De historisch-kritische methode is een wetenschappelijke methode om historische teksten te onderzoeken. De term wordt meestal gebruikt als het gaat om oude teksten uit het jodendom en christendom, maar de methode wordt ook toegepast op seculiere en andere religieuze teksten uit verschillende delen van de wereld en verschillende tijdsperiodes. Het onderdeel van de Bijbelwetenschap dat een wetenschappelijke uitleg van Bijbelse teksten ontwikkelt met behulp van de historisch-kritische methode, wordt historisch-kritische exegese genoemd.

Doel De historisch-kritische methode heeft vooral als doel de primaire of oorspronkelijke betekenis van de tekst in zijn oorspronkelijke historische context en zijn letterlijke betekenis (sensus literalis historicus) te ontdekken en "de wereld achter de tekst" te begrijpen.R.N. Soulen, R.K. Soulen (2001): Handbook of biblical criticism, Louisville, Ky.: Westminster John Knox Press, pag. 78 Vervolgens is een doel een reconstructie te maken van de historische context van de auteur en de ontvangers van de tekst. Dat kan worden bereikt door de werkelijke aard van de gebeurtenissen die de tekst beschrijft te reconstrueren. Een oude tekst kan ook dienen als document, verslag of bron voor het reconstrueren van het oude verleden, wat ook van groot belang kan zijn voor de historisch-criticus.

Bij deze methode kan gebruik worden gemaakt van verschillende versies van de tekst(en) in kwestie. Het achterhalen of reconstrueren van de oorspronkelijke versie van deze tekst(en) heet tekstkritiek.

Betekenis De samenstelling historisch-kritisch duidt op twee basisveronderstellingen van deze hermeneutische methode: Deze methode is historisch omdat ze ervan uitgaat dat de te onderzoeken tekstvorm een lange, deels mondelinge, deels geschreven geschiedenis heeft. Daarnaast dient de historische (en theologische) omgeving van de auteur op het moment van schrijven te worden toegelicht, d.w.z. de theologie uitgedrukt in de betreffende tekst. De methode is kritisch omdat ze is gebaseerd op de algemeen inzichtelijke criteria voor het wetenschappelijk onderzoek van teksten. Zo moet iedere stap in het onderzoek voor anderen na te gaan zijn en is het niet toegestaan zich te beroepen op een bovennatuurlijke en dus oncontroleerbare verklaring. Daarnaast betekent kritisch is in deze samenstelling 'onderscheidend', omdat wordt aangenomen dat er een verschil is tussen de oorspronkelijke gebeurtenissen en de (Bijbelse) verslagen. Het vereist dus aanzienlijke analytische capaciteiten van de onderzoeker om te onderscheiden: 'wat is origineel en wat werd - op basis van welke theologie - veranderd?' De term 'kritisch' betekent dus niet kritiek hebben op de Bijbel of dat het doel is deze te diskwalificeren als bron.

Ontwikkeling Algemeen thumb|Titelpagina van Histoire critique du vieux testament van Richard Simon uit 1685 De ontwikkeling van de historisch-kritische methode is nauw verbonden met de filosofie van het rationalismeJohn William Rogerson: artikel Bibelwissenschaft I/2: Geschichte und Methoden, in: Theologische Realenzyklopädie, deel 6, pag. 346–361 en vormde een breuk met de vroege kerkelijke of middeleeuwse Bijbelinterpretatie. Anders dan bij die interpretaties wordt de te interpreteren tekst beschouwd als ondergeschikt aan de geschiedenis.Ernst Fuchs (1996): Hermeneutik, 4e druk, Mohr Siebeck, Tübingen, pag. 159-160 Dit werd mogelijk toen tijdens de Verlichting aan het einde van de 17e eeuw eerdere 'universele waarheden' ondergeschikt werden gemaakt aan de rede.Ernst Fuchs (1996): Hermeneutik, 4e druk, Mohr Siebeck, Tübingen, pag. 161

