thumb|280px|De hemel. Gravure van Gustave Doré, illustratie bij Dante's Goddelijke komedie thumb|280px|De hemel door Francesco Botticini thumb|280px|De hemel door Buonamico Buffalmacco thumb|280px|De hemel, illustratie uit Les Très Riches Heures du duc de Berry. Bovenin wordt Maria gezegend door Jezus.

De hemel (of hemelen) is in veel religies een plaats of bestaanssfeer waar God of de goden verblijven, vaak ook bevolkt door engelen en demonen. Vaak is het de plaats waar de ziel na de dood heen kan gaan: het paradijs, een zalige plaats van eeuwig geluk. De hemel wordt vaak beschouwd als het absoluut tegenovergestelde van de hel. Waar men in de hemel dicht bij God is, is men in de hel zo ver van Hem af als maar mogelijk is.

Het christendom en de islam stellen zich de hemel voor als een plaats waar men het eeuwig leven heeft; in andere religies is het leven in een hemel slechts tijdelijk. In het boeddhisme en het hindoeïsme wordt een leven in een hemel als een fijnstoffelijk of immaterieel (puur geestelijk) leven beschreven. Men heeft er dus geen fysiek lichaam zoals op aarde.

De opvattingen over de manier waarop men leven in de hemel kan verwerven of hoe de hemel wordt betreden, verschillen ook. Volgelingen van het universalisme menen dat iedereen naar de hemel zal gaan, hoe zij op aarde ook geleefd hebben. In het boeddhisme, hindoeïsme en sommige christelijke stromingen onderwijst men dat het betreden of wedergeboren worden in een hemel afhankelijk is van hoe men geleefd heeft. Indien men een goed of eerlijk leven geleefd heeft of veel goede daden verricht heeft, zal men na de dood in een hemel leven. Zij die niet goed geleefd hebben komen na de dood in de hel terecht, vaak een plaats van pijn.

Klassieke oudheid Het Oudgriekse oὐρανός, ouranós betekent zowel hemel als firmament als dat wat alles omvat. Dit dualisme is al aanwezig in de idee van het kosmische ei of wereldei, waarbij de hemel de bovenste helft van de schaal is. Homerus schetste een beeld van een vaste hemel op pilaren die de woonplaats van de goden kan worden genoemd; in Plato is de hemel zowel de kosmos als het volmaakte en absolute. Er is één hemel, maar deze heeft zowel een natuurlijke als een goddelijke dimensie, met een werkelijke en een symbolische relatie.

De representatie van de god Ouranos (in het Oudgrieks is zijn naam hetzelfde woord als dat voor hemel) is een terugkerend thema. Ouranos is een god uit de periode voor Homerus. Hij werd ontmand en omvergeworpen door zijn zoon Kronos, die op zijn beurt werd verdrongen door Zeus. In deze verhalen wordt de hemel als verblijfplaats van de goden gelijkgesteld aan de Olympus. De Olympische goden zijn "hemelbewoners". De "heer van de hemel" is de heer van het universum (Zeus). Gebeden worden gericht aan de hemel, eden worden gezworen naar de hemel en misdaden kunnen tot in de hemel reiken.

In Homerus is de hemel een massieve koepel of halve bol (van ijzer of koper). Later werd gepoogd de hemel te begrijpen in termen van gedachten en ervaringen. De frase "hemel en aarde" was gebruikelijk en later kwam ook "onder de hemel" in gebruik. De hemel is de oorzaak en het prototype van al het bestaande en kan ook worden gelijkgesteld aan het universum of de kosmos. Voor Plato is de hemel het vertrekpunt van de contemplatie over het zijn en van absolute kennis.

Jodendom Hebreeuwse Bijbel De Hebreeuwse term voor hemel is שָׁמַיִם, šāmajim, een meervoudsvorm met onduidelijke etymologie. De voorstelling in de Hebreeuwse Bijbel is dat 'binnen' deze vormeloze hemel iets vasts, met vensters, pilaren en een fundament, werd geschapen door God (Genesis 1:1,6,7). Hiervoor werd de term רָקִ֫יעַ, rāqîa׳ gebruikt: "hemelkoepel", "gewelf" of "firmament". Het is een hemelse oceaan die kan zegenen met regen of verwoesten met een zondvloed. Het kan ook de atmosfeer aanduiden.

