De Portugese grammatica, de morfologie en syntaxis van de Portugese taal, lijkt sterk op de grammatica van de meeste andere Romaanse talen – Spaans en Galicisch in het bijzonder. Het is een synthetische en inflectionele taal.
Zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden, voornaamwoorden en lidwoorden worden beperkt verbogen: er zijn twee geslachten (mannelijk en vrouwelijk) en twee getallen (enkelvoud en meervoud). Het naamvalsysteem van het Latijn is verdwenen, maar van sommige persoonlijke voornaamwoorden bestaan drie verschillende vormen: onderwerp, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp. Het merendeel van de zelfstandige naamwoorden en een hoop bijvoeglijke naamwoorden kunnen verkleinende en vergrotende derivationele achtervoegsels aannemen en de meeste bijvoeglijke naamwoorden kunnen een derivationeel achtervoegsel van de vergelijkende trap aannemen. Bijvoeglijke naamwoorden komen normaliter na het zelfstandige naamwoord.
Er zijn drie werkwoordstijden (verleden, heden, toekomst), drie wijzen (aantonende, aanvoegende en gebiedende wijs), drie aspecten (voltooid, onvoltooid en voortdurend) en een verbogen infinitief – uniek voor het Portugees. Portugees is in principe een SVO-taal, hoewel er ook SOV-constructies kunnen voorkomen. Het Portugees uit Portugal is een nulonderwerp-taal, terwijl in het Portugees uit Brazilië vaak wel een onderwerp staat. Voornaamwoorden worden in de omgangstaal ook weggelaten. Het Portugees heeft twee koppelwerkwoorden.
Het heeft een aantal grammaticale kenmerken die het onderscheiden van andere Romaanse talen, zoals een synthetische voltooid verleden tijd en een toekomende tijd in de aanvoegende wijs.
Zinsstructuur Woordsoorten Zoals in de meeste Indo-Europese talen, waaronder ook Engels en Nederlands, wordt het grootste deel van het Portugese lexicon onderverdeeld in vier woordsoorten: werkwoorden, zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden. Dit zijn zogenaamde "open" woordsoorten: er kunnen gemakkelijk nieuwe woorden aan worden toegevoegd.
Er is ook een aantal kleine gesloten woordsoorten, zoals voornaamwoorden, voorzetsels, lidwoorden, aanwijzende voornaamwoorden, telwoorden, voegwoorden en een aantal losstaande woorden, zoals eis ("hier is", zoals het Latijnse ecce en het Franse voilà), cadê ("waar is"), tomara ("laten we hopen") en oxalá ("laten we hopen dat").
Binnen de vier grootste woordklassen zijn er veel semi-regelmatige mechanismen om nieuwe woorden van bestaande woorden af te leiden. Soms wordt hierbij de woordsoort veranderd, zoals bij medir ("meten") → medição ("meting"), piloto ("piloot") → pilotar ("besturen").
Onderwerp, lijdend voorwerp, complement Het centrale element van bijna elke Portugese zinsnede is een werkwoord, dat verbonden kan zijn aan een, twee, of (soms) drie zelfstandige naamwoorden, het zogenaamde onderwerp, het lijdend voorwerp en het complement. De standaardvolgorde van deze elementen in het Portugees is onderwerp-werkwoord-lijdend voorwerp (SVO, zoals in voorbeeld (1) en (2) hieronder), of, als er ook een complement in de zin voorkomt, onderwerp-werkwoord-lijdend voorwerp-complement (SVOC — voorbeelden (3) en (4)): (1) {A Maria}S {ama}V {o Paulo}O, "Maria houdt van Paulo." (2) {O pedreiro}S {construiu}V {a casa}O, "De metselaar heeft het huis gebouwd." (3) {O presidente}S {nomeou}V {Pedro}O {ministro}C, "De president heeft Pedro aangesteld als minister." (4) {Ela}S {achou}V {o livro}O {uma chatica}C, "Ze vond het boek saai." Elk van de drie andere elementen dan het werkwoord kunnen worden weggelaten als de context dat toelaat, maar veel grammaticale regels blijven gelden alsof het weggelaten deel er nog steeds is.
Nulonderwerp-taal In tegenstelling tot het Nederlands, is Portugees een nulonderwerp-taal. Dit houdt in dat het toegestaan en soms zelfs verplicht is om een expliciet onderwerp weg te laten. Dit geldt voor het Portugees uit Portugal meer dan voor het Portugees uit Brazilië.