Benedictus de Spinoza gaf met zijn Tractatus theologico-politicus (anoniem gepubliceerd in 1670) een eerste aanzet tot een historisch-kritische benadering van de Bijbel. Richard Simon wordt beschouwd als een voorloper van de Verlichting en was een van de eersten die, in zijn werk Histoire critique du vieux testament ("Historische kritiek van het Oude Testament"),Richard Simon: A critical history of the Old Testament (1682), Engelse vertaling van Histoire critique du vieux testament on-line via archive.org de rede een belangrijke rol liet spelen in zijn Bijbelkritiek.Paul Hazard (1990): De crisis in het Europese denken Europa op de drempel van de Verlichting 1680-1715, hoofdstuk 3, Agon, Amsterdam, pag. 173-186 De eerste oplage uit 1678 werd in opdracht van bisschop Jacques-Bénigne Bossuet vernietigd; in 1689 werd een volgende editie in Rotterdam gepubliceerd. Gotthold Ephraim Lessing, een andere pionier van de Verlichting, geloofde dat openbaring niets kan onthullen wat de rede ook niet kan onderscheiden.Lessing (1780): Die Erziehung des Menschengeschlechts De "nare sloot van de geschiedenis" is moeilijk te overwinnen: deze sloot scheidt de lezer van het heden van eerdere gebeurtenissen. Niemand kan worden gedwongen om willekeurige historische waarheden te geloven. Daarentegen kunnen alleen eeuwige waarheden van de rede aannemelijk worden gemaakt. Lessing heeft ook Reimarus' Fragmente eines Ungenannten bewerkt, waarin de historische betrouwbaarheid van de evangeliën in twijfel wordt getrokken vanwege hun tegenstrijdigheden.Rochus Leonhardt: Grundinformation Dogmatik, 4e druk, pag. 189 Ook Ferdinand Christian Baur wordt beschouwd als grondlegger van de toepassing van de historisch-kritische methode bij het onderzoek van het Nieuwe Testament.

Nederland Albert van der Zeijden (2012) omschreef Robert Fruin (1823–1899) als de eerste Nederlandse historicus die ernaar streefde om de historisch-kritische methode toe te passen op de "vaderlandse geschiedenis" (dat wil zeggen, de geschiedenis van Nederland). Van der Zeijden verwoordde de methode als 'een zorgvuldig onderzoek van authentieke historische bronnen (meestal papieren van staat en brieven en memoires van de belangrijkste staatslieden)' en 'een onpartijdige, positivistische manier van geschiedschrijving'. De basis hiervoor zou Fruin hebben gelegd in zijn toespraak De onpartijdigheid van den geschiedschrijver (1860) ter gelegenheid van zijn benoeming tot hoogleraar aan de Universiteit Leiden. Dat maakte hem vergelijkbaar met de Duitse historicus Leopold von Ranke (1795–1886), grondlegger van het historisme. Daarbij moet wel de kanttekening worden geplaatst dat Fruin niet zuiver wetenschappelijk te werk ging, maar ook een nationalistisch-liberale agenda had: geschiedenis moest in nationale termen worden gezien. Voor de Nederlandse geschiedenis betekende deze houding dat enerzijds staatse/Loevesteinse en prinsgezinde/orangistische tradities met elkaar moesten worden verzoend en anderzijds dat het liberalisme diende te fungeren als 'onpartijdige' scheidsrechter tussen protestantse en katholieke visies.

Fruin onderscheidde zich hiermee duidelijk met tijdgenoten zoals de gereformeerde Guillaume Groen van Prinsterer, die een calvinistisch-orangistisch nationalisme bevorderde. VU-historicus Smitskamp oordeelde dat Groen te vaak zich beperkte tot ideeëngeschiedenis en te veel gebruikmaakte van 'Gods hand in de geschiedenis', wat steeds meer als wetenschappelijk problematisch werd gezien. Vooral de apologetische stijl van de katholieke Willem Jan Frans Nuyens, die schreef om de rechten en gelijkheid van Nederlandse katholieken te bevorderen, is in vergelijking met Fruin weinig zelfkritisch en bronkritisch te noemen. Begin 20e eeuw gingen katholieke historici steeds meer waarde hechten aan de historisch-kritische methode; zij bekritiseerden Nuyens voor het niet onderbouwen van veel van zijn beweringen en verwezen naar Fruin als het te volgen voorbeeld. Midden 20e eeuw was L.J. Rogier de invloedrijkste katholieke historicus; hij verwierp met grote felheid de apologetische katholieke geschiedschrijving van de 19e eeuw. Onder het mom van 'katholieke emancipatie' zou men hebben nagelaten om zelfkritisch te zijn en niet-katholieken net zo te behandelen als men zelf als gelijkwaardige Nederlanders wenste te worden behandeld.

