Het wereldkampioenschap wegrace seizoen 1951 was het derde in de geschiedenis van het door de FIM georganiseerde wereldkampioenschap wegrace.
Algemeen 1951 was het jaar van Geoff Duke en zijn Norton Manx. Hij werd wereldkampioen in de 350- en de 500cc-klasse. De Italiaanse pers kon het maar moeilijk verteren dat de Norton zo snel was, en schreef het succes volledig aan Duke toe. Helemaal terecht was dat niet: omdat Alfredo Milani en Umberto Masetti het circuit op Man niet kenden stuurde Gilera ze daar niet naartoe. Bruno Ruffo en Eric Oliver werden beiden voor de derde keer wereldkampioen. Hoewel Duitsland nog uitgesloten was van het wereldkampioenschap wegrace, was dat kampioenschap er immens populair. In 1951 kwamen er 400.000 toeschouwers naar de race op de Solitudering kijken. Voor de Britten was er op het eiland Man veel te vieren: De nieuwe 125 cc Ultra-Lightweight TT was een succes en werd gewonnen door Cromie McCandless met een Mondial. Ook de andere podiumplaatsen waren voor deze Italiaanse viertakten met Carlo Ubbiali en Gianni Leoni.
FIM De FIM had twee wijzigingen in de reglementen doorgevoerd: De cilinderinhoud van de zijspanklasse ging van 600- naar 500 cc. Een vrij logische keuze, want zo konden de normale raceblokken in de zijspancombinaties gebouwd worden, wat in de praktijk ook al gebeurde. Verder werd bepaald dat een Grand Prix pas meetelde als er minstens zes deelnemers waren. Dat was een gevolg van de wanvertoning tijdens de Ulster Grand Prix van 1950, toen alleen de drie fabriekscoureurs van Mondial aan de start waren gekomen. Puntentelling 1e 2e 3e 4e 5e 6e Punten:864321 De eerste zes finishers kregen punten.Aantal tellende wedstrijden 125 cc 250 cc 350 cc 500 cc ZijspanAantal races:45885Tellend:44554 In de 500cc- en de 350cc-klassen werden acht wedstrijden verreden, in de 250cc- en zijspanklasse werden vijf wedstrijden verreden en in de 125cc-klasse werden vier wedstrijden verreden. Als er minder dan acht wedstrijden werden verreden, telden de beste vier resultaten, bij acht of meer wedstrijden telden de vijf beste resultaten.
Merken/teams AJS was haar fabriekscoureur Les Graham verloren aan Gilera en Bill Doran werd zijn vervanger. Men worstelde nog steeds met de doorontwikkeling van de 500cc-E90. In de 350cc-klasse beschikten de AJS-rijders over de 7R "Boy Racer", die als productieracer was bedoeld en niet was opgewassen tegen de Norton 40M. Desondanks werd Doran tweede in het wereldkampioenschap. Benelli had eigenlijk maar één fabrieksrijder: Dario Ambrosini, die de 250cc-race van de GP van Zwitserland won en in de Lightweight TT tweede werd. Toen Ambrosini in de training van de GP van Frankrijk verongelukte trok men het team terug uit het wereldkampioenschap. Gilera zette in de 500cc-klasse een groot en sterk team in, met Alfredo Milani, Umberto Masetti en Nello Pagani. Het was niet genoeg om Geoff Duke en Norton te verslaan, maar Milani en Masetti werden tweede en derde in het wereldkampioenschap. Mondial was met de Mondial 125 Bialbero niet te verslaan in de 125cc-klasse, maar het team kreeg harde klappen door het verongelukken van Gianni Leoni, Guido Leoni en Raffaele Alberti. Carlo Ubbiali werd wereldkampioen en Gianni Leoni werd postuum tweede. Moto Guzzi had net als Gilera een groot aantal fabrieksrijders, die nog de Moto Guzzi Bicilindrica 500 gebruikten: Fergus Anderson, Sante Geminiani, Enrico Lorenzetti en Bruno Ruffo. Men moest echter onderkennen dat de Bicilindrica met zijn schommelvoorvork en swingarm-achtervork met frictiedempers niet meer kon concurreren en huurde Carlo Giannini in om de nieuwe Quattro Cilindri te ontwikkelen. MV Agusta wilde haar slag slaan in 1951. Men kocht Carlo Bandirola bij Gilera weg en Les Graham bij AJS. Na de teleurstellende resultaten in de GP van Spanje, waar Arciso Artesiani op twee ronden en Carlo Bandirola op vijf ronden werden gereden, en de GP van Zwitserland, kreeg Piero Remor de opdracht om de MV Agusta 500 4C volledig te herzien. In de TT van Man verscheen de machine met vier carburateurs, een telescoopvork aan de voorkant en hydraulische schokdempers aan de achterkant. Het mocht niet baten: Graham scoorde geen enkel punt en Bandirola werd twaalfde in het wereldkampioenschap. Met de MV Agusta 125 Bialbero scoorde Graham slechts vier punten. Norton had zijn fabrieksteam waarschijnlijk beperkt tot Geoff Duke. Tommy Wood reed op privébasis in de 500cc-klasse met een Norton Manx, maar in de 350cc-klasse kwam hij uit op een Velocette en in de 125cc-klasse met een Morini. Velocette: In 1951 liep de uit 1938 stammende Velocette KTT Mk VIII op zijn laatste benen. Velocette hief het fabrieksteam op en daarmee ging de strijd om de wereldtitel tussen de AJS 7R en de Norton 40M.
