De oblast Batoem(i) (Russisch: , ; Georgisch: , ) was een bestuurlijke eenheid in het onderkoninkrijk van de Kaukasus van het Russische Rijk. De hoofdstad was Batoemi. Het gebied werd gedurende de 19e en vroeg 20e eeuw betwist tussen Rusland, het Ottomaanse Rijk en de Democratische Republiek Georgië, en is sinds 1921 verdeeld over het zuidwesten van Georgië en noordoosten van Turkije.

Geografie De oblast grensde in het noorden aan het oejezd Ozoergeti van het gouvernement Koetais, in het noordoosten aan de oejezd Achaltsiche van het gouvernement Tiflis en in het zuidoosten aan de oblast Kars. In het zuidwesten grensde de oblast aan Lazistan van het Ottomaanse Rijk. Ten westen lag de meest oostelijke gelegen kust van de Zwarte Zee, waar onder andere haven van hoofdstad Batoemi lag. In 1912 was de oblast afgerond 6.129 vierkante werst groot (6.975 km²). Het gebied was historisch onderdeel van de Georgische cultuur-historische streek en vorstendom Tao-Klardzjeti.

De belangrijkste rivier door de oblast is de Tsjorochi, die ten zuiden van de stad Batoemi in de Zwarte Zee stroomt. Door het sterk bergachtige karakter van het gebied, heeft de Tsjorochi er vele vertakkingen door diepe kloven. De oblast lag in het westelijke uiteinde van de Kleine Kaukasus en kende bergen tot over de 3000 meter boven zeeniveau, waarvan sommigen van vulkanische oorsprong. Het gebied was rijk aan ertsen en minerale bronnen. Het klimaat van de regio was vergelijkbaar met dat van andere gebieden langs de Zwarte Zee met een rijke vegetatie. De hellingen ware begroeid met dichte Lariks- en naaldbossen, vergezeld van varens. In het binnenland van Artvin groeiden jeneverbessen.

Geschiedenis De oblast ontstond uit delen van Oost-Anatalië die het Russische Rijk veroverde in de Russisch-Turkse Oorlog van 1877-1878. Het gebied werd bij de Vrede van Berlijn samen met de oblast Kars aan Rusland toegekend. Op 25 augustus 1878 bezetten Russische troepen de stad Batoemi.

Op 20 september 1878 werd de oblast Batoemi opgericht en op 29 oktober 1878 opende de vrijhaven van Batoemi. Het gebied omvatte het noordoosten van het Ottomaanse sanjak Lazistan en een klein deel van villayet Erzurum en werd bestuurlijk verdeeld in een aantal okroegen (militaire districten).

Aparte bestuurseenheid miniatuur|Geografische kaart van de oblast. Met rode stippellijn de verschillende okroegen. De okroeg Adzjarië (Keda) werd in 1883 samengevoegd met de okroeg Batoem. Met zwarte stippellijn de moderne Georgisch-Turkse grens na het Verdrag van Kars van 1921 . De Russische regering beoogde met het bestuurlijk gescheiden houden van de oblast Batoemi van de rest van Georgië om de Georgische economische en politieke eenwording te belemmeren. Daarnaast wilde ze het nieuw geannexeerde gebied grootschalig koloniseren, met name het kustgebied, dat goede "klimatologische, natuurlijke en agrarische omstandigheden" had. Na enkele jaren was het tsaristische regime niet tevreden over het tempo hiervan en besloot de aparte bestuurlijke status op te heffen om kosten te besparen.

Op 12 juni 1883 werd de oblast opgeheven en werden de okroegen bij het gouvernement Koetais gevoegd. De onderkoning van de Kaukasus Grigory Golitsin (1896-1904) was hier tegenstander van en voerde campagne om dit weer ongedaan te maken. Hij was ervan overtuigd dat de bestuurlijke vereniging het nationale zelfbewustzijn van de moslim-Georgiërs zou vergroten en de eenwording van de Georgiërs zou versterken.

Op 17 maart 1903 tekende keizer Nicolaas II een decreet om de oblast Batoemi per 1 juni van dat jaar te herstellen als aparte bestuurlijke eenheid met de okroegen Batoemi en Artvin.

Betwist met Turkije miniatuur|Turkse troepen bezetten Batoemi in april 1918. Na de Turkse capitulatie in de Eerste Wereldoorlog werd de oblast Batoemi tot juli 1920 een Brits mandaatgebied. De oblast Batoemi werd na de val van het Keizerrijk Rusland in 1917 door zowel het Ottomaanse Rijk als de Georgiërs geclaimd. In de vrede van Brest-Litovsk van maart 1918, die de Kaukasusveldtocht tussen de Ottomanen en Russen beëindigde, werd het gebied aan de Ottomanen toegekend. Hierdoor werden de grenzen van voor de Russisch-Turkse oorlog van 1877-1878 hersteld. De Georgiërs erkenden dit verdrag en de overdracht van de oblast Batoemi niet, maar de Ottomanen bezetten het gebied in april 1918.

