De Participatiewet (Pw) is een Nederlandse wet die is ingegaan op 1 januari 2015. De wet verving het voorgaande stelsel van Wet werk en bijstand (WWB), Wet sociale werkvoorziening en een groot deel van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).Wetstechnisch was het een wijziging inclusief naamsverandering van de WWB. De subtitel van de Participatiewet is dan ook nog steeds Wet van 9 oktober 2003, houdende vaststelling van een wet inzake ondersteuning bij arbeidsinschakeling en verlening van bijstand door gemeenten (Wet werk en bijstand). De infobox gaat over de wijzigingswet.https://www.internetconsultatie.nl/wetsvoorstelparticipatiewetinbalans/b1 De wet werd ingevoerd door Jetta Klijnsma, van 5 november 2012 tot oktober 2017 staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het kabinet-Rutte II.
Het uitgangspunt van de Participatiewet is dat iedereen naar vermogen deelneemt (participeert) aan de samenleving en zoveel mogelijk in het eigen onderhoud voorziet.
Het voornaamste doel van de Participatiewet is om zoveel mogelijk mensen met arbeidsvermogen naar werk toe te leiden of te ondersteunen bij het werk. Hierbij gaat de voorkeur uit naar betaald werk, maar als dit niet mogelijk is, kan het ook gaan om vrijwilligerswerk.
Het tweede doel van de Participatiewet is zorgen dat iedereen een inkomen heeft, ook mensen die niet in staat zijn in het eigen levensonderhoud te voorzien. De Participatiewet geeft een (aanvulling op het) inkomen tot het toepasselijke "sociaal minimum" (artikel 7). Er bestaat alleen recht op een bijstandsuitkering (sociale bijstand) voor zover er geen andere, voorliggende, wettelijke regeling is. De bijstand is namelijk het laatste vangnet.
Bevoegdheid en wettelijke taak De gemeente (of formeel het college van burgemeester en wethouders, het college) heeft de wettelijke taak om deze wet uit te voeren (artikel 7). Dat kan zij ook samen met andere gemeenten in samenwerkingsverbanden (artikel 8c), waarbij meerdere gemeenten een (interregionale) sociale dienst vormen. Meestal heeft de gemeente een eigen sociale dienst. Voor deze dienst worden door gemeenten verschillende benamingen (Werk, Zorg en Inkomen, etc.) gebruikt. De gemeenteraad dient hiervoor onder andere de volgende verordeningen vast te stellen (art. 8, 8a en 8b): een re-integratieverordening; een verordening tegenprestatie ; een maatregelverordening; een fraude- of handhavingsverordening; een verordening cliëntenparticipatie; verordeningen inkomenstoeslag en studietoeslag.
In dit artikel wordt voor de leesbaarheid college, gemeente en sociale dienst door elkaar gebruikt, maar het is het college als bestuursrechtelijk bestuursorgaan (met zijn sociale dienst) dat bedoeld wordt en niet zozeer de publiekrechtelijke rechtspersoon gemeente.
Financiering Gemeenten voeren de Participatiewet uit in medebewind met het Rijk (Rijksoverheid) en ontvangen hiervoor de middelen. Dit bestaat uit een ongeoormerkt budget (de zogenaamde gebundelde uitkering, artikel 69) voor de financiering van de uitkeringen Participatiewet, Ioaz, Ioaw en Bbz alsook voor loonkostensubsidies. Gemeenten ontvangen daarnaast via de integratie-uitkering sociaal domein van het gemeentefonds een ongeoormerkt budget voor onder andere de bekostiging van de re-integratie (waaronder ook scholing en opleiding). Bij een budgettekort hoger dan het eigen risico van 5% kan de gemeente bij het Rijk een verzoek indienen om aanvullend budget, de zogenaamde vangnetuitkering.
