Dulle Griet is een schilderij van Pieter Bruegel de Oude uit 1563. Het hangt in het Museum Mayer van den Bergh in Antwerpen, het is door de Vlaamse overheid erkend als Vlaams topstuk.
Bruegel heeft in dit werk twee tegenstellingen met elkaar gecombineerd: Dulle Griet op de voorgrond is de vrouw die zich gedraagt als een man, met de focus op hebzucht met daartegenover de Reus op de achtergrond die staat voor de man die zich gedraagt als een vrouw, met de focus op verspilling. Dit tegen de achtergrond van de hel, waar andere zonden aan bod komen bij de vechtende vrouwtjes, de duiveltjes en de minnende koppeltjes.
Geschiedenis Er is voor het eerst sprake van Dulle Griet in het Schilder-Boeck (1604) van Karel van Mander:
De toenmalige keizer was Rudolf II (1576-1612), een groot liefhebber van kunst. Hij riep Praag uit tot nieuwe hoofdstad en bouwde er een enorme kunstcollectie op. In 1648 werd Praag echter geplunderd door de Zweden tijdens de Dertigjarige Oorlog. Een groot deel van de collectie werd als oorlogsbuit meegenomen naar Zweden waar het in bezit kwam van Christina I van Zweden. Aangezien Dulle Griet in 1894 terug boven water komt in een Zweedse collectie, vermoedt men dat het schilderij eveneens door plunderende Zweden werd meegenomen in 1648. In 1894 werd het aangekocht door Fritz Mayer van den Bergh op een veiling in Keulen voor de zeer lage prijs van 488 frank. Het stond daar te koop als “een paneel van de Helse Brueghel met een menigte spookgestalten”. Het werd dus niet herkend als een werk van Pieter Bruegel de Oude, maar toegeschreven aan diens oudste zoon Pieter Brueghel de Jonge, ook wel de Helse Brueghel genoemd. Fritz Mayer van den Bergh was een kunstverzamelaar uit Antwerpen en Bruegelkenner. Hij verzamelde uiteindelijk twee schilderijen en 22 gravures naar tekeningen van de meester. Mayer van den Bergh herkende het paneel onmiddellijk als een originele Bruegel. Enkele weken later schrijft hij een brief aan Max Friedländer waarin hij meldt dat hij het schilderij van Pieter Bruegel de Oude verworven heeft, nl. 'Dulle Griet', zoals het door Karel van Mander beschreven werd.
Plaats in het oeuvre Na zijn reis naar Italië (tussen 1552 en 1554) begon Bruegel als tekenaar van landschappen bij prentuitgever Hieronymus Cock in Antwerpen. In het midden van de 16de eeuw was de vraag naar prenten van Jheronimus Bosch zeer groot en misschien was het Cock die Bruegel ertoe aanzette om op die vraag in te spelen. In 1556-1557 werkte Bruegel aan een reeks met de Zeven Hoofdzonden als thema. Deze reeks werd omgezet in gravures en in 1558 uitgegeven door Hieronymus Cock en later vele malen herdrukt wegens de grote populariteit. Rond 1560 koos Bruegel ervoor om zich min of meer voltijds op zijn loopbaan als schilder te concentreren. Hij begon met zijn zeer bekende Wimmelbilder, namelijk de Spreekwoorden (1559), De Strijd tussen Vasten en Vastenavond (1559) en de Kinderspelen (1560). Daarna volgde Dulle Griet in 1563 met de hel als achtergrond. In 1562 schilderde hij De val der opstandige engelen met de hemel als achtergrond en de Triomf van de Dood met de aarde als achtergrond op hetzelfde formaat. Thematisch en stilistisch horen deze drie schilderijen bij elkaar met hun demonisch en Boschiaans karakter. In de jaren daarna volgden dan de bekende boerenschilderijen die Bruegel uiteindelijk de bijnaam Boerenbruegel zullen opleveren.
Interpretatie Dulle Griet Hoewel Dulle Griet een van Bruegels bekendste schilderijen is, heeft het al veel kunstkenners en toeschouwers op een dwaalspoor gezet. Het werk laat zich op het eerste gezicht maar moeilijk begrijpen. Nochtans werd het al in 1604 geïnterpreteerd door Karel van Mander in zijn Schilder-Boeck.
Het gaat dus over een dulle Griet die een roof voor de hel doet. Dul betekent boos, woest, razend. De inscriptie dul op de ondertekening van het paneel, zou aantonen dat de titel afkomstig is van Bruegel zelf, maar een restauratie in 2018 leidde tot de conclusie dat de inscriptie dul niet daadwerkelijk op het schilderij staat maar toevallige strepen in de verf zijn.
