Oreopithecus is een monotypisch geslacht van uitgestorven primaten, dat tijdens het Laat-Mioceen, tussen 8,3 en 6,7 miljoen jaar geleden leefde op Tuscania, een eiland in het midden van de Middellandse zee.

De eerste fossielen van Oreopithecus werden gevonden in 1862. Het geslacht kreeg in 1871 zijn naam, die 'bergaap' betekent, toen de typesoort Oreopithecus bambolii benoemd werd. In 1958 werd een zeer compleet skelet ontdekt in een bruinkoolmijn in Baccinello, Toscane. Daarnaast zijn er tientallen losse botten gevonden. Daardoor kregen de wetenschappers een goed beeld van de bouw van het dier. Het is meer volledig bekend dan ieder andere basale uitgestorven mensaap.

Ondanks de vele informatie is het zeer omstreden hoe het dier zich voortbewoog. Vroeger werd vaak gedacht dat het op de achterpoten liep want het heeft een laag bekken als bij mensen. Een naar achteren gerichte grote teen kan Oreopithecus ondersteund hebben bij een schuifelende gang. Hij hoefde niet snel te kunnen rennen want op zijn eiland kwamen geen grote roofdieren voor. Vermoedelijk werd hij uitgeroeid, als laatste mensaap in het toenmalige Europa, toen een landbrug Tuscania met Italië verbond. Hij had ook erg lange armen. Latere onderzoekers denken daarom dat hij redelijk goed kon klimmen of aan takken hing. Het is zelfs geopperd dat hij ondersteboven hing als een luiaard.

Door zijn vele speciale aanpassingen is het lastig Oreopithecus bij een bepaalde groep mensapen in te delen. Ooit is gedacht dat hij een tweevoetige voorloper was van de mensachtigen. Moderne onderzoeken laten soms zien dat hij verwant is aan Dryopithecus of nog lager in de stamboom staat, misschien dicht bij de gibbons.

Vondsten Van dit dier werden resten gevonden in Toscane, Italië in oude bruinkoollagen. Om deze reden werd het dier ook wel 'verschrikkelijke kolenman' genoemd. left|thumb|Igino Cocchi In 1862 vond professor Igino Cocchi in een bruinkoolmijn bij Montebamboli de onderkaak van een jonge mensaap. In 1872 benoemde Paul Gervais de typesoort Oreopithecus bambolii. De geslachtsnaam is afgeleid van het Oudgrieks ὄρος, oros, 'berg' en πίθηκος, pithèkos, 'aap', een verwijzing naar het monte in Montebamboli maar ook naar de hoge knobbels op de tanden. De soortaanduiding verwijst naar de tweede helft van de plaatsnaam. Het holotype is IGF 4335, de onderkaak. Gervais had het holotype bestudeerd tijdens een reis naar Florence. Later in 1872 publiceerde Gervais een meer gedetailleerde beschrijving, met illustraties.

In 1890 meldde Giuseppe Ristori nieuwe vondsten, een elftal exemplaren. Die waren ten dele opnieuw gedaan op de Monte Bamboli maar kwamen vooral uit Casteani en ook uit Montemassi. Het betreft grotendeels tanden maar ook een bovenkaaksbeen van een mannelijk individu. In 1898 beschreef Felice Ottolenghi een linkeronderkaak uit Montemassi. In 1907 meldde Giuseppe Merciai vier bovenkaaksbeenderen en een onderkaak uit de Grossetomijn te Ribolla.

In 1909 en 1974 werden fossielen van primaten uit Bessarabië aan Oreopithecus toegeschreven maar de identiteit kon door latere onderzoekers niet bevestigd worden. De toeschrijving berustte vermoedelijk op de datering en de grootte.

De meeste resten van fossiele mensapen zijn zeer beperkt en bestaan uit losse tanden of hoogstens kaken. Ook Oreopithecus paste aanvankelijk binnen dit patroon. Daar kwam op 2 augustus 1958 abrupt verandering in toen de Zwitserse paleontoloog Johannes Hürzeler door twee mijnwerkers gewaarschuwd werd dat op een diepte van tweehonderd meter een heel skelet ontdekt was in een bruinkoolmijn bij Bacinello in Toscane. Binnen een week was het geborgen. Hij was al sinds 1949 bezig het gebit in detail te bestuderen, vanuit een teleologische interpretatie van evolutie, en sinds 1954 was hij in het vondstgebied werkzaam. De soort trok daarna sterk de aandacht doordat Hürzeler er in 1954, 1955, 1956 en 1958 een tweevoetige directe voorouder van de mens in dacht te herkennen. Dat zou tot een langdurige wetenschappelijke controverse leiden en wekte grote belangstelling bij de pers. Oreopithecus was, zo dacht men, ongeveer zesmaal ouder dan enig andere toen bekende tweevoetige menselijke voorloper. Na een lezing in New York in maart 1956 besloot de Wenner-Gren Foundation gerichte opgravingen te gaan financieren, met medewerking van de lokale paleontoloog Alberto Carlo Blanc. Het waren deze activiteiten die Sandrone opleverden. Volgens zijn assistent Burkart Engesser was Hürzeler voornamelijk aan zijn tour aan lezingen begonnen om fondsen te werven voor zijn opgravingen. De ontdekking van Sandrone was onmiddellijk wereldnieuws.