Coureurs Dickie Dale won de 350cc-klasse van de North West 200. Tijdens een race in Wales won hij de 350cc-klasse ook, maar met dezelfde 350cc-Norton Manx won hij de 500cc-race. Dat betekende een goede kans om naast Geoff Duke in het fabrieksteam van Norton te komen, maar tijdens de TT van Man werd hij ziek. Hij bleek tuberculose te hebben en kon pas in 1953 weer racen. Bill Doran werd als fabrieksrijder de opvolger van Les Graham bij AJS, maar had alleen succes met de 350cc-AJS 7R, waarmee hij tweede in het wereldkampioenschap werd. Geoff Duke had een geweldig seizoen met wereldtitels in de 350- en de 500cc-klasse. Les Graham trad in dienst van MV Agusta, vooral voor de 125cc-klasse. Hij reed in de 350cc-klasse met een Velocette en startte - zonder succes - ook met de MV Agusta 500 4C in de TT van Man. Ted Frend sloeg enkele seizoenen over, waarschijnlijk om zich te richten op zijn eigen bedrijf, Paramount Sheet Metal in Kingston, dat vliegtuig- en motorfietsonderdelen vervaardigde. Bruno Ruffo reed in de 500cc-klasse met een Moto Guzzi Dondolino, maar in de 250cc-klasse was hij fabrieksrijder en gebruikte hij een Moto Guzzi Gambalunghino. Aanvankelijk moest hij Dario Ambrosini (Benelli) voor laten gaan, maar na Ambrosini's overlijden trok Ruffo de wereldtitel naar zich toe. Charlie Salt sloeg het WK-seizoen over omdat hij testrijder werd bij BSA. Tommy Wood had zich misschien beter op één klasse kunnen richten. Nu kwam hij uit in drie klassen waarin hij goed presteerde, maar hij sloot het seizoen af met de tweede plaats in de 250cc-klasse als beste resultaat.
Gestopt Bob Foster beëindigde zijn carrière na de Grand Prix van België. Harold Daniell, Eric McPherson en Jock West hadden hun carrière voor aanvang van het seizoen beëindigd.
Overleden Al op 17 april verongelukte Renato Magi bij een recordpoging op de autoweg Rome-Ostia. Op 6 mei verongelukten Guido Leoni en Raffaele Alberti tijdens een Italiaanse kampioenswedstrijd op het stratencircuit van Ferrara. De Isle of Man TT van 1951 verliep rampzalig. Er vielen zes doden onder de privérijders: Leonard Bolshaw, Chris Horn, John O'Driscoll, Doug Parris, John Simister en John Wenman. Op 14 juli overleed de 250cc-wereldkampioen Dario Ambrosini bij een ongeluk tijdens de trainingen voor de Franse Grand Prix. Hij stierf in de armen van Gianni Leoni. Op exact dezelfde dag verongelukte de snelle privérijder Claudio Mastellari op het circuit van Schotten in Duitsland. Op 15 augustus gebeurde er een ongeluk bij de trainingen van de Ulster Grand Prix. Die werd nog op het Clady Circuit gereden. Dat was een stratencircuit en tijdens de trainingen stonden de wegen nog open voor het verkeer. Daarom was het niet mogelijk op volle snelheid te rijden, want er was ook nog ander verkeer op de weg. Enrico Lorenzetti was getuige van het ongeluk en raakte zelf licht gewond toen hij op de ravage inreed. Samen met Sante Geminiani en Gianni Leoni had hij een rustige ronde gereden en toen hij en Geminiani stopten om iets aan de afstelling van een van de motorfietsen te veranderen had Leoni dat niet gemerkt. Lorenzetti en Geminiani reden weer verder, maar kwamen in een bocht Leoni tegen, die gemerkt had dat hij alleen was. Leoni week naar links uit, zoals het bij het linkse verkeer in Ulster hoorde, maar Geminiani vergat waarschijnlijk in de haast dat hij niet in Italië was en reed met volle snelheid tegen Leoni aan. Geminiani werd ongeveer 40 meter door de lucht geslingerd en was op slag dood. Leoni stond zelfs nog op, maar verloor daarna het bewustzijn en stierf nog op dezelfde dag in het ziekenhuis van Belfast. Het team van Moto Guzzi trok zich ondanks het verlies van twee fabriekscoureurs niet terug en op 18 augustus won Bruno Ruffo de 250cc-klasse.