Taalgeleerde Jan Grauls kwam tot het besluit dat de figuur van Griet afgeleid is van de heilige Margaretha van Antiochië die zich volgens de legende tegen duivels moest verweren. Dulle Griet is de personificatie van de kijvende vrouw die de baas wil spelen over haar man, een zeer populair thema in de komische literatuur van de middeleeuwen en de nieuwe tijd.
Een roof voor de hel doen is een oud Nederlands spreekwoord en het uitgangspunt van dit schilderij. Het staat in het boekje ‘Gemeene Duytsche Spreckwoorden’ dat P. Warnersen publiceerde in 1550 in Kampen: Sie solde wel een roof voer die Helle hale[n] ende coemen ongeschendet weder. De Mechelse rederijkerskamer De Lischbloeme voerde tijdens het Landjuweel van 1561 in Antwerpen een stuk op waarin vermeld wordt: En Griete die den roof haelt voorde helle. De dulle Griet verpersoonlijkte dus het kwade wijf, de helleveeg, die duivel noch hel ontziet en nergens voor terugdeinst. Ze komt zelfs roven tot voor de poorten van de hel en komt er nog mee weg ook. Dat is de reden waarom van Mander schrijft dat de Hel seer verbijstert siet, en vreemt op zijn schots toeghemaeckt is. Menig kunstkenner dacht dat deze zin op Dulle Griet sloeg, waarbij sommigen zelfs beweerden dat ze in Schotse klederdracht gekleed was! Maar de zin slaat veeleer op de Hel die verbijsterd naar Dulle Griet kijkt. Het woord schots vinden we nog terug in het gezegde schots en scheef, het betekent vreemd, raar, gek. De Hel ziet er inderdaad heel vreemd uit, bijvoorbeeld de oogleden van houten planken.
Dat de vrouwen op dit schilderij geen ontzag hebben voor de hel of de duivel blijkt ook uit het ander spreekwoord dat hier getoond wordt: Ze zou de duivel op een kussen binden ofwel ‘ze weet met elke man raad’. Bruegel heeft dit tafereel trouwens al eens afgebeeld op de Spreekwoorden uit 1559. Heel toepasselijk is ook dit spreekwoord uit het tweetalige ‘Les Proverbes anciens flamengs et françois’ van François Goedthals, gedrukt bij Plantijn in 1568 te Antwerpen (p. 69): Eene vrauwe maeckt rage, twee eene drivage, drie eene iaermaert, viere een kivage, vijve een heer, ieghens sesse en heeft den duvel gheen geweer (Een vrouw maakt kabaal, twee een hoop moeilijkheden, drie een jaarmarkt, vier een ruzie, vijf een leger en tegen zes heeft de duivel geen verweer). Een ander spreekwoord op de Spreekwoorden dat ook terug te vinden is bij Dulle Griet is in het harnas steken ofwel ‘woedend zijn’, vandaar haar borstkuras. Haar ijzeren handschoen zou verwijzen naar iets met ijzeren handschoenen aangrijpen ofwel ‘iets met doortastendheid, geweld aanpakken’. In haar rechterhand steekt ze een zwaard vooruit. Grauls ontdekte in ‘Les Proverbes anciens flamengs et françois’ (p. 54) het spreekwoord: Il yroit à l’enfer l’épée au poing (Hij zou in de hel gaan met het zwaard in de hand) als equivalent van Eenen roof voor d’helle halen.
Hoofdzonden thumb|De gramschap (Ira), prent uit de reeks Zeven Hoofdzonden Het valt op dat er een grote gelijkenis is tussen het schilderij Dulle Griet en de tekening Ira uit de reeks van de Zeven Hoofdzonden. Bij uitbreiding kunnen we zelfs stellen dat dit quasi geldt voor alle Zeven Hoofdzonden. Telkens zien we een vrouwenfiguur op de voorgrond en een reuzenfiguur op de achtergrond, omgeven door helse scènes in de traditie van Bosch. Veel van die scènes worden herhaald in Dulle Griet.