Het nieuwe skelet zag Hürzeler in 1960 als een bevestiging van zijn opzienbarende stelling. Het specimen kreeg de bijnaam Sandrone naar een boerenkarakter uit de Commedia dell'arte. Het betreft een jongvolwassen exemplaar. In 1958 meldde Hürzlinger nog wat specimina die hij zelf gevonden of verworven had. In 1959 beschreef Percy Milton Butler het bovenkaaksbeen van een jong dier, van onduidelijke herkomst.

Daarna zijn in Corsica en Sardinië nog meer vondsten gedaan. Deze gebieden vormden in het Mioceen samen met een gedeelte van Toscane een eiland in de Middellandse zee, dat door Tim Flannery Tuscania gedoopt is. Bruinkoollagen hebben het vermogen een Lagerstätte te scheppen, een vindplaats met uitzonderlijk goede preservering. De vele tientallen exemplaren maken Oreopithecus tot de best bekende uitgestorven mensaap buiten de mensachtigen. thumb|Het door Cocchi geschreven label van het holotype Belangrijke specimina zijn de skeletten IGF 11778 (Sandrone) en BA#130. Sandrone bleef eerst in plaat en tegenplaat bewaard in het museum van Basel, waar Hürzeler conservator fossiele gewervelden was. Er werden vele afgietsels van gemaakt in de dramatische 'Duitse' stijl die nog steeds in natuurhistorische musea over de hele wereld te bewonderen zijn. In 1967 ging hij terug naar Toscane, de verzameling van het Museo di Storia Naturale van de Universiteit van Florence. Na 1968 werden de botten echter uit het gesteente losgemaakt ter betere bestudering. Tussen het voorjaar van 1983 en september 1984 werd de schedel geprepareerd in New York. Het bekken van IGF 11778 werd van 1994 tot 2000 verder geprepareerd aan het Institut Català Paleontologia Miquel Crusafont. Vondsten in Toscane, mede bij Montemassi, Casteani en Ribolla, hebben zich tot in de eenentwintigste eeuw voortgezet. Andere beschreven specimina zijn GF 10886: een onderkaak; IGF 4580: een stuk onderkaak; BMNH. M 11555/BM 112: een stuk bovenkaaksbeen van een jong dier; BAC-208: een stuk schedeldak; BA#140: een volledige hand van een klein dier; BA#151: een gedeeltelijke hand; BA#89: een gedeeltelijke hand; BA#200: een gedeeltelijke hand; en BA#85: een gedeeltelijke hand.

In 1994 werden op Sardinië tijdens werkzaamheden aan een elektriciteitscentrale nabij Porto Torres resten gevonden op vijf meter diepte, in een laag van 8,3 miljoen jaar ouderdom, de Fiume Santo-vindplaats. Het betreft onder andere een onderkaak met tanden. Het exemplaar kreeg de bijnaam Proto.

De fossielen hebben een ouderdom van tussen de 8,3 en 6,7 miljoen jaar. Dat betekent dat Oreopithecus de laatste niet-menselijke mensaap is die uit Europa bekend is. Vermoedelijk koloniseerden zijn voorouders het gebied van Tuscania rond de negen miljoen jaar geleden, wellicht van het noorden uit, hoewel er ook een landbrug was met Afrika. Door ontbossing stierven geleidelijk alle andere mensapen op het continent uit. Isolatie beschermde Oreopithecus tot de vorming van een nieuwe landbrug. Daarna zouden er ruim vier miljoen jaar geen Europese mensapen meer zijn totdat ze twee miljoen jaar geleden het continent weer bereikten in de gedaante van het geslacht Homo.

