miniatuur|De menora is een traditioneel symbool van het jodendom framed|right|De davidster is een ander symbool van het jodendom Het jodendom is de cultuur, levenswijze en religie van het Joodse volk en de oudste of een van de vroegst ontstane monotheïstische godsdiensten en behoort tot de oudste religieuze tradities die vandaag de dag nog worden beoefend.
Het jodendom past niet gemakkelijk in de westerse categorieën zoals religie, ras, etniciteit of cultuur. Dit komt doordat Joden het jodendom in termen van 4000 jaar geschiedenis beschouwen. Tijdens dit lange tijdperk hebben Joden slavernij, chaos, theocratie, verovering, bezetting en ballingschap ervaren en zijn zij in contact geweest met en beïnvloed door het Oude Egypte, Babylonië, Perzië, het Griekse hellenisme, evenals moderne bewegingen zoals de Verlichting, het socialisme en de opkomst van het nationalisme. Daarom stelt de Joods-Amerikaanse professor Daniel Boyarin dat "Joods-zijn de pure categorieën van identiteit doorbreekt, omdat het niet nationaal is, niet genealogisch en niet godsdienstig, maar elk van deze, in een dialectische spanning.", Diaspora: Generation and the Ground of Jewish Identity, in Critical Inquiry 19 (1993), p. 721.
Het jodendom is gebaseerd op de Tenach (ook wel Hebreeuwse Bijbel genoemd), die de basiswetten van het jodendom bevat en daarnaast vooral op de Talmoed, die uitleg en uitbreidingen van de basiswetten bevat.
Ontstaan Rabbijnse visie Volgens de Joodse traditie was de Semiet Abraham, afkomstig uit Ur de eerste jood. Daarom wordt hij aartsvader genoemd. Rabbijnse literatuur vertelt dat hij de eerste was om het tegen de rest van de wereld op te nemen en de dwaasheid van afgodendienst af te werpen. Hij vertrok naar Kanaän. Daarop beloofde God dat Abraham, inmiddels al op hoge leeftijd wonend in Kanaän met zijn vrouw, aartsmoeder Sara, nog nageslacht zou krijgen dat het land zou gaan bewonen. Hierna werd aartsvader Isaak geboren. Isaak kreeg twee zoons, Ezau en Jakob. Volgens de Tenach gaf God aan Jakob bij zijn binnenkomst in Kanaän de naam Israël hetgeen betekent: "hij die met God worstelt", en zegde hem toe dat zijn nakomelingen Zijn volk zouden zijn.
Hebreeuwse Bijbel God stuurde, tijdens een hongersnood in Kanaän, Jakob en zijn kinderen naar Egypte. Toen zij daar als slaven werden gebruikt, stuurde God Mozes om de Israëlieten, zoals het volk vanaf dan wordt genoemd, daar weg te halen. Na deze uittocht uit Egypte (de exodus) bracht God hen naar de berg Sinaï om hun de Thora te geven, en leidde hen uiteindelijk naar het beloofde land, Erets Jisrael. God bepaalde dat de nakomelingen van Mozes' broer Aäron een priesterklasse binnen de Israëlitische gemeenschap zouden zijn. Zij dienden tijdens de lange tocht vanuit Egypte eerst in een verplaatsbare tent, de Tabernakel. Aangekomen in het beloofde land werd de tent met de tabernakel in de stad Silo geplaatst. De tabernakel bleef daar meer dan 300 jaar. Gedurende die tijd zou God aan zijn volk leiders en strijders verstrekt hebben om hen te verzamelen tegen de vijanden die hij op hen af stuurde. Na verloop van tijd daalde de moraal van het volk tot het punt waarin God de Filistijnen toestond om de tempel in Silo te veroveren en te plunderen. De Israëlieten vertelden de profeet Samuel dat zij het punt hadden bereikt waarop zij behoefte hadden aan een permanente koning, zoals andere volken die hadden. God wist dat dit niet het beste voor hen was, maar willigde het verzoek in en liet Samuel Saul, een groot maar zeer bescheiden mens, benoemen tot koning. Toen de mensen Saul overhaalden tegen een order in te gaan die via Samuel gegeven was, beval God Samuel om David in plaats van Saul te benoemen. Zodra David gevestigd was, vertelde hij de profeet Nathan dat hij een permanente tempel zou willen bouwen. God achtte David zelf daarvoor niet goed genoeg, maar zei dat hij zijn zoon Salomo zou toestaan om de tempel te bouwen. Salomo bouwde een tempel in Jeruzalem. De nakomelingen van Aäron dienden vervolgens als priesters in de Tempel van Jeruzalem.
