thumb|Stadslandbouw op het dak van een gebouw in Saint Louis (Missouri) thumb|Stadshoeve "De tuin" in Tilburg Stadslandbouw is het telen, oogsten en afzetten van voedsel in of in de nabijheid van een stad. Onder stadslandbouw valt ook veeteelt en de kweek van vissen voor consumptie. In tegenstelling tot de volkstuin is in de stadslandbouw het uitgesproken verband met een individueel perceel losgelaten. Zo kan men door middel van moestuinbakken en kweektafels groenten, fruit en kruiden kweken op daken, terrassen en balkons in de stad. Door middel van verticaal tuinieren kan dit ook op kleine ruimtes en langs muren.
Geschiedenis De oorsprong van de stadslandbouw kan teruggevoerd worden tot de hangende tuinen van Ninive in de Oudheid. In West-Europa is de 19e-eeuwse volkstuinbeweging te beschouwen als een vroege vorm van stadslandbouw.
Historisch gezien is de ontwikkeling van stad en landbouw onlosmakelijk met elkaar verbonden. In 1826 schreef Johann Heinrich von Thünen het boek "Der isolirte Staat in Beziehung auf Landwirthschaft und Nationalökonomie". Hierin ontvouwt hij zijn model van economisch-geografische kringen rond een markt van landbouwproducten. De binnenste kring met groente- en fruitteelt en melkveehouderij levert verse producten over korte afstand aan de markt. Met de opkomst van markten en handel in Europa ontwikkelden zich vanaf het jaar 1000 belangrijke steden rond markten. "De boeren konden hun goederen gaan verhandelen. Ze verkochten groenten, graan, vlees, wijn of wol op de markt. Deze werd meestal gehouden op plaatsen waar verschillende wegen elkaar kruisten. Op zo’n plek kon een stad ontstaan. Omdat hier ook mensen waren die de producten van de boeren konden verwerken. Deze mensen waren ambachtslieden. Zij waren bijvoorbeeld bakker, wever, timmerman of smid. De ambachtslieden waren lid van hun eigen vereniging. Deze verenigingen noemen we gilden. In de gilden werden jonge jongens opgeleid tot ambachtsman.De belangrijkste handelssteden in deze tijd noemen we Hanzesteden. Een Hanze is een Middeleeuws samenwerkingsverband van handelaren en steden. In deze steden werd niet alleen de lokale oogst verkocht. Er werden ook producten uit het buitenland ingevoerd en verkocht. Brugge is een voorbeeld van een Hanzestad. In Brugge werden wollen lakens gemaakt en verhandeld. Hiervoor hadden ze wol nodig. Maar er was op een gegeven moment niet genoeg wol in Vlaanderen. Daarom importeerden zij de wol uit Londen. Londen was ook een belangrijke Hanzestad. In Nederland hadden we ook Hanzesteden. Enkelen hiervan zijn: Zutphen, Arnhem, Nijmegen, Deventer, Groningen, Hindeloopen en Stavoren. Al deze steden waren makkelijk bereikbaar over het water. Deze steden hebben allen dus een rijke geschiedenis die terug gaat tot de Middeleeuwen.Met name tuinbouw (teelt van groente en fruit door "warmoezeniers") is daarom begrijpelijkerwijs vanouds rond en in steden te vinden.miniatuur|Stadstuinderij 'De Kring' in 1996
Ontwikkelingen van de afgelopen decennia. In Nederland stelde Rinus van de Waart, destijds bedrijfsleider van Unifarm, een facilitair bedrijf van de Landbouw Universiteit, in 1995 een akker van anderhalve hectare op De Westberg in Wageningen beschikbaar aan Dirk Jan Adrichem. Ter ondersteuning en verspreiding van deze vorm van stadslandbouw werd door Wouter Kamphuis en Dirk Jan Adrichem in 1995 Stichting InsideOut in het leven geroepen. Een jaar eerder had laatstgenoemde met Cor Adrichem opgericht, een soort collectieve volkstuin, waar deelnemers gewassen oogstten, die biologisch-dynamisch werden verzorgd door specialisten. Dit was een vorm van gemeenschapslandbouw, die in de angelsaksische literatuur community supported agriculture (CSA) wordt genoemd.
In 1997 maakte Jolien Perotti (voormalig medewerker van Coöperatie Odin) reclame voor CSA en bood De Kring de parapluterm Per(otti)golalandbouw aan. Volgens Jolien was De Kring de aanduiding CSA waardig.
De Kring legde in 1996 de eerste biologische wijngaard in Nederland aan, verzorgd door specialist Jan Oude Voshaar. Het bedrijfsconcept van De Kring bleek levensvatbaar en werd in 1998 na hun incubatie binnen De Kring voortgezet met de echoënde namen Nieuwe Ronde (Klaas Nijhof) en Wijngaard Wageningse Berg. Van de Waart, Nijhof en Oude Voshaar hullen zich in de veren van De Kring. Met listig uitgekiende formuleringen sluipt geschiedvervalsing binnen in de website van De Nieuwe Ronde ("De Nieuwe Ronde is 1998 gestart als een van de eerste Community Shared Agriculture (CSA) tuinen in Nederland en is nu de oudste tuin in Nederland die werkt met zelfoogstabonnementen"), de website van Wagenings Wijngoed ("Sinds 1998 de eerste wijngaard boven de Nederlandse rivieren", "In juni 1998 is deze eerste biologische wijngaard boven de grote rivieren in Nederland aangeplant door Jan Oude Voshaar") en uiteindelijk ook in de Wikipedia-pagina over Wijngaard Wageningse Berg ("Wijngaard Wagenings Wijngoed op de Wageningse Berg is de eerste biologische wijngaard in Nederland, te Wageningen").