Races GP van Spanje, Montjuïc Park Feitelijk was dit de tweede Grand Prix van Spanje. De eerste was in 1950 verreden en telde nog niet mee voor het wereldkampioenschap. Nu Norton alles had gezet op het succes van Geoff Duke, was het opmerkelijk dat die helemaal niet naar Spanje kwam. Hij reed op zondag een internationale race in Marseille. Ook Bill Doran, de nieuwe toprijder van AJS, kwam niet aan de start. Isle of Man TT, Mountain Course De TT van Man begon onder een slecht gesternte. Op 6 mei had het team van Mondial twee van haar fabrieksrijders verloren: Guido Leoni en Raffaele Alberti verongelukten tijdens een Italiaanse kampioensrace in Ferrara. Tijdens de trainingen op 29 mei verongelukte Leonard Bolshaw bij de 32e mijlpaal en op 31 mei verongelukte John O’Driscoll bij de 33e mijlpaal. Tijdens de Junior TT op 4 juni verongelukte John Wenman in de omgeving Rhencullen Hill/Bishopscourt. Op dezelfde dag verongelukte Doug Parris tijdens de Clubmans Junior TT bij the Bungalow en op 8 juni verongelukte Chris Horn tijdens de Senior TT bij Laurel Bank. GP van België, Spa-Francorchamps In België werden de Italianen enerzijds en Geoff Duke anderzijds voor het eerst met elkaar geconfronteerd. Duke had de eerste twee GP's overgeslagen en de Italianen waren niet naar de TT van Man gereisd. Er waren slechts twee soloklassen die Duke allebei won en de zijspanrace werd een prooi voor Eric Oliver/Lorenzo Dobelli. Daarmee won Norton alle klassen. Bob Foster reed zijn laatste GP voor de 200.000 toeschouwers. Dutch TT, Assen De TT van Assen trok in 1951 al 100.000 toeschouwers. GP van Frankrijk, Albi Deze eerste Franse Grand Prix die meetelde voor het wereldkampioenschap werd overschaduwd door de dood van Dario Ambrosini, die tijdens de 250cc-trainingen verongelukte. Daarop trok het team van Benelli zich voor de rest van het seizoen terug. Ulster GP, Clady In de eerdere Ulster GP's had de ACU alle klassen tegelijk laten rijden, waardoor coureurs die in meerdere klassen actief waren een keuze moesten maken. Dat gold in deze uitvoering niet voor de 500cc-rijders, die al op donderdag 16 augustus reden. De andere klassen reden wel tegelijk op zaterdag 18 augustus. Nu de 500cc-klasse apart van de 350cc-klasse reed, maakte Geoff Duke van de gelegenheid gebruik om beide wereldtitels veilig te stellen. De Grand Prix werd overschaduwd door de dood van Gianni Leoni en Sante Geminiani. GP des Nations, Monza Voor Geoff Duke was de GP des Nations slechts een formaliteit, want hij was al wereldkampioen in de 350- en de 500cc-klasse. In de 250cc-klasse vormde Tommy Robb nog een kleine bedreiging voor Bruno Ruffo en in de 125cc-klasse konden rekenkundig nog acht coureurs wereldkampioen worden. Gianni Leoni en Guido Leoni waren echter al overleden, maar als de top acht geen punten scoorden, was Gianni postuum wereldkampioen omdat hij een overwinning had gescoord en Carlo Ubbiali niet. In de zijspanklasse was de spanning het grootst: daar stonden de combinaties Eric Oliver/Lorenzo Dobelli en Ercole Frigerio/Ezio Ricotti ex aequo aan de leiding met 26 punten.
500cc-klasse miniatuur|MV Agusta 500 4C, waarschijnlijk van begin 1951. De machine heeft nog cardanaandrijving en twee carburateurs, maar ook al de nieuwe Earles voorvork die in 1952 werd gebruikt. miniatuur|Moto Guzzi Bicilindrica 500 uit 1951