Gastonia is een geslacht van uitgestorven plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorend tot de Ankylosauria, dat tijdens het Vroeg-Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika. De typesoort is Gastonia burgei, benoemd in 1998. In 2016 werd een tweede soort benoemd: Gastonia lorriemcwhinneyae.
Vondst en naamgeving Begin jaren negentig werden in de Gaston Quarry in Grand County, Utah, fossielen opgegraven van een dinosauriër. In 1998 werden die door een van de opgravers, James Kirkland, benoemd en beschreven als de typesoort Gastonia burgei. De geslachtsnaam en de soortaanduiding eren de oorspronkelijke ontdekker uit 1989 Robert Gaston en museumdirecteur Donald Burge. Kirkland had de naam al in 1997 gebruikt in de Dinosaur Encyclopedia; toen was het een nomen nudum.
Het holotype CEUM 1307 is gevonden in een laag van de Yellow Cat Member van de Cedar Mountain Formation die dateert uit het Barremien en ongeveer 126 miljoen jaar oud is. Het bestaat uit een schedel van een volwassen exemplaar. Daarnaast is een hypodigma aangewezen, een verzameling aanvullende definiërende specimina, die bestaat uit een duizendtal botten en osteodermen op de vindplaats aangetroffen. Deze vertegenwoordigen verschillende individuen, in 1998 geschat op minstens vijf. Twee vrijwel complete schedels en twee gedeeltelijke schedels waren rond 2004 opgegraven; in 2014 werd hun aantal gemeld als tien. Bij elkaar is het grootste deel van het skelet bekend. Veel elementen zijn echter door verwering van lage kwaliteit. De fossielen maken deel uit van de collectie van het College of Eastern Utah Prehistoric Museum, het Museum of Western Colorado en het Denver Museum of Natural History. Behalve uit de Gaston Quarry zijn er ook botten gevonden in de Dalton Wells Dinosaur Quarry uit dezelfde formatie, die wegens hun afwijkende bouw zijn toegewezen als een Gastonia sp. Ook hier gaat het om zeker een vijftal individuen. Ze zijn gemiddeld wat kleiner.
In 2016 werd door Billy Kinneer en Kenneth Carpenter het skelet in groter detail beschreven. Daarbij werden de geprepareerde specimina van het hypodigma aangegeven als paratypen. Verder werd er een derde vindplaats gemeld waarvan de resten werden benoemd als een tweede soort van Gastonia: Gastonia lorriemcwhinneyae. De soortaanduiding eert Lorrie McWhinney die de locatie in 1999 ontdekte. Het holotype hiervan is DMNH 49877, een schedeldak.
Skeletopstelling In 1998 werd in het Denver Museum of Nature and Science een skelet van Gastonia gereconstrueerd dat samengesteld is uit polyurethaan afgietsels van de oorspronkelijke beenderen van verschillende dieren, afkomstig uit zowel de Dalton Wells Dinosaur Quarry als de Gaston Quarry. De skeletopstelling was de eerste voor zo'n basale ankylosauriër.Kirkland, 1998 Voor de schedel werd het holotype gebruikt en voor het postcraniaalHet postcraniaal skelet is het skelet achter de schedel skelet de grootste beenderen van het paratype. Ofschoon overvloedig fossiel materiaal beschikbaar was, waren vele beenderen vervormd en verpletterd en moesten dus gecorrigeerd worden. Van ontbrekende beenderen — maar bijna alle beenderen van het skelet waren in de beenderlagen van de Dalton Wells Dinosaur Quarry vertegenwoordigd — werden ook polyurethaan afgietsels gemaakt, gebaseerd op dezelfde elementen van verwante soorten. Dankzij de studies van vooral Kenneth Carpenter1982, 1984, 1990. maar ook van Walter Coombs1978, 1979.Coombs & Maryańska, 1990. en dankzij talrijke illustraties van Gregory S. Paul (1995) en Traci Ford (1998), was het relatief eenvoudig het skelet te reconstrueren. Van het lichaamspantser was moeilijker een reconstructie te geven. Leidraad voor de globale reconstructie waren de opgestelde skeletten van Euoplocephalus tutus (Royal Tyrrell Museum of Palaeontology) en van Talarurus plicatospineus (Paleontologisch Instituut van de Russische Academie van Wetenschappen), beide behorend tot de Ankylosaurinae. Het gereconstrueerde en opgestelde skelet heeft een lengte van 459 centimeter, een hoogte over de heup van 112 centimeter, en een hoogte over de schouders van 138 centimeter. Het werd opgesteld tezamen met het skelet van de volgens Kirkland nauw verwante nodosauride Gargoyleosaurus parkpinorum uit de Morrison-formatie.