Er ontstonden lokaal meer tuinderijen, zoals De Ommuurde Tuin (1999, Renkum), Kwekerij en Pluktuin Bloemrijk (2007, Wageningen), Pluktuin de Bosrand (Wageningen), Stadsakker Wageningen (2024, Wageningen), De Wilde Peen (2018, Ede) en De Egel (2026, Bennekom). Geschoeid op dezelfde leest waren er in 2026 364 biologische zelfpluktuinen, In Gelderland 55, Utrecht 54, Zuid-Holland 46, Overijssel 43, Noord-Holland 40, Noord Brabant 36, Zeeland 31, Friesland 23, Limburg 20 en Groningen 16. Dat het "Kringconcept" levensvatbaar is, blijkt uit deze getallen. De belangstelling, die is zo groot, dat er wachtlijsten van 3 tot 6 jaar voorkomen. Vanaf 2008 verschijnt een tijdschrift gewijd aan stadslandbouw. Ook de WUR boog zich over stadslandbouw. Overheden, zowel gemeentelijk als landelijk, kregen oog voor voedselstrategie.
Voornoemde stadstuinderijen werken allemaal biologisch (wettelijk beschermd keurmerk onder SKAL-controle) of agro-ecologisch (onbeschermd). Zonder dit zo te noemen, werkte tot honderdvijftig jaar geleden de landbouw uitsluitend "biologisch". Daarna heeft landbouwwetenschap in toenemende mate chemische toepassingen voor de landbouw ontdekt. Ureum is een (planten-)meststof. In 1827 wordt ureum voor het eerst beschreven als "sal nativus urinae" door Herman Boerhaave. In 1828 wordt ureum als eerste organische verbinding gesynthetiseerd door Friedrich Wöhler. Hiermee was het laatste uur geslagen voor de tot dan toe breed gedragen filosofie van levenskracht (vis vitalis). Dit vitalisme klinkt heden nog door in de term organische chemie, waarvan Justus von Liebig als een van de grondleggers wordt beschouwd. Von Liebig ontwikkelt zich tot "founding father" van de kunstmestindustrie. Tegen ziekten en plagen ontwikkelt zich ook een chemische industrie voor bestrijdingsmiddelen. Een meer consequente aanduiding voor de "moderne" landbouw zou daarom "chemische landbouw" of "niet-biologische landbouw" zijn.
Recente ontwikkeling. Een achilleshiel van biologische landbouw is de benodigde hoeveelheid werk voor grond- en gewasverzorging. Prijsconcurrentie met de chemische (niet-biologische) landbouw dwingt daarom tot besparing op arbeidskosten. Een antwoord hierop is de "compass" van Floris Schoonderbeek. Prille ontwerpen van deze werktuigcarrousels voor precisielandbouw werden in de jaren 90 binnen stadstuinderij De Kring gemaakt en beproefd. Dankzij een schenking van 60.000 euro door Toyota in de periode 2006 - 2007 kon Jan Slinsky] het Agrokruh-systeem bouwen om daarmee binnen een gebied van 15 ha, gelegen aan de Kleine Danube rivier, 30 km van Bratislava in een Zuid-West-Slowakije, zijn tuinderijdroom van biologische groenteteelt te realiseren met 2 ha verdeeld over 15 gewascirkels. Dit systeem van 5 verplaatsbare, 18 meter lange werktuigcarrousels wordt op dit moment voor 120.000 euro aangeboden door Agrokruh.
In navolging van wat in New York in public gardens gedaan werd, was kunstenaar en trendonderzoeker Natascha Hagenbeek in 2010 een van de eersten in Nederland die met een gemeenschappelijke moestuin in het centrum van de stad begon te pionieren. Een belangrijke grondstof wat het groente-, tuin- en fruitafval van de betrokken huishoudens dat als compost in de grond verwerkt werd. Daar kwam een winkel bij waar de verbouwde groenten werden verkocht.
In de loop van de jaren kreeg dit project navolging in andere steden. Hagenbeeks project haalde in 2022 de 82e plaats op de duurzame 100-lijst van Trouw.
Een begrip in ontwikkeling De stadslandbouw is begin jaren 2020 sterk in ontwikkeling. Daardoor doen er verschillende definities de ronde. Zo kan stadslandbouw beperkt worden tot die vormen van voedselproductie die professioneel beoefend wordt. Een andere benadering kiest voor een veel ruimere omschrijving waarbij ook de voedselproductie als hobby er onder valt.
Stadslandbouw maakt als geheel onderdeel uit van het streven naar verduurzaming. Daarom wordt het gebruik van duurzame productiemethoden vaak als een basisvoorwaarde gezien om een vorm van landbouw aan te merken als stadslandbouw. Stadslandbouw kan een bijdrage leveren aan de voedselopgave die onder druk staat door een veranderend klimaat en een voortdurend groeiende wereldbevolking. Daarnaast levert stadslandbouw ook verse seizoensgebonden producten op en voegt daarmee kwaliteit toe aan het dagelijks voedsel.
Stadslandbouw heeft ook een sociaal culturele dimensie; consumenten kunnen betrokken zijn bij de productie van voedsel. Dat kan recreatief of educatief, maar ook als betaalde arbeid of als zelfstandig ondernemer. Bij een zeer brede definitie te hanteren vallen ook stadstuintjes, balkontuintjes en de kweek in potjes op de vensterbank onder stadslandbouw.
Stadslandbouw geeft anno 2026 ruimte aan een scala van adviseurs, subsidiegevers, opleiders en coaches.
Zie ook Guerrilla gardening Voedselpark Amsterdam
Categorie:Landbouw