Na de dood van Salomo werd het koninkrijk verdeeld in de twee koninkrijken: Koninkrijk Israël en Koninkrijk Juda. Het koninkrijk Israël had een verscheidenheid aan koningen en vanwege een zich uitbreidende afgodendienst zou God na een paar honderd jaar Assyrië toestaan om Israël te veroveren. Het koninkrijk Juda, waarvan Jeruzalem de hoofdstad was geworden en dat de tempel bevatte, bleef onder het gezag van het Huis van David. De afgodendienst echter steeg tot het punt dat God Babylonië toestond om Juda te veroveren, de tempel te vernietigen, die 410 jaar in gebruik was geweest, en zijn volk naar Babylonië te verbannen met de belofte dat zij na 70 jaar zouden worden bevrijd. Na 70 jaar werd het de mensen toegestaan terug te keren onder leiding van Ezra, en zou de tempel worden herbouwd. Deze tweede tempel stond 420 jaar overeind, waarna hij werd vernietigd door de Romeinse generaal en latere keizer Titus.
De Thora, die op de berg Sinaï aan Mozes werd gegeven, omvat vijf boeken. De details, die de bijbehorende Mondelinge Thora vormden, moesten ongeschreven blijven. Echter, aangezien de vervolging van de Joden toenam, ontstond het gevaar dat details vergeten zouden worden. Daarom werd de mondelinge leer alsnog opgetekend in de Misjna, de Talmoed, en andere heilige boeken van het jodendom.
Historisch-kritische visie Volgens de historisch-kritische visie onderscheiden twee kenmerken het jodendom van de andere godsdiensten die bestonden toen het jodendom zich net ontwikkelde. Het eerste kenmerk was het henotheïsme, dat zich geleidelijk heeft ontwikkeld tot monotheïsme. Hoewel de ontkenning van andere goden voor het rabbijnse jodendom fundamenteel is, impliceert de Thora volgens vele kritische geleerden vaak dat vroege Israëlieten het bestaan van andere goden erkenden. De betekenis ligt eerder in het Joodse idee dat God de mensen creëerde en voor hen zorgde. In polytheïstische godsdiensten is de schepping van de mensheid vaak iets bijkomstigs en zijn de goden hoofdzakelijk betrokken bij hun relaties met andere goden, niet met mensen. Ten tweede specificeert de Thora vele geboden en verboden die de afstammelingen van Israël moeten volgen. Andere godsdiensten werden toentertijd gekenmerkt door tempels waarin de priesters hun goden door offers zouden aanbidden. De Joden hadden ook zo'n tempel met priesters en brachten ook offers, maar dit waren niet de enige middelen om God dienstig te zijn. In vergelijking met andere godsdiensten verhoogt het jodendom het dagelijkse leven tot het niveau van een tempel en eren Joden God door het naleven van allerlei dagelijkse geboden en verboden uit de Thora, waaronder de spijswetten en het naleven van de sjabbat. Tijdens de Helleense periode waren de meeste Joden al gaan geloven dat hun God de enige god was, en dat de Thora, het verslag van zijn openbaring, universele waarheden bevat. Deze ontwikkeling kan samen zijn gegaan met de belangstelling van niet-Joodse zijde voor het jodendom. Zo beschouwden sommige Grieken en Romeinen de Joden als een zeer "filosofisch" volk vanwege hun geloof in een abstracte god. Daarbij ontstond er een groeiende Joodse interesse in Griekse filosofie, die als doel had om universele waarheden te vestigen. De Joden begonnen te werken aan de spanning tussen het particularisme van hun stelling dat alleen Joden de Thora uit hoefden te voeren, en het universalisme van hun stelling dat de Thora universele waarheden bevatte.
Het resultaat is een reeks ideeën en praktijken betreffende de identiteit, de ethiek, de relatie met de natuur, alsook de relatie met God, die een voorkeur geven aan "verschil" tussen Joden en niet-Joden; ideeën en praktijken betreffende de verschillen in het praktiseren van het jodendom per plaats; een hechte aandacht voor verschillende betekenissen van woorden bij het interpreteren van teksten; pogingen om verschillende standpunten over teksten vast te leggen, samen met een relatieve onverschilligheid over credo en dogma.
