Het gouvernement Koetais of Koetaisi (Russisch: ; ; Georgisch: , ) was van 1846 tot 1917 een gouvernement (goebernija) van het keizerrijk Rusland in het westen van het onderkoninkrijk van de Kaukasus, wat overeenkomt met het westen van Georgië. De hoofdstad was Koetaisi.

Geografie Het gebied verenigde een aantal cultuurhistorische Georgische gebieden, zoals Imeretië, Goeria, Mingrelië, Ratsja, Letsjchoemi, Svanetië, terwijl ook Abchazië en het historische Tao-Klardzjeti enige tijd deel uitmaakten van het gouvernement. De kern van het oorspronkelijke gouvernement lag in de vruchtbare Colchis-vlakte in het bekken van de rivier de Rioni, de belangrijkste rivier in het westen van Georgië.

Het laagland was landinwaarts vruchtbaar. Het noorden van het gebied werd gedomineerd door deelgebergtes van de Grote Kaukasus, zoals het Ratsjagebergte en Letsjchoemigebergte, en in het zuiden het Meschetigebergte van de Kleine Kaukasus en het grensgebied met het Armeens Hoogland. In het westen lag de Zwarte Zee en in het oosten het Lichigebergte, de historische natuurlijke grens met Oost-Georgië, wat in dit tijdperk de grens met het gouvernement Tiflis. De later toegevoegde districten Batoemi en Artvin in het zuidwesten waren bergachtig met diepe kloven van de Tsjorochi.

Geschiedenis Het Russische Rijk voerde haar bestuurlijke indeling in met de verovering en annexatie vanaf 1801 van Georgische koninkrijken en andere delen van Transkaukasië. In 1804 annexeerde ze het West-Georgische koninkrijk Imeretië, gevolgd door aangrenzende vorstendommen in daaropvolgende decennia. De nieuwe heersers vormden het koninkrijk in 1810 om in het oblast Imeretië. In 1840 werd het oblast samengevoegd met het oostelijke gouvernement Georgië tot het gouvernement Georgië-Imeretië.

In 1846 splitste het keizerlijke gezag in Transkaukasië dit gebied in de gouvernementen Tiflis en Koetais, waarmee de historisch Georgische gebieden geografisch gedeeld werden in een oostelijk en westelijk gouvernement. Koetaisi was historisch de hoofdstad van West-Georgische koninkrijken en was onder het Russisch gezag ook het centrum van West-Georgië. Met de consolidatie van de Russische macht in het westen van Georgië werd het gouvernement uitgebreid.

Infrastructuur miniatuur|De bouw van de spoorwegen gaf een blangrijke impuls aan de economie. Spoorlijn Shorapani - Tsjiatoera voor mangaanerts (ca 1900). Belangrijke vervoersverbindingen in en door het gouvernement werden in deze periode tot stand gebracht. De eerste Georgische spoorlijn opende in 1872 tussen Tiflis en Poti, waarna in 1883 ten behoeve van olietransport uit Bakoe naar de Zwarte Zeehavens een aftakking tussen Samtredia en Batoemi opende. Kort daarna openden ook spoorlijnen naar de mijnbouwsteden Tsjiatoera en Tkiboeli. De spoorverbindingen naar de havens van Batoemi en Poti waren belangrijk voor de export van lokale producten en de olie uit Bakoe.

Na decennia aanleg opende in 1889 de Osseetse Militaire Weg tussen Alagir (Noord-Ossetië, Rusland) en Koetaisi via de 2820 meter hoge Mamisonpas als alternatief voor de Georgische Militaire Weg. Het Georgische segment van deze weg is tegenwoordig de nationale route Sh16.

Economie miniatuur|De haven van Batoemi. miniatuur|In Goeria (Ozoergeti) en bij Batoemi werd thee verbouwd (Tsjakvi, 1905-1915). Koetais was in de 19e eeuw het dichtstbevolkte gebied van Transkaukasië en was voornamelijk agrarisch met een slecht ontwikkelde industrie. Het land was sterk verkaveld en behaalde dankzij de goede landbouw hoge prijzen op de markt. De belangrijkste gewassen waren maïs, tarwe, gerst, bonen, rogge, hennep, aardappelen en tabak. Daarnaast was er wijnbouw en kwamen er boomgaarden van olijfbomen, moerbeibomen en andere fruitbomen voor, ook exotische planten als eucalyptus, kurkeik, camelia en thee. Maïs, wijn en hout werden grotendeels geëxporteerd.