Arbeidsbeperking Mensen hebben formeel een 'arbeidsbeperking' als is vastgesteld door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) dat ze niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen. In het sociaal akkoord van 2013 werd door Klijnsma de banenafspraak gemaakt, waarin werkgevers toezegden in de loop van twaalf jaar minstens 100.000 banen te creëren voor mensen met een arbeidsbeperking. Het aantal mensen in de doelgroepen van de banenafspraak was ongeveer dubbel zo groot. Klijnsma hield een verplicht quotum achter de hand voor het geval de doelstellingen uit de banenafspraak niet gehaald zouden worden; dit quotum (het minimum aantal medewerkers met een arbeidsbeperking) werd vastgelegd in de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten (1 april 2015; kortweg de 'Quotumwet'). Mensen met een arbeidsbeperking vielen in de doelgroep van de banenafspraak en werden geregistreerd in het landelijk 'doelgroepregister'.
Voor overheids- en semi-overheidsorganisaties werd de Quotumwet van kracht op 1 januari 2018. Als deze organisaties niet aan het quotum zouden voldoen, zouden ze een boete krijgen.
Met de Participatiewet is het werkgevers toegestaan de werknemer een lager loon te betalen dan het minimumloon. Hierdoor bouwt de werknemer geen aanvullend pensioen meer op. Vanuit de wet wordt het inkomen van de werknemer door de gemeente aangevuld tot het sociaal minimum dat voor diegene van toepassing is. Hierbij geldt een vermogenstoets en een partnertoets; er wordt rekening gehouden met de kostendelersnorm en het vermogen en inkomen van degenen met wie men een gezamenlijke huishouding voert. Deze voorwaarden waren er niet in de Wajong, daarom is dit voor deze doelgroep als geheel een achteruitgang. Niet iedereen met een arbeidsbeperking die betaald werk doet werkt in het kader van de Participatiewet; veelal zijn werknemers aangenomen voor de Participatiewet en de banenafspraak ingingen.
Naomi Doevendans diende in oktober 2018 namens Wij Staan Op! een petitie in bij de Tweede Kamer om te protesteren tegen de gevolgen van de Participatiewet en voor gelijke kansen op de arbeidsmarkt. De petitie werd bijna 90.000 keer ondertekend. De petitie werd ondersteund door GroenLinks.
Recht op bijstand Voorwaarden voor het recht op bijstand (artikelen 11, 19, 31, 32, 34, 43): 18 jaar of ouder een inkomen van ten hoogste 100% van de voor de betrokkene van toepassing zijnde bijstandsnorm; beperkt eigen vermogen; woonachtig en rechtmatig verblijvend in Nederland; Nederlander zijn of daarmee gelijkgesteld zijn; woonachtig in de gemeente waar bijstand wordt aangevraagd.
Geen recht op bijstand hebben (artikel 13 PW): gedetineerden; die zich onttrekt aan een vrijheidsbenemende maatregel; die zijn militaire of vervangende dienstplicht vervult; die langer dan vier weken per kalenderjaar in het buitenland verblijft (waaronder het zijn van uitreiziger/terrorist); die jonger is dan 18 jaar; personen van 18, 19 of 20 jaar die in een inrichting verblijven; personen jonger dan 27 jaar die door het Rijk bekostigd onderwijs kunnen volgen (kunnen studeren).
In uitzonderlijke en dringende (nood-)situaties (zeer dringende redenen), kan ondanks dat er geen recht bestaat, toch (algemene of bijzondere) bijstand verleend worden (artikel 16).
Re-integratie Onder de Participatiewet is de uitkeringsgerechtigde, die jonger is dan de AOW-leeftijd, verplicht om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, deze te aanvaarden en te behouden (artikel 9). De arbeid moet wel passend zijn voor de uitkeringsgerechtigde wat betreft opleiding en omstandigheden. Bij ernstige ziekteklachten of andere zwaarwegende omstandigheden kan een tijdelijke of langdurige vrijstelling van de arbeidsverplichtingen gegeven worden. Uitkeringsgerechtigden zijn ook verplicht, voor zover niet vrijgesteld, beschikbaar te zijn voor onderzoeken naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en beschikbaar te zijn voor re-integratietrajecten. Deze kunnen van alles inhouden, bijvoorbeeld aanvullende scholingen of opleidingen, Participatieplaatsen (werken met behoud van uitkering) en subsidiëring van werkgevers via loonkostensubsidies. Ook is het mogelijk om zgn. beschut werk te verrichten (voorheen sociale werkplaats) waarbij de gemeente of een gezamenlijke instelling het werkgeverschap overneemt. Aan uitkeringsgerechtigden kunnen hierbij aanvullende eisen gesteld worden. Een gemeente mag o.a. kledingvoorschriften opleggen en eisen aan de haardracht stellen om werkaanvaarding niet te belemmeren. Ook kan verlangd worden dat men voor een baan gaat verhuizen.
