwse Bijbel uitspraken bevat die erop wijzen dat de mens een aangeboren neiging tot zondigen heeft (Psalm 51:7; Genesis 6:5; 8:21), geven deze hier Adam niet de schuld van. Daarnaast zijn er uitspraken dat alle mensen zondig zijn (Job 4:17-19; 14:4; 15:14; 25:4; 1 Koningen 8:46; Jesaja 9:7; 64:5; Jeremia 5:1-5; 25:4f; Prediker 7:20; Sirach 8:5; Spreuken 20:9; Psalm 14:3; 53:4; 130:3; 143:2), maar zijn daarop ook enkele uitzonderingen (Genesis 5:24; 6:9; Job 1:1; 2:3; 3:10; Jesaja 52:13-53:12). Hierop zijn de positieve uitspraken gebaseerd dat de mens in staat is de Wet te vervullen (Deuteronomium 30:11,14; Job 1:1,22; Psalm 1:1) en de loerende zonde meester te blijven (Genesis 4:7; Sirach 15:14-17). Volgens Ezechiël 18:20 is ieder mens voor zijn eigen daden verantwoordelijk en wordt enige verantwoordelijkheid voor de zondes van vaders door God eenduidig ontkend.

Judaïsme Pas in de vroeg-judaïstische apocalyptische literatuur, toen men de verhalen over donkere machten en krachten overdacht, kreeg de "oerzonde" niet alleen betekenis als oorzaak van alle kwaad (Vita Adae et Evae 34; slawHen 30:17), maar ook als "zondeval" omdat sinds de ongehoorzaamheid van de oerouders de zonde het karakter van een fataliteit voor alle mensen kreeg (vergelijk Openbaring van Mozes 32; Syrische Baruch-apocalyps 48:42f; 4 Ezra 7:118). Een eenduidige uitspraak dat de zonde van de oerouders door alle nakomelingen werd geërfd ontbreekt echter in vroeg-judaïstische geschriften. De Qumran-sekte geloofde wel in een aangeboren neiging tot zonde (1QH 4:29f).J. Blinzler (1959): Erbsünde, in: LThK, 2e druk, III, pag. 965ff

Pas in het apocriefe Sirach 25:29 wordt de "oerzonde" uit Genesis 3 als het begin van het zondigen genoemd en gezien als oorzaak waardoor allen sterven. In Wijsheid 2:24 wordt het als oorzaak van de eeuwige dood van zondaars genoemd.M. Theobald (1995): Erbsünde, Erbsündenlehre I, Der Befund der Schrift, in: LThK, 3e druk, III, pag. 743f

Philo van Alexandrië verklaarde zondigen als de mensen aangeboren.Philo van Alexandrië: De vita Mosis II.147; De sacrificiis Abelis et Caini 15; De specialibus legibus I.252 De rabbijnen ontwikkelden later de leer dat de mens met zowel een goede als een slechte aard geschapen werd, waarmee zij het conflict tussen goed en kwaad op God zelf terugvoerden, zonder echter de mensen hun verantwoordelijkheid voor eigen handelen te ontnemen. De slechte aard is de individuele neiging tot zondigen, maar niet een door Adam veroorzaakte zondige constitutie.D. Vetter (1987): Sünde. 1. Jüdisch, in: Lexikon religiöser Grundbegriffe. Judentum – Christentum – Islam, GrazD. Vetter (1987): Ursünde. 1. Jüdisch, in: Lexikon religiöser Grundbegriffe. Judentum – Christentum – Islam, Graz

Christendom

Paulus betoogde in zijn Adam-Christus typologie in Romeinen 5:12-21 dat "de dood voor ieder mens [is] gekomen, want ieder mens heeft gezondigd". Bezorgd dat de toewijding jegens Christus van de Korintiërs in gevaar zou worden gebracht door de leer van een ander evangelie verwees Paulus naar het voorbeeld van de slang, die Eva misleidde door een leugen (2 Korintiërs 11:3).