Beschrijving Grootte, algemene bouw en onderscheidende kenmerken Gastonia is een middelgrote ankylosauriër. Kirkland dacht in 1998 dat het dier zes meter lang was. In 2010 schatte Gregory S. Paul de lichaamslengte op vijf meter en het gewicht op 1,9 ton.
Het dier had sterke, zeer korte poten. De kop is opvallend klein en de nek vrij lang. De romp is extreem afgeplat en verbreed, meer nog dan bij verwante soorten. Het lichaam is bedekt door beenplaten, stekels en beenschubben. Zijn pantser was voor carnivoren een schier onneembare vesting. De kop was bezet met meerdere stekels, terwijl dikke beenplaten de nek beschermden. Daarbij stonden op zijn rug talrijke stekels. De flanken werden eveneens door beenplaten en stekels beschermd. Het dier had een hoornsnavel. De daar achter gelegen kaakdelen waren bezet met kleine tanden, die echter niet dienden om het plantaardige voedsel te vermalen, slechts het te verknippen. Waarschijnlijk was het dier voor de verdere vermaling aangewezen op het doorslikken van de zogenaamde maagstenen. De eigenlijke vertering vond plaats door bacteriën in de enorme buikholte.
In 1998 gaf Kirkland een diagnose maar die was weinig nuttig daar hij er van uitging dat het dier tot de Polacanthinae behoorde en dus voornamelijk met Polacanthus vergelijkingen trok. Enkele eigenschappen werden echter als uniek binnen de Ankylosauria als geheel aangegeven: het bezit van een brede inkeping tussen de praemaxillae; neusgaten die ver naar achteren geplaatst zijn; en een hersenpan met aan de onderzijde, op het basisfenoïde, van voor naar achter langwerpige uitsteeksels, processus basipterygoidei.
Skelet Schedel thumb|Een afgietsel van de schedel De schedel is driehoekig. Door een langwerpige, iets spitse snuit is de schedel langer dan breed, 295 bij 283 millimeter bij het holotype, een basaal kenmerk. Het snuituiteinde draagt echter een verbrede bovensnavel. De schedel heeft in zijaanzicht een bol profiel maar hangt van voren niet sterk af. In het midden heeft de tandeloze bovensnavel een brede, gelijkmatig gekromde uitsparing. De neusgaten zijn erg groot, staan naar bezijden gericht en reiken ver naar achter. Voor zover in 1998 bekend — er was toen geen CAT-scan uitgevoerd — zijn de luchtwegen eenvoudig van vorm, niet met vele kronkelingen zoals bij latere ankylosauriden. De tandenrijen in het bovenkaaksbeen zijn relatief recht — de tandenrij steekt vooraan minder zijwaarts uit dan de bovensnavel — en bezet met vijftien tot zestien kleine tandjes zonder verdikte tandbasis of cingulum. Dit laatste is uitzonderlijk voor een ankylosauriër. De tanden hebben ongeveer negen à tien vertandingen op iedere snijrand en hun kroon is ongeveer zes millimeter hoog. Het bovenkaaksbeen vormt een secundair verhemelte. De platte ploegschaarbeenderen van het verhemelte overlappen vooraan verbredend de beennaad tussen praemaxillae en bovenkaaksbeenderen en zijn achteraan gevorkt om contact te maken met de verticale verhemeltebeenderen. Zelf zijn ze volledig met elkaar versmolten zonder zichtbare beennaad. left|thumb|De neusgaten zijn erg groot Boven de oogkas vormen de supraorbitalia een enkele doorlopende rand. De achterkant van het schedeldak helt vrij sterk naar beneden, de bolling van de snuit voortzettend. Het quadratum is sterk naar achteren geheld. De voorrand van de kop van het quadratum loopt overdwars evenwijdig aan de achterrand van het pterygoïde. In zijaanzicht is het onderste slaapvenster en de processus paroccipitalis zichtbaar, een basaal kenmerk. Afgeleid echter, en lijkend op de toestand van de latere ankylosauriden, is het naar beneden gericht zijn van de, niervormige en nekloze, achterhoofdsknobbel en het feit dat deze centraal gevormd wordt door het basioccipitale en aan de zijkanten door de exoccipitalia. Het achterhoofdsgat is rond.