Beschrijving De lengte van Oreopithecus kan goed worden vastgesteld en bedroeg ongeveer 110 tot 120 centimeter. Dat duidt op een gewicht van dertig tot vijfendertig kilogram. Het gewicht van Sandone is door Schultz in 1960 geschat op veertig kilogram; dat werd later bijgesteld naar 32 kilogram. thumb|Het holotype In beschrijvingen wordt vaak een vergelijking getrokken met mensachtigen. Er zijn veel overeenkomsten met Homininae. De platte schedel is graciel gebouwd. De kaken zijn vrij kort. De onderkaken hebben een afgeronde symfyse. De kegelvormige hoektanden zijn relatief kort. De kiezen hebben echter een hoog knobbelpatroon. De ledematen zijn lang, maar de armen zijn langer dan de benen, een basaal kenmerk. De bouw van de ruggengraat en het platte bekken suggereert een rechtopgaande gang, evenals de X-benen. De duim lijkt een precisiegreep mogelijk te maken.

Er zijn ook unieke kenmerken die van alle andere mensapen afwijken. Zo bleek de hersenomvang, in 1960 nog geschat als tussen de 276 en 529 cc, in 1973 slechts 200 cc te bedragen: men had bovenste halswervels aangezien voor een deel van het schedeldak. De grote teen staat onder een extreem grote hoek af, 100° naar achter stekend. De bladeren van het darmbeen hebben een unieke combinatie van een vrij verticale stand met een grote zijwaartse verbreding.

De schedel heeft een kort, hoog en breed gezicht. Dat is wel gezien als een geval van neotenie, het op volwassen leeftijd behouden van jeugdige kenmerken, of van heterochronie, verschillen in rijpingssnelheid tussen de organen. Hij heeft in bepaalde opzichten duidelijk basale kenmerken die niet afwijken van basale smalneusapen. De wenkbrauwwallen zijn vooruitstekend en verdikt. De neusopening is hoog en smal. De beenrichels op de slapen liggen hoog en vervloeien bij mannelijke exemplaren tot de schedelkam. Een afgeleid kenmerk is de voorwaartse plaatsing van de jukbeenboog. Het jukbeen is robuust als bij orang-oetans. Het voorste en achterste deel van het slaapbeen zijn niet versmolten. De fossae subarctuatae zijn klein. Het schedeldak heeft achteraan een duidelijke dwarskam. Het achterhoofd is hoog en tamelijk verticaal.

Het bovenkaaksbeen is zwaar gebouwd. De onderkaak is kort met een hoge opgaande tak en een vrij scherpe hoek tussen deze ramus en het corpus.

Het gebit toont vele afgeleide kenmerken. Het is relatief klein ten opzichte van dat van andere mensapen. De voortanden zijn relatief klein ten opzichte van de achterste tanden. De hoektanden zijn niet goed bekend maar lijken klein te zijn geweest gezien het ontbreken van distemata, hiaten, op zich al een afgeleid kenmerk. De bovenste premolaren zijn lang en smal en hebben beide twee even grote hoofdknobbels. De verbindende kam van die knobbels is slecht ontwikkeld en wordt doorsneden door een diepe trog. De kroon van de bovenste kiezen is minder breed dan lang en is niet van lipzijde naar tongzijde ingesnoerd. Deze drie kiezen nemen naar achteren in de tandenrij geleidelijk in grootte toe. Vreemd is ook de vorm van de knobbels. Zowel de bovenste als de onderste kiezen hebben opvallend hoge kammen, cristae. De bovenste zijn wel omschreven als 'cristodont' als zou het nieuw tandtype betreffen. Toch kan dit type, ondanks de unieke vorm, als basaal gelden want de cristodonte vorm is geopperd als een plausibele voorloper van de normaliter bilofodonte vorm bij smalneusapen. Wat minder afgeleid is het dunne tandglazuur, een robuuste verdikking van de kroonbasis ofwel cingulum en een robuuste verticale richel aan de tongzijde, allemaal kenmerken die passen bij mensapen die geen mensachtigen zijn.

De romplengte is in 1960 geschat op zesenveertig centimeter. De borstkas is breed. De onderrug is kort. Er zijn vijf lendenwervels en zes sacrale wervels.

De armen zijn een vijfde langer dan de benen, een verhouding die veel hoger ligt dan bij basale apen of andere bekende uitgestorven mensapen en slechts wordt overtroffen door moderne gibbons, orang-oetans en gorilla's. De vingerkootjes zijn gekromd. De onderkanten van de dijbeenderen zijn sterk afgeschuind. De middenvoetsbeenderen zijn robuust.