Bijstandsaanvraag Een aanvraag in het kader van de Participatiewet moet voldoen aan wettelijke eisen. De aanvraagprocedure kan langdurig zijn. Een bijstandsgerechtigde moet een behoorlijke inzage in zijn financiële situatie geven en veel documenten en bankafschriften overleggen. De aanvraag wordt toegekend per datum van melding bij UWV WERKbedrijf (artikel 44), waar men zich moet inschrijven als werkzoekende (artikel 41). Na de melding kan de aanvraag worden ingediend. Dit zijn dus twee verschillende momenten, en waar veel geschillen over ontstaan. Tegenwoordig kan de melding en aanvraag in de meeste gevallen via de internetpagina www.werk.nl van UWV-WERKbedrijf plaatsvinden. De aanvraag is dan wel gericht aan de gemeente in de eigen woonplaats (artikel 40). Bijstand voor een periode voorafgaande aan de aanvraag is in principe niet mogelijk, daarom is het zaak zich tijdig in te schrijven. Voor jongeren onder de 27 jaar geldt een zgn. zoekperiode van vier weken voordat de aanvraag kan worden ingediend, behalve als al een werkloosheidsuitkering wordt ontvangen die aan het aflopen is (artikel 41 lid 6). Er kan een voorschot worden verstrekt als aannemelijk is dat de bijstand zal worden toegekend (artikel 52), wat later wordt verrekend. De aanvrager ontvangt een beschikking waarin de beslissing wordt meegedeeld. De data van voorlopige bijstandsverstrekking en de beschikkingsdatum van de uiteindelijke toekenning kan op later datum van grote invloed zijn op alle inkomensafhankelijke regelingen (zie hieronder over belastingaspecten).
Wet Taaleis Sinds 1 januari 2016 bevat de Participatiewet in artikel 8b een inspanningsverplichting voor bijstandsgerechtigden om de Nederlandse taal voldoende te beheersen voor een beter arbeidsmarktperspectief (het vergroten van de participatiekansen van bijstandsgerechtigden op de arbeidsmarkt). Een bijstandsgerechtigde moet de Nederlandse taal beheersen op referentieniveau 1F. Iemand die nog niet dat niveau beheerst, moet zich inspannen om dit alsnog te beheersen. Referentieniveau 1F is het niveau dat leerlingen aan het einde van groep 8 van het basisonderwijs moeten beheersen om de overstap naar het voortgezet onderwijs goed te kunnen maken. Het gebruikte taalreferentieniveau in het inburgeringsexamen A2 of het niveau NT2 is vergelijkbaar met het referentieniveau 1F.TK 2014–2015, 33 975, nr. 7, p. 3 / https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33975-7.html
Een bijstandsgerechtigde moet zijn Nederlandse taalkennis aantonen middels diploma's. Personen die dat niet kunnen, moeten zich inspannen door relevante cursussen te volgen waarbij een toets wordt afgenomen. Van zgn. inburgeraars (Wet inburgering) wordt aangenomen dat zij zich voldoende inspannen. Bij onvoldoende inspanning en resultaten kan de bijstand verlaagd worden voor een periode. Dit moet in een gemeentelijke verordening worden vastgesteld. Het is de bedoeling het vrij rigide verlagingssysteem van de bijstand (ook maatregel genoemd, zie boeten en maatregelen) in artikel 18b wordt aangepast.
Tegenprestatie In 2011 is aan artikel 9 (van de toenmalige Wet werk en bijstand, WWB), dat gaat over de arbeids- en reintegratieverplichtingen, de tegenprestatie toegevoegd. De bepaling luidt: De belanghebbende ... is verplicht naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.