Dacentrurus is een geslacht van uitgestorven plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorend tot de groep van de Stegosauria, dat tijdens Laat-Jura leefde in het gebied van het huidige Europa.
Het eerste fossiel van Dacentrurus werd in 1874 in Engeland gevonden. Het werd in 1875 benoemd als de typesoort Omosaurus armatus. In 1902 bleek dat de naam Omosaurus al eerder gebruikt was voor een krokodilachtige en kreeg het geslacht de nieuwe naam Dacentrurus, wat zoiets als 'staart vol punten' betekent. Na Dacentrurus armatus zijn nog eens zeven soorten in het geslacht benoemd, maar de meeste wetenschappers denken tegenwoordig dat alleen D. armatus geldig is. Gelijksoortige vondsten uit Frankrijk, Portugal en Spanje behoren vermoedelijk toe aan verwante andere soorten die meestal nog geen eigen geslachtsnaam hebben gekregen. Het grootste deel van het skelet van D. armatus is onbekend en daardoor is nog veel onzeker over zijn bouw.
Dacentrurus werd ongeveer acht meter lang en vijf ton zwaar. Hij had zeer brede heupen en een grote buikholte om planten te verteren. De achterpoten waren recht en nogal kort. De voorpoten werden meer naar achteren gebogen gehouden en waren tamelijk lang. Op de staart stond minstens één paar stekels die gebruikt konden worden om roofdieren af te weren. Op de nek stonden kleine stompe beenplaten. Wat er op de rug stond, is onbekend en ook hoe de kop eruitzag.
Vondst en naamgeving In 1874 ontving professor Richard Owen een brief, gedateerd 23 mei 1874, van James Shopland van de Swindon Brick and Tyle Company. Daarin meldde deze dat hun leemput, de Swindon Great Quarry in de Kimmeridge Clay onder de Old Swindon Hill bij Swindon in Wiltshire, die al eerder belangwekkende paleontologische vondsten had opgeleverd, opnieuw een dinosauriërskelet had voortgebracht dat het bedrijf doneerde aan het British Museum of Natural History. Verheugd zond Owen William Davies uit om de vondst veilig te stellen. Het skelet bleek zich drie meter onder het maaiveld te bevinden in een uitzonderlijk harde leemnodule met een gewicht van enkele tonnen die volgens Owen gevormd was door de uitwasemingen van het ontbindende karkas. Dat wijst op de mogelijkheid dat weke delen bewaard waren gebleven in de vorm van een 'dinosauriërmummie', maar in de tijd van Owen kende men dit verschijnsel nog niet en mogelijke aanwezige resten van die soort werden vernietigd toen preparateur Caleb Barlow de beenderen gedurende 1874 nauwkeurig, zij het niet volledig, blootlegde. De nodule, oorspronkelijk acht voet hoog en zes voet breed, was bij het omhoog takelen in stukken gebroken, waarvan het grootste het achterlijf omvatte. De kratten waarin de brokken verpakt werden, hadden een gewicht van drie ton. left|thumb|Richard Owen benoemde Omosaurus In 1875 benoemde Owen de typesoort Omosaurus armatus. De geslachtsnaam is afgeleid van het Oudgriekse ὦμος, oomos, 'bovenarm', een verwijzing naar het zeer robuuste opperarmbeen. De soortaanduiding armatus wordt vaak met 'gepantserd' vertaald, maar kan ook 'bewapend' betekenen en het was deze betekenis die Owen voor ogen stond; zij verwijst naar een vervaarlijke stekel waarvan Owen dacht dat die op de bovenarm stond.
Het holotype BMNH 46013 is gevonden in een laag van de Kimmeridge Clay Formation die dateert uit het Laat-Kimmeridgien, ongeveer 153 miljoen jaar oud. Het bestaat uit een vrijwel volledige linkervoorpoot waaraan op een kootje na alleen de vingers ontbreken, dertien losse wervels van de nek, rug en staart; een reeks van zes achterste ruggenwervels, alle sacrale wervels en de acht voorste staartwervels; het bekken, een rechterdijbeen, een stuk onderste kuitbeen met calcaneum en een rechterscheenbeen van een enkel individu. Daarnaast omvat het materiaal een asymmetrische stekel van de linkerstaartzijde en een kleine plaat van de rechternekzijde. thumb|De opperarm waarnaar Omosaurus vernoemd is In de verzameling van het BMNH bevond zich nog een paar stekels, specimen BMNH 46321, veel eerder door William Cunnington gevonden nabij het latere talud van de Great Western Railway bij Wootton Bassett in lagen van dezelfde formatie. Owen begreep nu aan welk soort dier die toebehoorden en hij benoemde ze in 1877 als een tweede soort van Omosaurus: Omosaurus hastiger. De soortaanduiding is Neolatijn voor 'stekeldrager'. Owen dacht overigens dat deze stekels op de pols van het dier stonden. De status van deze soort wordt tegenwoordig onzeker geacht. Gezien de herkomst zou zij identiek kunnen zijn aan Dacentrurus armatus, maar omdat er geen overlappende elementen zijn, kan dit lastig bewezen worden. We weten te weinig van de variabiliteit van de stekelbouw om overeenkomsten daarin als argument te kunnen gebruiken, temeer daar BMNH 46231 alleen bestaat uit de bases.