Ira (Gramschap): De gelijkenis tussen Dulle Griet en de allegorische figuur Ira, de klok in de boom, het scheeps- en oorlogstuig, de stormhelm, de grote ketel, de schuit met daarin een sfeer. Avaritia (Hebzucht): Het hoofddeksel van de Hel lijkt op de trompetvormige kooi met sierlijk gebogen tak, daarnaast ook de pad en het geld dat naar beneden valt. Desidia (Luiheid): De reus die met stokken wordt aangepord om zich te ontlasten (de uitbeelding van schuttingtaal “He is too lazy to shit”) lijkt goed op de zittende reus achter Dulle Griet die zichzelf ontlast door het geld uit zijn achterste te scheppen. Superbia (Hoogmoed): Er is een zekere gelijkenis tussen het hellegebroed dat kruipt uit een ei met pootjes en het ei waarin een aantal vogeltjes piepen. Gula (Gulzigheid): De Hel bij Dulle Griet lijkt goed op de molen op de achtergrond van Gula. Beide hebben een grote opengesperde mond die gevuld wordt, een goed oog en een oog dat vervangen werd door een rond glasraam. Op de achtergrond staat een grote bierkan, terwijl bierkannen ook duidelijk in beeld komen op Gula. Invidia (Afgunst): Op beide worden gebouwen bestormd met ladders en vallen monstertjes aan met kruisbogen. Typisch voor afgunst is namelijk dat men het bezit van een ander wil vernielen. Luxuria (Lust): Het mond-anusmannetje, het duiveltje dat met opengesperde beentjes zijn achterwerk toont, het vrijende koppel in de glazen sfeer en het minnende paartje ongeveer in het midden komen op beide werken voor.
De grote gelijkenis tussen scènes op Dulle Griet en de Zeven Hoofdzonden doet vermoeden dat Bruegel in Dulle Griet een samenvatting geeft van de zeven hoofdzonden. Dulle Griet zelf is duidelijk een symbool voor gramschap (dul), hoogmoed (Griet als de bazige vrouw), hebzucht (roven tot voor de hel) en hier kan eventueel ook afgunst aan gekoppeld worden. Haar rode neus, het vaatwerk en de grote pan in haar buit kunnen wijzen op gulzigheid. Misschien verwijst de losse riem in de buit naar een losse gordel en dus losbandige seksualiteit of lust, maar dit lijkt eerder vergezocht. De verwijzing naar de lust is veel duidelijker te zien in de exhibitionistische duiveltjes en minnende koppeltjes. De plunderende vrouwen gedragen zich als kleine Grietjes en worden evenals hun leidster gedreven door afgunst en hebzucht. Fysieke luiheid is niet onmiddellijk te vinden in Dulle Griet, maar de oorspronkelijke hoofdzonde was morele luiheid en dan vooral luiheid in het geloof. Het is duidelijk dat Dulle Griet het geloof verwaarloost, want haar zondig gedrag en haar ‘roof voor de hel’ wijzen erop dat ze geen cent geeft om de Dag des oordeels.
De Reus thumb|De Reus De Reus op de achtergrond is nog moeilijker te interpreteren dan Dulle Griet. Wel is het duidelijk dat hij de tegenpool vormt van Dulle Griet: zij schraapt alles bij elkaar, hij gooit alles weg. Nochtans worden verkwisting en verspilling eerder met vrouwen geassocieerd. Dat is ook de reden waarom de Reus met stoppelbaard roze vrouwenkleding draagt en een grote pollepel vasthoudt, een typisch attribuut van huisvrouwen. Dulle Griet is de vrouw die zich als man gedraagt, de Reus is de man die zich als vrouw gedraagt. Het hele schilderij ademt trouwens die sfeer van een omgekeerde wereld uit. Sellink zegt hierover: Het spotten met de traditionele man-vrouwrelaties en het omkeren van de alom geaccepteerde hiërarchische verhouding tussen de seksen was in de zestiende eeuw in de Nederlanden erg populair. Talloze afbeeldingen van ‘vrouwenlisten’ en van vrouwen die letterlijk en figuurlijk de broek dragen getuigen daarvan.
Met zijn pollepel schept de Reus geldstukken uit zijn achterste. Volgens Grauls wordt hier het spreekwoord opscheppen met de grote pollepel in beeld gebracht. Dit verwijst naar verspilling en verkwisting. De Reus strooit namelijk kwistig zijn geld in het rond. Later zal ‘opscheppen’ het synoniem worden voor overdrijven, snoeven. Nog beter past hier het spreekwoord (zijn goed) door de billen lappen, dit is geld verkwisten of verteren door goede sier te maken.WNT Lappen (II) http://gtb.inl.nl/iWDB/search?actie=article&wdb=WNT&id=M036376&lemmodern=lappen