In het Ottomaans-Georgische verdrag van Batoemi van 4 juni 1918 deed de pas opgerichte Democratische Republiek Georgië onder druk afstand van het gebied. Na de capitulatie van de Ottomanen in de Eerste Wereldoorlog met de wapenstilstand van Mudros werd de voormalige oblast Batoemi een Brits militair mandaatgebied en hervatte Georgië haar aanspraken erop. Gedurende 1919-1920 voerde de Georgische regering van Noë Zjordania verschillende gesprekken over hereniging van het gebied met Georgië, maar de Britten talmden en trokken een eigen plan om het gebied langer onder internationaal mandaat te houden. miniatuur|Britse troepen droegen Batoemi op 7 juli 1920 over aan Georgië met een mars door de straten van de stad. In het voorjaar van 1920 stuurden de Georgiërs troepen naar Artvin en Choelo om de druk op te voeren, waarop de Britse Hoge Commissaris voor de Kaukasus, Oliver Wardrop, intervenieerde om een militaire confrontatie af te wenden. Op 7 juli 1920 droegen de Britten het gebied over aan de Georgiërs, mede als gevolg van het verdrag van Moskou van 7 juni 1920. In dit verdrag erkende Sovjet-Rusland het gebied als Georgisch en eiste dat er geen buitenlandse troepen in Georgië gestationeerd mochten zijn.

De grondwet die de Georgische republiek in 1920 in concept afhad en in februari 1921 aannam, verleende autonomie aan de oblast Batoemi onder de naam 'Moslim-Georgië'. Het Moslim-Georgië Bevrijdingscomité had hier in 1919 tijdens de Britse bezetting al voor gepleit. De invasie in Georgië van het Rode Leger in februari-maart 1921 hield de uitvoering hiervan tegen. Tegelijkertijd viel het Turkse leger de oblast Batoemi binnen. De uit Tbilisi gevluchte regering van Georgië had haar laatste bijeenkomsten in Batoemi voor ze in ballingschap vluchtte naar Frankrijk.

Het gebied werd in 1921 in de verdragen van Moskou en Kars verdeeld over Turkije en de Georgische sovjetrepubliek. Turkije kreeg in ruil daarvoor de districten Artvin en Ardahan waar Georgië eerder nog aanspraak op maakte. De in artikel VI van het verdrag van Kars afgesproken autonomie voor de moslimbevolking resulteerde in juli 1921 in de oprichting van de Adzjarische Autonome Socialistische Sovjetrepubliek in de Georgische sovjetrepubliek.

Infrastructuur miniatuur|Oliereservoirs en olietrein in Batoemi (medio 1890). De diepe en natuurlijk beschermde haven van Batoemi was van strategische waarde en meteen na de oprichting van de oblast werd de stad een vrijhaven. Rusland was eind 19e eeuw de grootste olie-exporteur ter wereld en exporteerde olie uit Bakoe via de havens van Poti en de Oostzee, maar de haven van Batoemi was veel beter toegerust voor de olie-export.

In 1872 opende de spoorlijn van Tiflis via Samtredia naar Poti, de eerste spoorlijn in Transkaukasië. Meteen na de inname van Batoemi werd een aftakking van de spoorlijn vanaf Samtredia naar Batoemi gebouwd en werd de spoorlijn vanaf Tiflis doorgetrokken naar Bakoe. Beide delen werden in 1883 geopend.

Tegelijkertijd werd in Batoemi een apart dok gebouwd voor de overslag van olieproducten. In 1882-1883 kwam in het vrijhavengebied de eerste fabriek voor de productie van vaten voor het transport van aardolieproducten. Een van de stuwende krachten achter deze ontwikkelingen was Alphonse Rothschild, die in Batoemi via het bedrijf Bnito grote investeringen deed. Er kwam hierdoor ook olie-verwerkende industrie, zoals teerfabrieken.

Economie miniatuur|Theefabriek in Tsjakvi (1912). Naast de oliehandel en aanverwante industrie, die een drijvende kracht waren voor de industriële ontwikkeling van de oblast, waren er eind 19e eeuw onder andere kopersmelterijen, leerfabrieken, gietijzergieterij, tabaksfabrieken, mineraalwaterfabrieken. Ook de haven van Batoemi profiteerde van de toegenomen activiteit. Het aantal schepen dat de haven aandeed steeg van 466 in 1879 naar 1.753 in 1901, waarmee ze Poti voorbij streefde. Batoemi kreeg een dominante rol in de economie van het gouvernement Koetais.