In de kosmologie van de Hebreeuwse Bijbel bestaat de kosmos uit de hemel, de aarde en het water onder de aarde (Exodus 20:4), maar meestal worden alleen de hemel en de aarde genoemd. Soms worden hemelse sferen gesuggereerd (zoals in de uitdrukking "hoogste hemel" in 1 Koningen 8:27). In sommige poëtische passages worden restanten uit mythologie aangetroffen. Zo wordt de hemel een "doek" genoemd die door God wordt gespannen, een "tent" die door Hem wordt opgezet (Jesaja 40:22) of een boekrol die wordt opgerold (Jesaja 34:4). De hemel heeft kamers voor sneeuw, hagel, wind en water (Job 37:9; 38:22,37).

De hemel werd door God geschapen (Genesis 1:1). God woont in de hemel (Deuteronomium 26:15; 4:36), ook al wordt soms gezegd dat Hij ook verblijft in heiligdommen, de ark van het verbond en andere plaatsen (Deuteronomium 12:5,11; 14:23; 26:2), terwijl tegelijkertijd de hoogste hemel God nog niet kan bevatten (1 Koningen 8:27). Het geloof dat God in hemel woont, is ongetwijfeld heel oud, net als het concept van een hemels hof en hemelse legerscharen (1 Koningen 22:19-23; Job 1:6-12). Deze ideeën zouden beïnvloed kunnen zijn door het Kanaänitische pantheon, maar de afbeelding is niet altijd dezelfde. Soms bestaat het hof uit geesten (1 Koningen 22:19-23), maar soms ook uit een hemels leger (Jozua 5:14) of eenvoudig de sterren (Genesis 2:1). De cultus waarbij hemellichamen werden aanbeden, werd ten strengste veroordeeld (2 Koningen 17:7-20; vergelijk Jeremia 7:18). Omdat God in de hemel woont, worden de handen richting de hemel opgeheven bij het zweren (Deuteronomium 32:40) of bidden (Exodus 9:29).

Plaats van heil Als Gods woonplaats is de hemel de bron van zegen en leven en de plaats waar Gods beloofde heil al werkelijkheid is. Het concept van hemelvaart (2 Koningen 2:11) hangt hiermee samen. Gods woord staat voor eeuwig vast in de hemel (Psalm 119:89) net als Zijn trouw en liefde (Psalm 89:2). In de visioenen van Zacharia wordt het koninkrijk van God al voorbereid in de hemel. In Daniël 7 daalt het koninkrijk van de Mensenzoon neer vanuit de hemel, in contrast tot de koninkrijken op aarde die erdoor worden vernietigd.

Omdat de hemel is geschapen, kan deze ook worden verstoord (zie bijvoorbeeld Amos 8:9; Jeremia 4:23-31). Een kosmische ineenstorting wordt voorzien (Jesaja 51:6) en een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zullen worden geschapen (Jesaja 65:17). Hiermee wordt de hemel zelf betrokken bij de soteriologie. Maar de hemel staat niet centraal in de Hebreeuwse Bijbel. Zelfs al komt het heil uit de hemel, de centrale gedachte is dat deze op aarde komt.

Later judaïsme In het judaïsme in de laatste eeuwen v.Chr. werd gespeculeerd over de hemel, wat leidde tot het idee dat er verschillende hemelen bestaan. Meestal werd aangenomen dat er zeven hemelen zijn, elk met een eigen naam en alle door God geliefd. Er zijn echter ook teksten die spreken over twee, drie, vijf of tien hemelen. 1 Henoch geeft een levendige beschrijving van de "hemel van de hemelen" met de Oude van Dagen, serafim, engelen, etc. in een huis van kristallen stenen met een levend vuur dat erdoorheen loopt (1 Henoch 71:5ff). In deze periode werd het gebruik om "hemel" te gebruiken in plaats van "God" wijdverbreid. In deze periode van judaïsme verwachtte men na de eindtijd een nieuwe schepping door ofwel een transfiguratie of een complete verwoesting en vervanging van de oude schepping.

Christendom Nieuwe Testament De hemel werd, net als de aarde, door God geschapen (Handelingen 4:24; 17:24; Openbaring 10:6). Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde worden beloofd (Openbaring 21:1). Zonde heeft de oude schepping verstoord, maar de nieuwe schepping wordt al voorbereid als Gods reddende heil (2 Petrus 3:13). De hemel zal net als de aarde verdwijnen (Marcus 13:31; Openbaring 21:1; Hebreeën 12:26). Ze worden bewaard voor het oordeel (2 Petrus 3:7) en vluchten in ontzetting weg van God (Openbaring 20:11). De Wet van Mozes is geldig zolang de eerste hemel en aarde bestaan (Matteüs 5:18), maar het woord van Jezus zal zelfs daarna geldig zijn (Marcus 13:31).