Mangaanerts was het belangrijkste mineraal en werd met name in Tsjiatoera in grote hoeveelheden gewonnen voor de export. Eind 19e eeuw opende daarvoor een smalspoorlijn vanaf Sjorapani aan de centrale spoorlijn. In het gouvernement werd ook steenkool, lood- en zilvererts, koper, nafta, goud, lithografisch gesteente en marmer gewonnen. De havens van Batoemi en Poti waren de belangrijkste in de Kaukasus. Andere belangrijke handelscentra waren de Samtredia en Choni.

Demografie Volgens de Russische volkstelling van 1897 woonden er op dat moment 1.058.241 mensen in het gouvernement, inclusief de okroegen Artvin, Batoemi en Soechoemi. De urbanisatiegraad was negen procent. Er waren zes plaatsen met een stedelijke (urbane) status, namelijk Koetaisi, Batoemi, Soechoemi, Ozoergeti en Poti, Kvirili en de militaire kustplaats Redoet-Kale. Demografie van het gouvernement Koetais Jaar Totaal Kartveliërs Abchaziërs Armeniërs Grieken Joden Osseten Russen Turken Georgiërs Mingreliërs Svaneten 1886 923.306 567.224(61,4%) 214.499(23,2%) 14.035(1,5%) 60.432(6,5%) 16.399(1,8%) 6.603(7,0%) 7.082(0,8%) 3.595(0,4%) 4.907(0,5%) 28.364(3,1%) 1897 1.058.241 614.442(58,1%) 238.655(22,6%) 15.669(1,5%) 59.469(5,6%) 24.043(2,3%) 14.482(1,4%) 7.006(0,7%) 4.240(0,4%) 23.443(2,2%) 46.665(4,4%) 1913 1.008.500 Verantwoording data: Statistiek bevolking Transkaukasus 1886; Russische volkstelling van 1897; Atlas 1913;

Etniciteit en religie miniatuur|In het gouvernement woonden verschillende etnografische minderheden. Afgebeeld Goeriaanse militie (1887). Het gouvernement Koetais was multi-etnisch, maar had ten opzichte van het Oost-Georgische gouvernement Tiflis verschillende accenten. De Kartveliërs vertegenwoordigden drie kwart van de bevolking. Hieronder bevonden zich verschillende Georgische regionale etnografische minderheden, waaronder de Adzjaren, Goerianen, Imeretiërs, Mingreliërs en Svaneten. Zij woonden voornamelijk in hun respectievelijke streken.

Een andere belangrijke regionale minderheid waren de Abchaziërs, die voornamelijk in het okroeg Soechoemi (Abchazië) woonden. De Osseten woonden vrijwel allemaal in het okroeg Letsjchoemi. De (Ottomaanse) Turken woonden vrijwel allemaal in Artvin, waar ook een groot deel van de bevolking Adzjaars was. Ondanks dat de Russen vanaf 1810 de belangrijkste kerndelen van het gouvernement controleerden, nam het aantal Russen pas aan het eind van de 19e eeuw significant toe.

In de volkstelling van 1897 gaf 85 procent aan tot een orthodoxe kerk te behoren (Russisch en Georgisch). Ruim elf procent was aanhanger van de islam en een kleine twee procent Armeens-apostolisch. Kleinere religieuze denominaties waren het jodendom (0,8%), de Armeens-Katholieke Kerk (0,5%) en Rooms-Katholieke Kerk (0,4%).

Bestuurlijke indeling

Bij haar oprichting op 14 december 1846 (O.S.) bestond het gouvernement uit vijf oejezden (provincies), namelijk Koetais, Achaltsiche, Ozoergeti, Ratsja en Sjorapani. Deze oejezden waren op hun beurt weer ingedeeld in oetsjastoks, districten die ook wel werden aangeduid als politiedistrict. Aan het hoofd van Koetais stond een gouverneur die door de onderkoning van de Kaukasus werd benoemd. De omvang en indeling van het gouvernement Koetais wijzigde met de decennia door toevoegen en afsplitsen van provincies.