Aanpak De historisch-kritische methode onderzoekt het ontstaan van de tekst die bewaard is gebleven. De daden en woorden (bijvoorbeeld van Jezus) werden eerst mondeling overgeleverd, daarna in afzonderlijke geschriften opgeschreven en samengevoegd. Deze geschriften werden verzameld (tot een corpus) en over een periode van vele eeuwen steeds opnieuw gekopieerd. Dit resulteerde niet alleen in zeer zeldzame, onbedoelde schrijf- en vertaalfouten, maar ook in bewuste wijzigingen (redactie). De historisch-kritische methode probeert deze ontwikkelingsgeschiedenis te reconstrueren om de oorspronkelijke tekst in zijn historische context te benaderen, om de oorspronkelijke betekenis weer te benaderen.

Tekstkritiek: vergelijking van handschriften thumb|Papyrus 66, gedateerd op ± 200. Een van de oudst bewaard gebleven handschriften van het Nieuwe Testament

Van geen enkel deel van de Bijbel is een origineel handschrift bewaard gebleven. Toch behoren de Bijbelse teksten tot de best overgeleverde bronnen die er zijn. Op basis van de talloze beschikbare afschriften proberen tekstcritici de oorspronkelijke tekst te reconstrueren. In 1516 publiceerde Desiderius Erasmus zijn Griekse versie van het Nieuwe Testament. Deze poging de tekst te reconstrueren heeft grote invloed gehad op de Bijbelvertalingen in de eeuwen erna en werd daarom ook wel Textus Receptus, "aanvaarde tekst" genoemd. Voor de Hebreeuwse Bijbel is de oudst bekende volledige versie, de Codex Leningradensis uit ca. 1000, belangrijk.

De moderne standaarduitgave van de Hebreeuwse brontekst is de Biblia Hebraica Stuttgartensia; voor de Griekse tekst is dit het Novum Testamentum Graece van Eberhard Nestle en Kurt Aland. Deze uitgaves hebben een notenapparaat waarin tekstvarianten worden aangegeven waarin de oudst bewaard gebleven teksten verschillen. Voor het kwantitatief en kwalitatief beoordelen van deze verschillen ontwikkelde Johann Albrecht Bengel rond 1700 voor het eerst wetenschappelijke criteria.

Tekstanalyse: structuur van de tekst

Tekstanalyse behoort eigenlijk niet tot de klassieke historisch-kritische methode, maar wordt in recentere boeken over de toegepaste methoden wel meegenomen. Terwijl de klassieke historisch-kritische methode zich vooral richtte op het reconstrueren van de veronderstelde geschiedenis van het ontstaan van de Bijbeltekst ("diachroon"), heeft de exegese steeds meer de neiging om de Bijbeltekst als zodanig te beschouwen in zijn uiteindelijke vorm ("synchroon"). Dankzij de tekstanalyse moet de tekst die 'af' is worden onderzocht op zijn intentie om een bepaald punt te maken. Dus voordat men de tekst 'opsplitst' in zijn (veronderstelde) voorlopers, moet deze eerst op zijn eigen doel worden geanalyseerd. Hiervoor worden methoden uit de taalkunde en literatuurwetenschap gebruikt in de tekstanalyse: het creëren van semantische velden uit termen van de tekst, de structuur en ontwikkeling van het 'verhaal' evenals het tekenen van de verhalende personages door de verteller (narratologie), het semiotische model van Algirdas Greimas of op de semantische structuuranalyse, die helpt om de taalkundig-grammaticale structuur van een tekst te ontdekken.Heinz-Werner Neudorfer, Eckhard J. Schnabel (1999): Das Studium des Neuen Testaments, deel 1: Eine Einführung in die Methoden der Exegese, Brockhaus, Wuppertal

Redactionele geschiedenis: hoe de auteur omging met de bronnen miniatuur|Meer dan driekwart van de Marcustekst is te vinden in zowel Matteüs als Lucas en bijna alle Marcustekst is te vinden in minstens een van beide andere synoptische evangeliën. Verder hebben Matteüs en Lucas bepaalde tekst gemeen die niet in Marcus staat.