God in de hemel De hemel staat, met de aarde, onder Gods heerschappij. God is de Heer van de hemel en aarde (Matteüs 11:25). God is de God van de hemel (Openbaring 11:13; 16:11). God regeert vanuit de hemel en initieert zijn heilswerk in de hemel. "Vader in de hemel" (Matteüs 5:16,45; 6:1,9, etc.; Marcus 11:25) beklemtoonde de humanitaire benadering. Jezus gebruikte de combinatie van "Vader" en "hemel" spaarzaam en lijkt te beklemtonen dat God alles weet, ziet en kan doen en handelt vanuit de hemel (vergelijk Lucas 11:13).

In lijn met het judaïsme van vlak voor het ontstaan van het christendom vervangt "hemel" soms "God". Het bekendste voorbeeld hiervan is het "koninkrijk van de hemel" in de bergrede (Matteüs 5). Hemel kreeg hiermee een betekenis inzake Gods heilswerk. Gods koninkrijk zet de hemel in beweging (Matteüs 3:2) en grijpt in vanuit de hemel.

Gods troon is in de hemel (Hebreeën 8:1) of de hemel is Gods troon zelf (Matteüs 5:34). "Troon" is hier een metonym van regering. Het punt is niet dat de hemel de plaats van God aanduidt, maar dat het Zijn absolute en onbetwistbare heerschappij uitdrukt.

Jezus Christus en de hemel Jezus Christus wordt verwacht uit de hemel te komen (1 Tessalonicenzen 1:10). Hij zal op de wolken van de hemel komen (Marcus 14:62) — een uitdrukking die een apotheose aanduidt. Zijn teken zal in de hemel zichtbaar zijn (Matteüs 24:30). Jezus' opstanding wordt verbonden aan zijn komst uit de hemel (1 Tessalonicenzen 1:10 - vergelijk 1 Korintiërs 15:23,47). Als de Heer uit de hemel neerdaalt, zullen de doden in Christus opstaan (1 Tessalonicenzen 4:16). Deze Heer, Jezus, zal op het moment van zijn neerdalen vanuit de hemel een manifestatie van zijn macht laten zien (2 Tessalonicenzen 1:7). Jezus is de meester in de hemel (Kolossenzen 4:1). Dit is geen verwijzing naar zijn locatie, maar naar zijn heerschappij.

De vermeldingen van Jezus' verhoging tot Gods rechterhand (Handelingen 2:32-36) verwijzen naar zijn hemelvaart, waarover het verhaal staat in Lucas 24:51 en Handelingen 1:10-11. In de meeste verwijzingen naar Jezus na zijn hemelvaart ligt het accent op zijn positie aan de rechterhand van God, maar soms wordt de hemel ook aangeduid als een soort schuilplaats (Handelingen 3:21). In Efeziërs 4:9-10 is er echter volledig ander perspectief: Christus stijgt op tot boven de hemelsferen en doorbreekt daarmee de isolatie die kwade krachten oplegden. Dit opstijgen is als een triomftocht door de verschillende lagen van de hemel. Een vergelijkbaar concept wordt aangetroffen in Romeinen 10:6-7 (vergelijk Hebreeën 4:14). De mogelijkheid zo op te stijgen stond alleen open aan wie ook uit de hemel was neergedaald, de enige die over "hemelse dingen" kon spreken (Johannes 3:12-13). Dit neerdalen verbrak de relatie met de Vader niet, want ook op aarde stond de hemel nog open voor de Zoon (Johannes 1:51). Jezus was het brood dat neerdaalde uit de hemel, gegeven door God (Johannes 6:33,41;50-51). Waar Adam de man van de aarde was, was Jezus de man van de hemel (1 Korintiërs 15:47).

Kerkvaders Ireneüs Ireneüs van Lyon (ca. 140 - ca. 220) werkte de ideeën in het vroege christendom over de hemel systematisch uit. In essentie was de hemel voor hem de plek waar christenen konden ontsnappen aan de heidense verlokkingen en waar zij compensatie vonden voor de moeilijkheden waar zij mee te maken hadden, in het bijzonder christenvervolging — een "kerk van martelaars". Hij zag drie fases in de christelijke geschiedenis: de eerste fase was die van vervolging, de tweede fase was het "koninkrijk van de Messias" en de derde fase het "koninkrijk van God". Het koninkrijk van God was volgens Ireneüs minder belangrijk dan het koninkrijk van de Messias. Tijdens het koninkrijk van de Messias zou de grote strijd om de mensheid worden gevoerd; degenen die deze strijd loyaal zouden doorstaan, zouden het volle leven toegekend krijgen, op aarde, met zeer vruchtbare lichamen en in een volmaakte samenleving.

Augustinus