Na de val van het tsaristische bewind hield het gouvernement op te bestaan, maar de provincies bleven tot de bestuurlijke hervorming van de Sovjet-Unie in 1929-1930 bestaan, ook tijdens de republiek Georgië (1918-1921).

Belangrijkste wijzigingen miniatuur|Het gouvernement Koetais werd door de jaren uitgebreid. In 1903 kromp Koetais terug tot haar kerngebied Imereti, Mingrelië, Letsjchoemi, Ratsja en Svanetië. De vorstendommen Abchazië, Mingrelië (Samegrelo) en Svanetië waren in de eerste helft van de 19e eeuw protectoraten van het Russische Rijk met vergaande autonomie. Na de Krimoorlog werd in Mingrelië en Svanetië lokaal verzet tegen het Russische gezag verslagen en werden de vorstendommen afgeschaft. Ze werden omgevormd naar het Russische bestuursmodel en ondergeschikt gemaakt aan het gouvernement Koetais met een aantal nieuwe provincies: Letsjchoemi, Senaki en Zoegdidi.

Met het einde van de Kaukasusoorlog in 1864 werd ook Abchazië als vorstendom afgeschaft. Het werd in 1866 het "Militair District Soechoemi", dat civiel onder het gezag van het gouvernement Koetais kwam. In 1883 werd het omgevormd in okroeg Soechoemi. De oejezd Achaltsiche werd inclusief Achalkalaki in 1867 overgeheveld naar het gouvernement Tiflis. In 1883 kwam de zuidwestelijke oblast Batoemi onder het bestuur van Koetais, als de okroegen Batoemi en Artvin. Het gebied was in de Russisch-Turkse Oorlog (1877-1878) door de Russen op het Ottomaanse Rijk veroverd. Hiermee kreeg Koetais haar grootste omvang.

Indeling vanaf 1883

Na de veranderingen in 1883 had Koetais zeven oejezden en drie okroegen met in totaal 35 oetsjastoks. Het totale gebied was met 31.245 werst² (36.176 km²) een flink stuk groter dan in 1846. Vanaf 1903 vielen Artvin, Batoemi en Soechoemi niet meer onder het gouvernement maar waren direct ondergeschikt aan de onderkoning van de Kaukasus. Artvin en Batoemi vormden gezamenlijk weer het oblast Batoemi. Bestuurlijke onderverdeling gouvernement Koetais vanaf 1883 Deelgebied Bestuurlijkcentrum Opp.km²(1897) Inwoners 1886 1897 1913 1 Oejezd Koetais Koetaisi 3.400 193.426 254.141 256.218 2 Oejezd Letsjchoemi Lentechi 4.741 46.300 47.779 58.239 3 Oejezd Ozoergeti Ozoergeti 2.254 75.846 90.326 103.410 4 Oejezd Ratsja Oni 2.847 64.255 60.421 87.012 5 Oejezd Senaki Senaki 1.993 103.576 115.785 130.591 6 Oejezd Sjorapani Kvirila 3.014 147.265 156.633 176.199 7 Oejezd Zoegdidi Zoegdidi 2.711 105.355 114.869 125.082 Poti (stad) 4.709 8 Okroeg Artvin Artvin 3.389 52.434 56.140 9 Okroeg Batoemi Batoemi 3.554 61.367 116.952 10 Okroeg Soechoemi Soechoemi 8.273 68.773 106.179 Totaal 36.176 923.360 1.058.241 936.751Verantwoording data: telling Transkaukasus 1886; Russische volkstelling 1897; Kaukasische kalender 1898; Kaukasische kalender 1913;

Zie ook Koninkrijk Imeretië (1298-1810) Onderkoninkrijk van de Kaukasus (1801-1917)

Referenties

Koetaisi Categorie:Onderkoninkrijk van de Kaukasus (1801-1917)