Naaste industriële activiteit en maritieme handel, vond er ook ontwikkeling van nieuwe subtropische gewassen plaats in de oblast Batoemi. Dit concentreerde zich rond Tsjakvi, ten noorden van de stad Batoemi, waar in de jaren 1890 theeplantages en plantages voor andere subtropische gewassen werden opgezet. Toen dit aansloeg kwamen er ook theefabrieken.

Bestuurlijke indeling Bij haar oprichting op 20 september 1878 (O.S.) bestond de oblast uit drie okroegen, namelijk Adzjarië (centrum Keda), Batoemi en Artvin. Deze okroegen waren op hun beurt elk weer ingedeeld in drie oetsjastokken, districten die ook wel werden aangeduid als politiedistrict. Aan het hoofd van de oblast stond een gouverneur die door de onderkoning van de Kaukasus werd benoemd.

Belangrijkste wijzigingen

Op 12 juni 1883 (O.S.) werd de oblast afgeschaft en werden de okroegen ondergebracht bij het gouvernement Koetais. Tegelijkertijd werd de okroeg Adzjarië afgeschaft en aan de okroeg Batoemi toegevoegd. In 1903 werd de oblast heropgericht met daarbinnen de okroegen Artvin en Batoemi. Deze waren net als eerder intern onderverdeeld in districten (oetsjastok). Bestuurlijke onderverdeling oblast Batoemi District Centrum Opp.(werst²) Inwoners 1886 1897 1912 1 Okroeg Artvin Artvin 2.875 52.434 56.140 64.916 2 Okroeg Batoemi Batoemi 3.254 61.367 88.444 96.323 Totaal 6.129 113.801 144.584 161.239Verantwoording data: Volkstelling Transkaukasus 1886; Kaukasische kalender 1913;

Demografie Volgens de Russische volkstelling van 1897 woonden er op dat moment 144.584 mensen in het gebied van de oblast Batoemi. In 1912 waren dat er 161.239. Demografie van oblast Batoemi Jaar Totaal Georgiërs Turken Armeniërs Russen Grieken Koerden Joden 1886 113.801 63.702(56,0%) 27.907(24,5%) 11.637(10,2%) 1.767(0,2%) 3.671(3,2%) 839(0,7%) 950(0,8%) 1897 144.584 63.012(43,6%) 44.667(30,9%) 14.939(10,3%) 9.877(6,8%) 4.717(3,3%) 1.811(1,3%) 1.076(0,7%) 1912 161.239 87.729(54,4%) 39.651(24,6%) 17.213(10,7%) 10.169(6,3%) 3.671(3,2%) 2.114(1,3%) -Verantwoording data: Volkstelling Transkaukasus 1886; Russische volkstelling van 1897; Kaukasische kalender 1913;

Etniciteit en religie miniatuur|Adzjaarse visverkoper. De oblast Batoemi kende een diverse bevolking, mede als gevolg van haar geschiedenis. De Georgiërs (Adzjaren, Moslim-Georgiërs) waren de grootste bevolkingsgroep, maar zij waren niet in de meerderheid volgens de volkstelling van 1897. Het overgrote merendeel hiervan woonde in de okroeg Batoemi. De tweede grote bevolkingsgroep waren inwoners die zich als Turken identificeerden en die voor het overgrote merendeel juist in de okroeg Artvin woonden. De Armeense gemeenschap was aanzienlijk, maar met tien procent een minderheid. Ze waren ongeveer gelijk verspreid over Batoemi en Artvin.

De Russische en Oekraïense gemeenschap was ook relatief groot voor Georgische begrippen onder het Russische Rijk. Verreweg de meesten woonden in havenstad Batoemi. Daarnaast woonden in de oblast relatief grote gemeenschappen Grieken, Georgische Joden en Koerden. Kleinere groepen minderheden waren Perzen, Abchaziërs, Tataren, Duitsers en Polen, allen minder dan een half procent.

In de volkstelling van 1897 gaf bijna 73 procent aan islamitisch te zijn en was bijna 15 procent oosters-orthodox. Vrijwel al deze christenen woonden in de okroeg Batoemi en dan vooral in de stad Batoemi. Bijna zeven procent was Armeens-apostolisch en bijna vier procent was Armeens-katholiek. Die laatste groep woonde vooral in Artvin. Verder waren er kleinere gemeenschappen rooms-katholieken en joden (beiden circa een procent), die voornamelijk in de stad Batoemi woonden.

Zie ook Adzjarië