Het onderwerp van de Hebreeuwse Bijbel is een beschouwing van de verhouding tussen de Israëlieten en God zoals deze tevoorschijn komt in hun geschiedenis van het begin van de tijd tot de bouw van Tweede Tempel, ongeveer 520 jaar vóór de gangbare jaartelling. Deze verhouding wordt over het algemeen als controversieel afgebeeld, aangezien de Joden worstelden met hun geloof in God enerzijds en de aantrekkelijkheid van andere goden anderzijds, en aangezien sommige Joden uit de Thora, met name Abraham, Jakob — later dus Israël geheten — en Mozes, worstelden met God of het godsbegrip.
Moderne kritische geleerden zijn van mening dat de Hebreeuwse Bijbel uit een verscheidenheid van inconsistente teksten bestaat die gebundeld werden op een manier die om aandacht vraagt voor de uiteenlopende beschouwingen. Voorbeelden zijn verschillen in namen van God, in politieke voorkeuren en botsende verklaringen van eenzelfde fenomeen, zoals scheppingsverhalen van Genesis 1 en 2. Deze documentaire hypothese stipuleert in dit kader vijf bronnen voor de Tenach, alsook een zesde, de redacteur. Bronnen kunnen in dit geval ook groepen schrijvers zijn. Hoewel het werk aan de hypothese al in de 19e eeuw begon, is dit onderzoeksgebied nog in ontwikkeling.
Geschiedenis
Het jodendom tot 1700 Rond de eerste eeuw voor de jaartelling waren er verscheidene kleine Joodse sektes: de Farizeeërs, Sadduceeërs, de Zeloten, Essenen en later ook de christenen. Na de vernietiging van de Tweede Tempel in 70 verdwenen de meeste sektes. In de eeuwen die volgden verspreidden de joden zich over vele landen, hetgeen de joodse diaspora wordt genoemd. Het christendom bleef bestaan, maar het brak met het jodendom en werd een afzonderlijke godsdienst; farizeeërs bleven ook bestaan, maar in de vorm van het rabbijns jodendom.
Sommige Joden uit de 8e en 9e eeuw waren het eens met de Sadduceeërs wat betreft de verwerping van de mondelinge wetten die in de Misjna en de twee Talmoeds werden geregistreerd, van de farizeeërs en de rabbijnen sinds de verwoesting van de tempel. Tot deze groep separatisten behoorden de Isunianen, Judganieten, Malikieten en anderen. Deze Joden volgden aanvankelijk op een vrij letterlijke wijze de wetten van de Thora. Spoedig echter ontwikkelden zij hun eigen mondelinge tradities, die van de rabbijnse tradities verschilden. Zo ontstond uiteindelijk het Karaïtisch jodendom. Karaïeten zijn er vandaag nog in kleine aantallen. De meesten leven tegenwoordig in Israël.
Met de tijd ontwikkelden de Joden zich tot verschillende etnische groepen: onder andere de Asjkenazische Joden uit Centraal- en Oost-Europa en Rusland, de Sefardische Joden uit Spanje, Portugal en Noord-Afrika, en de Jemenieten, in het zuidelijke uiteinde van het Arabisch Schiereiland. De afsplitsingen zijn vooral cultureel-geografisch van aard en zijn niet gebaseerd op een aanzienlijk doctrinair geschil, hoewel de afstand tussen de etnische groepen wel resulteerde in kleine verschillen in de praktijk en gebeden.
Op het Vierde Lateraans Concilie in 1215 werd bepaald dat Joden een onderscheidingsteken moesten dragen, bijvoorbeeld een jodenhoed.
Chassidisme
Het chassidisch jodendom werd geïnitieerd door Israël ben Eliezer (1700-1760), ook bekend als Ba'al Sjem Tov (of Besjt). Zijn discipelen trokken vele aanhangers, die talrijke chassidische groepen stichtten in Oost- en Centraal-Europa. Het chassidisch jodendom werd uiteindelijk de manier van leven voor vele Joden in Europa. De Joodse immigratiegolf in de jaren 80 van de 19e eeuw bracht deze richting binnen het jodendom ook naar de Verenigde Staten.