De mate van vergroeiing van de huidplaten is op de schedel basaal, dus beperkt. Op de snuit zijn geen platen vergroeid en de beennaden tussen de schedelelementen zijn volledig zichtbaar. Meer naar achteren zijn de kopplaatjes, de caputegulae, niet heel duidelijk gevormd hoewel het patroon zichtbaar symmetrisch is met een kleine centrale plaat boven de wandbeenderen. Er staan hoorns op de achterhoeken van de schedel, dus op de squamosa, en onderaan op de jukbeenderen, maar die zijn klein en raken het meer naar binnen gelegen quadratojugale niet. De squamosale hoorns steken licht zijwaarts uit. Ze hebben een piramidevorm met brede basis en met de punt naar buten en wat naar beneden gericht. De rand met het achterhoofd is scherp maar een snijrand bovenop ontbreekt. Er staan geen extra osteodermen op de middelste rand tussen schedeldak en achterhoofd.
De onderkaken zijn achteraan vrij hoog maar worden naar voren geleidelijk lager, uitlopend in een gemeenschappelijke tandeloze ondersnavel.
Postcrania thumb|Skeletten van twee gastoniae in zijaanzicht De halswervels hebben erg korte doornuitsteeksels. De doornuitsteeksels van de achterste rug zijn hoger maar blijven plaatvormig, korter dan lang. Er zijn drie echte sacrale wervels in het heiligbeen; erachter is een caudosacrale wervel 'ingevangen'. De doornuitsteeksels van de drie sacrale wervels zijn even hoog als die van de rug en nauw aangesloten: het heiligbeen buigt naar achteren iets omlaag maar de doornuitsteeksels blijven een ononderbroken plaat vormen door zich bovenaan te verbreden. Het doornuitsteeksel van de caudosacrale wervel staat daar los van maar is wel overlangs verbreed. Er zijn ongeveer achtendertig staartwervels. De voorste staartwervels hebben wat hogere doornuitsteeksels. De eerste echte staartwervel heeft een ronde doorsnede; die van de verdere wervels is hartvormig. De voorste chevrons zijn recht en onderaan niet verbreed; de achterste chevrons hebben een lichte verbreding. Het uiteinde van de staart draagt geen staartknots en er is geen verstijving van de achterste wervels tot een 'hendel'.
Het schouderblad lijkt op dat van de nodosauriden door het bezit van een processus acromialis, het gebruikelijke uitsteeksel op de onderste voorrand, die bladvormig is. Dit blad is echter niet heel sterk richting schoudergewricht gedraaid, zoals bij de nodosauriden wél het geval is. Evenmin bezit het een knopvormige verbreding. Ook loopt het niet heel ver naar boven uit. Daarbij ontspruit het aan de voorrand, niet zoals bij nodosauriden meer uit het midden van het schouderblad. Het schouderblad is bovenaan sterk verbreed. Het ravenbeksbeen is vierkantig van vorm, een typisch afgeleid ankylosauride kenmerk.
Het opperarmbeen heeft een grote deltopectorale kam die tot het midden van de schacht reikt, een afgeleid kenmerk. De onderarm is tamelijk kort. De ellepijp is krachtig gebouwd met boven achteraan een enorme processus olecrani die bijna even hoog is als de eigenlijke schacht en daarbij ook zeer breed. Het geheel duidt op een uiterst krachtige musculatuur van de arm.
Het bekken is een grote brede constructie. Het darmbeen heeft een lang maar ook zeer breed achterblad, met vijf ribben, inclusief die van de achterste ruggenwervel, aan het heiligbeen en het in 1998 nog onbekende aantal — vermoedelijk vijf — daaraan vastgegroeide lendenwervels verbonden. Het lange nauwe voorblad zet de lijn van de zijkant daarvan schuin naar voren en bezijden voort tot het breedste punt van de romp in het midden, ver zijwaarts buiten de poten uitstekend. Het schaambeen is klein, opgerold tegen de wervelkolom. Het zitbeen is een krachtig afhangend blad met een voorwaartse knik in het midden van de schacht welke een hoekig uitsteeksel op de achterrand vormt.