In 1887 benoemde John Whitaker Hulke een Omosaurus durobrivensis op basis van een gedeeltelijk skelet, specimen BMNH R1989 gevonden bij Tanholt. De soortaanduiding verwijst naar de Romeinse garnizoensstad Durobrivae. In 1956 kreeg dit het eigen geslacht Lexovisaurus. In 1889 wees Arthur Smith Woodward erop, na een suggestie van Othniel Charles Marsh, dat vermeende rugplaten van deze soort vermoedelijk delen waren van een reusachtige vis die hij benoemde als Leedsichthys.
In 1890 hernoemde Richard Lydekker Omosaurus armatus tot een Stegosaurus armatus. Marsh had hem er namelijk op gewezen dat de naam Omosaurus al bezet was. De hernoeming was echter weinig gelukkig daar Marsh in 1877 al een ander taxon tot Stegosaurus armatus benoemd had.
In 1893 benoemde Harry Govier Seeley Omosaurus phillipsii, op grond van een dijbeen van een jong individu, YM 498. De soortaanduiding eert John Phillips. Hij uitte daarbij het vermoeden dat het om hetzelfde dier zou kunnen gaan als Priodontognathus phillipsii Seeley 1869, wat bij latere onderzoekers vaak het misverstand heeft gewekt dat die laatste soort door hem bij Omosaurus werd ondergebracht. Dat is echter onjuist daar beide taxa op verschillende typespecimina gebaseerd zijn. thumb|350px|Een lithografie van het bekken van het holotype In 1901 benoemde Seeley een Omosaurus leedsi op basis van specimen CAMSM (SMC) J.46874, een rechterbeenplaat met een scherpe punt op de voorhoek gevonden in Northamptonshire. De soortaanduiding eert de ontdekker, Alfred Nicholson Leeds. Wellicht gaat het opnieuw om een stuk vissenschedel; sommigen zien het voor wat betreft althans een gedeelte van het aan de soort toegewezen materiaal als een jonger synoniem van Lexovisaurus durobrivensis. left|thumb|De stekelbases van D. hastiger In 1910 benoemde Friedrich von Huene een Omosaurus vetustus, 'de oeroude', op basis van OUM J.14000, een dijbeen gevonden in de westelijke oeverbank van de Cherwell.
In 1911 benoemde Franz Nopcsa een Omosaurus lennieri waarvan de soortaanduiding Gustave Lennier eert, op basis van een skelet in 1899 gevonden in de Argiles d'Octeville bij Cap de la Hève in Normandië, lagen die dateren uit het Kimmeridgien. Het exemplaar dat tien wervels, een heiligbeen met rechterdarmbeen en verder de onderkanten van de zitbeenderen en linkerdijbeen omvatte, ging verloren tijdens het bombardement van Caen in 1944.
Reeds tijdens de benoeming van de twee laatste soorten van Omosaurus was opnieuw het besef doorgedrongen dat de naam Omosaurus al bezet was geweest door de krokodilachtige Omosaurus perplexus Leidy 1856. Hierop was het eerst door Marsh gewezen maar de zaak was weer in vergetelheid geraakt. In 1902 werd de kwestie weer opgepakt door Frederick Augustus Lucas die meteen een vervangingsnaam bedacht en het geslacht hernoemde tot Dacentrurus. Deze geslachtsnaam is afgeleid van het Oudgrieks δα~, da~, 'zeer', 'vol van', κέντρον, kentron, 'punt', en οὐρά, oura, 'staart'. Lucas nam dus aan dat de staart vol stekels stond, net als bij Stegosaurus. De nieuwe combinatienaam voor de typesoort Omosaurus armatus werd zo Dacentrurus armatus. Edwin Hennig plaatste in 1915 de meeste andere omosaurussoorten naar dit geslacht over, wat een Dacentrurus hastiger, Dacentrurus durobrivensis, Dacentrurus phillipsi en een Dacentrurus lennieri opleverde. Ondanks deze hernoemingen zou het tot het midden van de twintigste eeuw heel gewoon blijven dat door onderzoekers in publicaties naar het dier verwezen werd als Omosaurus in plaats van Dacentrurus. thumb|Een ruggenwervel van het holotype In 1993 hernoemde George Olshevsky Astrodon pusillus de Lapparent & Zbyszewski 1957, gebaseerd op stegosaurische fragmenten van wervels en ledematen uit het Kimmeridgien van Portugal die ten onrechte als een sauropode waren benoemd, impliciet tot een Dacentrurus pussilus. Volgens hemzelf ging het om een niet verder te determineren nomen dubium dat hij aanduidde als een Dacentrurus sp. maar later zou hij in een soortenlijst de nieuwe combinatienaam gebruiken.