In het Portugees wordt de grammaticale persoon weergegeven in de vervoeging van het werkwoord. Soms wordt het toch in een zin gebruikt om nadruk te geven. Sommige zinnen staan helemaal geen onderwerp toe en in andere gevallen klinkt het vreemd en onnatuurlijk: "Ik ga naar huis" kan worden vertaald als Vou para casa of als Eu vou para casa, waar eu "ik" betekent. "Het regent" kan worden vertaald als Está a chover, maar niet als Ele está a chover, waar ele hier staat voor het Nederlandse "het". "Ik ga naar huis. Ik ga tv kijken." wordt alleen in speciale omstandigheden vertaald als Eu vou para casa. Eu vou ver televisão. In de meeste gevallen wordt op zijn minst de tweede eu ("ik") weggelaten. Net als in veel andere nulonderwerp-talen, wordt het onderwerp vaak achter in de zin geplaatst, met name in antwoorden op vragen en contrasterende structuren: Existem muitos ratos aqui! ("Er zijn veel muizen hier") Quem é que foi? Fui eu. ("Wie was het? Ik was het.") Ela não comeu o bolo, mas comi eu. ("Zij heeft de taart niet gegeten, maar ik.")
Soorten zinnen Ja/nee-vragen hebben dezelfde structuur als stellende zinnen, die het minst gemarkeerd zijn—net als in de meeste talen. Het enige verschil is de intonatie, waarbij de klemtoon aan het einde van de zin valt. De vraagzinnen worden in schrift gemarkeerd met een vraagteken («?»). Zogenaamde w-vragen beginnen vaak met quem ("wie"), o que ("wat"), qual ("welke"), onde ("waar"), aonde ("waarheen"), quando ("wanneer"), porquê ("waarom") etc. Quem, o que en qual kunnen vooraf worden gegaan door alle voorzetsels, maar o que wordt hier vaak vervangen door que. In de gesproken taal, maar vaak ook in schrift, worden deze woorden gevolgd door é que (letterlijk "is [het] dat"; net als het Franse est-ce que).
W-vragen komen soms voor zonder w-beweging, waarbij de w-woorden op de originele plaats blijven. Hierbij worden o que en porque vervangen door o quê en porquê (dus met klemtoon). Bijvoorbeeld:
O que é que ela fez? of O que fez ela? "Wat heeft ze gedaan?" Ela fez o quê? "Wat heeft ze gedaan?", hierbij ligt de nadruk op "wat" Por quê? "Waarom?" Em que dia é que isso aconteceu? "Op welke dag is dat gebeurd?" Isso aconteceu em que dia? "Op welke dag is dat gebeurd?"
In het Braziliaanse Portugees wordt é que vaker weggelaten; in het Portugees uit Portugal vrijwel nooit.
Antwoord geven Não ("nee") is het natuurlijke ontkennende antwoord op ja/nee-vragen. Net als in het Latijn wordt vaak bevestigend geantwoord door het werkwoord uit de vraagzin te herhalen, maar dan aangepast aan de persoon en het getal van degene die antwoord geeft. Portugees is een van de weinige Romaanse talen die deze eigenschap van het Latijn heeft behouden. De bijwoorden já ("al"), ainda ("al") en também ("ook") worden ook herhaald als ze in de vraagzin staan.
V: Gostaste do filme? A: Gostei. / Não. V: "Vond je de film leuk?" A: "Ja.", letterlijk: "Ik vond [het] leuk." / "Nee." V: Eu não tinha deixado aqui uma chave? A: Tinhas! V: "Had ik hier geen sleutel laten liggen?" A: "Ja!", letterlijk: "[Dat] heb je!" V: Já leste este livro? A: Já. / Ainda não. V: "Heb je dit boek al gelezen?" A: "Ja", letterlijk: "Al." / "Nog niet."
Het woord sim ("ja") kan worden gebruikt om bevestigend te antwoorden, maar als het op zichzelf gebruikt wordt, kan het soms onnatuurlijk of onbeleefd overkomen. In Braziliaans en Europees Portugees kan sim na het werkwoord worden gebruikt voor nadruk. In Europees Portugees kan daarnaast ook het werkwoord worden herhaald voor extra nadruk. Daarnaast kunnen in beide varianten van het Portugees bijwoorden als muito ("erg") of muitíssimo ("heel erg") worden gebruikt als antwoord.
Het is ook mogelijk om sim vóór het werkwoord te zetten. In dit geval wordt geen nadruk gegeven en het komt formeler over.