Romeinen 5:12 geldt als het klassieke bewijs van de leer van de erfzonde. Omdat de Vulgaat in dit vers ἐφ’ ᾧ, eph 'hōi ("omdat, vanwege dat") vertaalde met in quo ("in de"), ontstond vanaf Ambrosiaster de interpretatie waarbij in quo op "één mens" dan wel op "de zonde van één mens" van toepassing werd gebracht. Dit is niet houdbaar, want volgens Paulus is niet alleen Adam een zondaar, maar zijn alle mensen schuldig aan hun eigen zonden. Daarom is het eenzijdige terugvoeren van zonde op Adam niet juist.

Theologische spanningsvelden Hoe eenvoudig het verhaal in Genesis 3 ook is, het werpt vragen op die eeuwenlang voor discussie hebben gezorgd en waarvoor verschillende verklaringen zijn aangedragen:K. Koch (1996): „Adam, was hast du getan?“ Erkenntnis und Fall in der zwischentestamentlichen Literatur, in zijn: Vor der Wende der Zeiten. Beiträge zur apokalyptischen Literatur, Neukirchen-Vluyn, pag. 181-217

Het vraagstuk van de twee bomen Een van de meest opvallende spanningsvelden in de tekst is de tweevoudige verdrijving uit de tuin in Genesis 3:22-24 en de gerelateerde vermelding van verschillende bomen. De relatie tussen de "boom van kennis" en de "boom des levens", die beide in het midden van de tuin zijn (Genesis 2:9), is onduidelijk.Claus Westermann (1999): Genesis, 1e deel: Genesis 1-11 (Boek I / 1), 4e druk, Neukirchen-Vluyn, pag. 288-292 Het verbod van JHWH betreft de "boom van kennis" (Genesis 2:17), die waarschijnlijk in het midden van de tuin stond (Genesis 3:3,5). Adam en Eva aten niet van de "boom des levens" en om te voorkomen dat dit in de toekomst zou gebeuren en de mens voor eeuwig zou leven (Genesis 3:22), verdreef God hen uit de tuin (Genesis 3:23). De vermelding van twee bomen die beslissend zouden zijn voor de toekomst van de mens, heeft geleid tot verschillende historische of redactionele hypothesen over de oorsprong van de tekst.

Historisch-kritisch onderzoek van de Hebreeuwse Bijbel en de documentaire hypothese hebben Genesis 2:4b-3:24 (los van enkele toevoegingen) gewoonlijk toegeschreven aan de Jahwist. Onderdelen zijn verschillend gedateerd, maar van het voorliggend materiaal kan worden aangetoond dat het mythologische motieven uit het Oude Nabije Oosten, Kanaän en Egypte heeft overgenomen.G. von Rad (1981): Das erste Buch Mose. Genesis (ATD 2-4), 11e druk, Göttingen, pag. 51, 60, 71fP. Grelot (1970): Die Ursünde neu gesehen. Zur Interpretation von Genesis 3, Graz / Wien / KölnJ. Scharbert (1985): Genesis 1-11 (NEB-AT), 2e druk, Würzburg, pag. 17f, 26-28, 48O.H. Steck (1982): Die Paradieserzählung. Eine Auslegung von Gen 2,4b-3,24, in zijn: Wahrnehmungen Gottes im Alten Testament, Gesammelte Studien (TB 70), München 1982H. Seebass (1996): Genesis I. Urgeschichte (1,1-11,26), Neukirchen-Vluyn, pag. 137fD.U. Rottzoll (1997): Die Schöpfungs- und Fallerzählung in Gen 2f., Deel 1: Die Fallerzählung (Gen 3), ZAW 109, pag. 10, zie ook D. Michel (1997): Ihr werdet sein wie Gott. Gedanken zur Sündenfallgeschichte in Genesis 3, in: Studien zur Überlieferungsgeschichte alttestamentlicher Texte (TB 93), Gütersloh, pag. 101-108J. Loh (1998): Paradies im Widerspiel der Mächte (BEAT 43), Frankfurt am Main u.a. In deze hypothese worden spanningen in de tekst niet alleen overleveringskritisch maar ook door semantische overwegingen geprobeerd te verklaren.