In de loop van de twintigste eeuw werden steeds meer fragmentarische resten van stegosauriërs uit het Jura van Engeland, Frankrijk, Portugal en Spanje aan Dacentrurus toegewezen. In een revisie uit 1991 bracht Peter Malcolm Galton al deze vondsten bij Dacentrurus armatus onder. De overige soorten zouden er jongere synoniemen van zijn. In 2008 koos Susannah Maidment voor een radicaal andere benadering. Het materiaal van Dacentrurus armatus werd beperkt tot alleen het holotype. De meeste andere soorten beschouwde ze als nomina dubia, dus namen gebaseerd op materiaal dat te slecht is om met andere vondsten in verband te brengen. Niet meer onder Dacentrurus vallend bleef voor dezen slechts de oorspronkelijke naam Omosaurus over zoals bij Omosaurus hastiger en Omosaurus phillipsi. Ook Lexovisaurus durobrivensis en de later hernoemde Lexovisaurus vetustus waren volgens haar nomina dubia en moesten dus nominaal weer als omosaurussoorten worden aangeduid. Van het materiaal uit Frankrijk en het Iberisch schiereiland meende ze dat het vermoedelijk aan eigen soorten toebehoorde, maar door de onvolledigheid van de vondsten kon ze geen relevante verschillen met Dacentrurus armatus vaststellen, dus wees ze deze bij gebrek aan beter toe aan onbenoemde Dacentrurus sp. Dat deed ze ook voor Dacentrurus lennieri, vergetend dat dit taxon geen onbenoemde species kan zijn daar het immers al benoemd is. Astrodon pusillus achtte ze een nomen dubium. De vondst van Miragaia in Portugal maakt het verband van zulke fragmenten met Dacentrurus nog onzekerder. In dat verband stelde Alberto Cobos in 2010 voor om Miragaia als een jonger synoniem van Dacentrurus te beschouwen en veel Spaanse onderzoekers blijven de naam Dacentrurus gebruiken voor Iberisch stegosauriërmateriaal. In 2014 werd Omosaurus vetustus het eigen geslacht Eoplophysis.
Soortenlijst Het wat ingewikkelde naamgevingsproces kan worden samengevat in een soortenlijst.
Omosaurus armatus Owen 1875: geldige typesoort; = Stegosaurus armatus (Owen 1875) Lydekker 1890 non Marsh 1877; = Dacentrurus armatus (Owen 1875) Lucas 1902; = Nodosaurus armatus (Owen 1875) Hennig 1924 Omosaurus hastiger Owen 1877; = Stegosaurus hastiger (Owen 1877) Lydekker 1890; = Dacentrurus hastiger (Owen 1877) Hennig 1915 Omosaurus durobrivensis Hulke 1887: = Stegosaurus durobrivensis (Hulke 1887) Hulke 1887; = Dacentrurus durobrivensis (Hulke 1887) Hennig 1915; = Lexovisaurus durobrivensis (Hulke 1887) Hofstetter 1956 Omosaurus phillipsi Seeley 1893 non (Seeley 1869): nomen dubium; = Dacentrurus phillipsi (Seeley 1893) Hennig 1915 Omosaurus leedsi Seeley vide Huene 1901: = Lexovisaurus leedsi (Seeley vide Huene 1901) Kuhn 1964 Omosaurus vetustus Huene 1910: = Omosaurus (Dacentrurus) vetustus (Huene 1910) Hoffstetter 1957; = Dacentrurus vetustus (Huene 1910) Kuhn 1964; = Lexovisaurus? vetustus (Huene 1910) Galton & Powell 1983; = Eoplophysis vetustus (Huene 1910) Ulansky 2014 Omosaurus lennieri Nopcsa 1911: mogelijk valide soort; = Dacentrurus lennieri (Nopcsa 1911) Hennig 1915