V: Gostou do filme? A: Gostei, sim! V: "Vond je de film leuk?" A:"Ja" (Braziliaans en Europees Portugees) V: Gostaste do filme? A: Gostei, gostei! V: "Vond je de film leuk?" A:"Ja!"; letterlijk "Ik vond [het] leuk, ik vond [het] leuk!" (Europees Portugees) V: Há comboios a esta hora? A: Há, há! V: "Zijn er treinen op dit tijdstip?" A:"Ja!" (Europees Portugees) V: Ele gostou do filme? A: Sim, gostou... V:"Vond hij de film leuk?" A:"Ja..." (Braziliaans en Europees Portugees)
Lidwoorden Het Portugees heeft een bepaald en een onbepaald lidwoord, met verschillende vormen die worden bepaald door het geslacht en getal van het zelfstandige naamwoord waar ze bij horen.
{| class="wikitable" |rowspan=2| |colspan=2 align=center| enkelvoud |colspan=2 align=center| meervoud |rowspan=2 align=center| betekenis |- |mannelijk |vrouwelijk |mannelijk |vrouwelijk |- |bepaald lidwoord |o |a |os |as |de/het |- |onbepaald lidwoord |um |uma |uns |umas |een; een paar
De lidwoorden veranderen niet, ongeacht of het zelfstandig naamwoord dat erop volgt met een klinker of medeklinker begint, in tegenstelling tot andere Romaanse talen, zoals het Italiaans en Frans.
Het bepaalde lidwoord kan voor een zelfstandig naamwoord voorkomen in bepaalde contexten waar dit niet kan in het Nederlands, zoals bij eigennamen, zoals de namen van landen en organisaties. Ele visitou o Brasil, a China e a Itália, "Hij heeft Brazilië, China en Italië bezocht" Ele visitou o Rio, "Hij heeft Rio de Janeiro bezocht". A IBM patrocinou o MoMA, "IBM heeft MoMA gesponsord" Ele foi para o São Paulo, "Hij is naar (het voetbalteam van) São Paulo geweest" Maar: Ele visitou Portugal e Moçambique, "Hij heeft Portugal en Mozambique bezocht" Ele foi para São Paulo, "Hij is naar São Paulo (de stad of staat) geweest".
Het bepaalde lidwoord wordt altijd bij de namen van alle landen gebruikt, behalve bij Portugal, Angola, Cabo Verde, Moçambique and Timor. Bij buurlanden Espanha, França, Inglaterra en Itália is het gebruik van het lidwoord niet verplicht. Namen van steden en landen krijgen een lidwoord als de naam ook een woord is in het Portugees. Voorbeelden zijn o Porto ("haven"), a Madeira ("hout"), o Rio de Janeiro ("rivier") en o Recife ("rif"). Deze regels kunnen echter per dialect verschillen.
In veel variëteiten van de taal, waaronder alle Europese, worden de namen van personen ook voorafgegaan door een bepaald lidwoord—een eigenschap die ook in het Catalaans voorkomt. Het is een relatief recente ontwikkeling, die niet door alle Braziliaanse dialecten is overgenomen. Het lidwoord wordt bij formele gelegenheden en bij de volledige naam (voornaam en achternaam) weggelaten.
Zelfstandige naamwoorden Net als in alle andere westerse Romaanse talen worden zelfstandige naamwoorden in het Portugees verbogen om hun grammaticale functie weer te geven.
Getal en geslacht Zelfstandige naamwoorden zijn verdeeld over twee geslachten: mannelijk en vrouwelijk. Bijvoeglijke naamwoorden, lidwoorden en aanwijzende voornaamwoorden moeten worden verbogen in overeenstemming met het getal en geslacht van het zelfstandig naamwoord: esta linda casa branca ("dit mooie witte huis") este lindo carro branco ("deze mooie witte auto") estas lindas aves brancas ("deze mooie witte vogels") estes lindos gatos brancos ("deze mooie witte katten")
Deze regels gelden ook als bijvoeglijke naamwoorden met een koppelwerkwoord aan een zelfstandig naamwoord worden verbonden: esta casa é branca, ("dit huis is wit") tegenover este carro é branco ("deze auto is wit").
Bepaling van het geslacht Net als in alle andere Romaanse talen is het grammaticale geslacht van levenloze voorwerpen willekeurig. Het kan voorkomen dat het geslacht verschilt van dat van hetzelfde woord in een zustertaal. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de woorden árvore ("boom") en flor ("bloem"), die in het Portugees vrouwelijk zijn. Het Spaanse árbol en het Italiaanse fiore zijn mannelijk; mar ("zee") en mapa ("kaart") zijn mannelijk, terwijl mer en mappe in het Frans vrouwelijk zijn.